Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3873

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-07-2017
Datum publicatie
19-07-2017
Zaaknummer
01/879008-17
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2018:2268, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is onder invloed van alcoholhoudende drank, met te hoge snelheid, zonder voldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer en een rood verkeerslicht negerend, tegen een fietsster gebotst met als gevolg het overlijden van deze fietsster. Verdachte is doorgereden na het ongeval en heeft de auto bestuurd, terwijl hij wist dat de geldigheid van zijn rijbewijs was geschorst. Een week vóór het ongeval heeft verdachte eveneens onder invloed van alcohol een auto bestuurd en was de geldigheid van zijn rijbewijs toen ook al geschorst.

Roekeloosheid kan niet bewezen worden; wel kan bewezen worden dat verdachte zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

De rechtbank legt een gevangenisstraf van 3 jaren met aftrek van het voorarrest op en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar. Tevens wordt de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege opgelegd en moet verdachte de gevorderde schade van € 11.308,17 aan de ouders van het slachtoffer betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0650
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/879008-17 en 01/860134-17 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering: 21/005160-15

Datum uitspraak: 19 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,

wonende te [adresgegevens] ,

thans gedetineerd te: P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 19 april 2017 en 5 juli 2017.

Op 5 juli 2017 heeft de rechtbank de tegen verdachte/veroordeelde (hierna: verdachte), onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van respectievelijk 17 maart 2017 en 8 juni 2017.

Nadat de tenlastelegging met parketnummer 01/879008-17 op de terechtzitting van 5 juli 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als

bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg,

Ruwaardsingel en/of Julianasingel, gekomen op of ter hoogte van de kruising

van die weg en de weg, Dr. Saal van Zwanenbergsingel, zich zodanig heeft

gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft

plaatsgevonden, door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, terwijl hij onder (sterke) invloed was van

alcoholhoudende drank, te rijden met een aanzienlijk hogere, in elk geval een

hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid en/of onvoldoende

aandacht te hebben voor het overige verkeer door zijn aandacht en/of zicht te

richten op de autoradio in plaats van het verkeer en/of de weg voor hem en/of

geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt,

immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig

verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of vervolgens (mede)(daardoor)

tegen een die kruising overstekende fietsster te rijden, waardoor een ander

(te weten die fietsster, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij

verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de

Wegenverkeerswet 1994, danwel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel

gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van

genoemde wet;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

A.

hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Oss, in elk geval in Nederland, als

degene tegen wie verdenking was gerezen als bestuurder van een personenauto te

hebben gehandeld in strijd met artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, nadat

hij de door een opsporingsambtenaar aan hem gevraagde toestemming tot het

verrichten van een bloedonderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid,

aanhef en onder b van genoemde wet, niet had verleend, geen gevolg heeft

gegeven aan een aan hem gegeven bevel van een hulpofficier van justitie of een

daartoe bij regeling van de Minister van Justitie aangewezen ambtenaar van

politie, zich aan dat bloedonderzoek te onderwerpen en/of geen medewerking

daaraan heeft verleend;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

B.

hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Oss als bestuurder van een motorrijtuig

(personenauto), daarmede rijdende over de weg, Ruwaardsingel en/of

Julianasingel, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg,

Dr. Saal van Zwanenbergsingel, terwijl hij onder (sterke) invloed was van

alcoholhoudende drank, heeft gereden met een aanzienlijk hogere, in elk geval

een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid en/of

onvoldoende aandacht heeft gehad voor het overige verkeer door zijn aandacht

en/of zicht te richten op de autoradio in plaats van het verkeer en/of de weg

voor hem en/of geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod

of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting

bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of vervolgens

(mede)(daardoor) tegen een die kruising overstekende fietsster is gereden,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij, als degene die al dan niet als bestuurder van een motorrijtuig betrokken

was geweest bij een verkeersongeval

dat had plaatsgevonden in Oss op/aan de Ruwaardsingel en/of Julianasingel, op

of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Dr. Saal van

Zwanenbergsingel,

op of omstreeks 01 januari 2017

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden,

een ander (te weten [slachtoffer] ) is gedood, dan wel letsel en/of schade

aan die [slachtoffer] werd toegebracht,

en/of

- terwijl daardoor, naar hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden, een

ander aan wie bij dat ongeval letsel werd toegebracht (te weten die

[slachtoffer] ), in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3.

hij op of omstreeks 01 januari 2017 te Oss, terwijl hij wist of redelijkerwijs

moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge

artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of

meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die

schorsing van kracht was, op een weg, Ruwaardsingel en/of Julianasingel, een

motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de

schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

Aan verdachte is in de tenlastelegging met parketnummer 01/860134-17 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 25 december 2016 te Nijmegen als bestuurder van een

voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van

alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek,

als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de

Wegenverkeerswet 1994, 705 microgram, in elk geval hoger dan 220 microgram,

alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

hij op of omstreeks 25 december 2016 te Nijmegen, terwijl hij wist of

redelijkerwijs moest weten dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld

rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de

Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was

geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg,

Graafseweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën,

waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 21/005160-15 is aangebracht bij vordering van 12 mei 2017. Deze vordering heeft betrekking op het arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 7 april 2016. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsvraag.

De bewijsmiddelen.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze uitwerking is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

Ten aanzien van feit 1 parketnummer 01/879008-17.

De officier van justitie acht de ten laste gelegde overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 met een dodelijk slachtoffer wettig en overtuigend bewezen met als schuldcategorie het ‘zeer onvoorzichtig rijden’.

De verdediging heeft met betrekking tot dit feit vrijspraak bepleit. Betoogd is dat op basis van het dossier niet kan worden vastgesteld of de aan verdachte verweten verschillende gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden en dat uit de wel vast te stellen gedragingen niet de conclusie getrokken kan worden dat er sprake is van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

De rechtbank zal hieronder uiteenzetten op basis waarvan zij komt tot haar bewijsoordeel.

Inleiding.

Op 1 januari 2017 omstreeks 01:00 uur reed verdachte in een personenauto van het merk Renault voorzien van [kenteken] op de Ruwaardsingel te Oss. Ter hoogte van de kruising (waar de Ruwaardsingel overgaat in de Julianasingel) van voornoemde wegen met de Dr. Saal van Zwanenbergsingel is verdachte met die auto tegen een die kruising overstekende fietsster – het slachtoffer – aangereden. Als gevolg van die aanrijding is het slachtoffer overleden.

Beoordeling.

Verdachte ontkent niet dat hij met voornoemde auto de fietsster heeft aangereden. De rechtbank ziet zich in het bijzonder gesteld voor de vraag of verdachte schuld aan het verkeersongeval heeft gehad, en zo ja in welke gradatie; in de tenlastelegging tot uitdrukking gebracht met de bewoordingen ‘roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend’.

Voor een bewezenverklaring van het misdrijf ex artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994) moet kunnen worden vastgesteld dat verdachte zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld (in dit verband ook culpa genoemd) te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Voor culpa is grove of aanmerkelijke schuld vereist. Deze vorm van schuld wordt wel aangeduid als (aanmerkelijke) onvoorzichtigheid, onachtzaamheid of onoplettendheid. Deze onvoorzichtigheid moet bovendien verwijtbaar zijn. Het gaat bij culpa dus in de kern om een ‘aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid’. De culpa kan worden onderverdeeld in gradaties. Roekeloosheid vormt de bovengrens van deze zogenaamde ‘bewuste schuld’.

Van roekeloosheid als zwaarste, aan opzet grenzende, schuldvorm kan slechts sprake zijn indien door de buitengewoon onvoorzichtige gedraging van de verdachte een zeer ernstig gevaar in het leven is geroepen, alsmede dat de verdachte zich daarvan bewust was, althans had moeten zijn. Het gaat dus bij roekeloosheid om het nemen van “onaanvaardbare risico’s met ernstige gevolgen”, van welk onaanvaardbaar risico de verdachte zich bewust moet zijn geweest, maar waarbij de verdachte “op zeer lichtzinnige wijze ervan is uitgegaan dat deze risico’s zich niet zullen realiseren” of zich “om de gevolgen van zijn handelingen niet heeft bekreund”.

Het verschil tussen roekeloosheid en de lichtere vormen van culpa zit in de waardering van de onvoorzichtigheid van het gedrag. Hoe risicovoller er wordt gehandeld, des te eerder kan roekeloosheid worden aangenomen. Het risicovolle karakter van het gedrag is echter niet doorslaggevend. Bij de vraag of sprake is van roekeloosheid komt ook zeker betekenis toe aan de grootte van de kans dat een bepaald gevolg intreedt en de mate waarin de verdachte zich daarvan bewust was of had moeten zijn.

De rechtbank gaat bij de beoordeling van de vraag welke mate van schuld als bedoeld in artikel 6 van de WVW 1994 in dit geval aan de orde is uit van het volgende.

1. Alcohol en niet meewerken aan onderzoek

Verdachte is op 1 januari 2017 rond 00.30 uur gaan rijden na het nuttigen van minstens negen biertjes en een paar slokjes whisky vanaf het bezoek aan de Makro rond 15.00 uur de dag ervoor. Hij heeft derhalve in een tijdsbestek van nog geen tien uur in het meest gunstige geval, rekening houdend met enkel zijn eigen verklaring aangaande de hoeveelheid genuttigde alcoholconsumpties, minimaal ongeveer tien eenheden alcohol geconsumeerd. Zijn alcoholpromillage kon niet worden vastgesteld door de weigering van verdachte om mee te werken aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 163 zesde lid van de WVW 1994. Dat het bevel hiertoe op onterechte grond is gegeven (er was geen sprake van een onvoltooid ademonderzoek, noch was dit om bijzondere geneeskundige redenen onwenselijk), betekent niet dat verdachte hieraan niet hoefde te voldoen. Hij is immers door die onterechte grond niet in zijn belangen geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat, hoewel er geen sprake is van een concreet vastgesteld alcoholpromillage ten tijde van het ongeval, op basis van de verklaringen van verdachte en getuigen (zowel de vriend waar hij mee optrok voorafgaand aan het ongeval als de vriend waar hij mee optrok kort na het ongeval) zonder meer bewezen is dat verdachte ten tijde van het ongeval een zodanig alcoholpromillage had dat hij daarmee de voor hem als bestuurder geldende norm heeft overschreden. Hij was derhalve ten tijde van het ongeval onder invloed van alcoholhoudende drank.

2. Snelheid

Ook de snelheid waarmee verdachte onmiddellijk voor het ongeval heeft gereden is een factor die mede bepaalt van welke gradatie van schuld moet worden uitgegaan. De gereden snelheid ten tijde van c.q. juist voor het ongeval is niet exact te bepalen, maar uit een verklaring van een getuige kan wel worden afgeleid dat verdachte met een veel hogere snelheid dan ter plaatse toegestaan, heeft gereden. De Ruwaardsingel en/of Julianasingel zijn gelegen binnen de bebouwde kom van Oss. Ter plaatse was de maximumsnelheid voor motorvoertuigen 50 km/u. Dit werd kenbaar gemaakt middels verkeersborden volgens model H1 (bebouwde kom) en door waarschuwingsborden middels verkeersbord A1. [getuige] schat de snelheid waarmee verdachte ten tijde van het ongeval reed op ongeveer 100 km/u. [getuige] verklaart voorts dat het heel moeilijk in te schatten was, maar dat verdachte echt absurd hard heeft gereden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij dacht op een provinciale weg te rijden en dat zijn snelheid daar naar was. Bij de politie verklaarde hij een dag na het ongeval stellig dat hij op een 80 kilometer weg reed. Ook heeft hij verklaard dat hij wel vlot door rijdt en niet twijfelt als bestuurder.

De rechtbank trekt uit vorenstaande de conclusie dat verdachte voorafgaand aan het ongeval met een hogere dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid van 50 km/u heeft gereden.

3. Aandacht voor het verkeer

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de drie snelheidsborden en het smileybord op de Ruwaardsingel niet heeft gezien. Ook heeft hij de verkeerslichten op de kruising met de Dr. Saal van Zwanenbergsingel niet als zodanig opgemerkt. Hij heeft daar geen duidelijke verklaring voor. Hoewel verdachte verklaart dat hij kort voor het ongeval met de autoradio bezig was, was dit niet op de heel Ruwaardsingel het geval.

De rechtbank constateert op basis van deze verklaring dat verdachte zijn aandacht kennelijk onvoldoende bij het verkeer en de weg voor hem heeft gehad. Van een moment van onoplettendheid, zoals door de verdediging is aangevoerd, is absoluut geen sprake. De verschillende bovenbedoelde borden stonden op meerdere plaatsen naast de Ruwaardsingel, over een afstand van enkele honderden meters uit elkaar. Daarnaast is een moment van onoplettendheid geen passende verklaring voor het feit dat verdachte de in de donkere nacht licht uitstralende verkeerslichten niet, althans veel te laat, heeft waargenomen.

4. Verkeerslicht

Tot slot was sprake van het negeren van een rood licht uitstralend verkeerslicht door verdachte dat uiteindelijk heeft geleid tot de botsing met de fietsster (het slachtoffer).

Verdachte heeft geen rood uitstralend verkeerslicht gezien. Verdachte heeft verklaard dat hij voor zich op de weg een auto zag. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij waarschijnlijk het rode verkeerslicht voor een auto heeft aangezien. Uit het onderzoek op basis van de gegevens van de verkeersregelinstallatie blijkt dat het verkeerslicht in verdachtes richting een rood licht uitstraalde. Verdachte is daarvoor niet gestopt.

Conclusie met betrekking tot de mate van schuld.

Samenvattend kan worden vastgesteld dat verdachte in de nacht van 1 januari 2017 onder invloed van alcoholhoudende drank, met te hoge snelheid, zonder voldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer en een rood licht uitstralend verkeerslicht negerend tegen de fietsster is gebotst met als uiteindelijk gevolg het overlijden van het slachtoffer.

De rechtbank stelt vast dat verdachte grote risico’s heeft genomen. Het precieze alcoholpromillage van verdachte ten tijde van het ongeval is echter niet vast te stellen en datzelfde geldt voor de door verdachte gereden snelheid.

Het rijgedrag van de verdachte, in combinatie met het als gevolg van alcoholgebruik niet in staat zijn om het voertuig adequaat te besturen, moet als buitengewoon onvoorzichtig en gevaarzettend worden aangemerkt. Door aldus te rijden heeft verdachte onaanvaardbare risico’s op ernstige gevolgen in het leven geroepen. De rechtbank kan aan de hand van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting echter niet zonder meer vast stellen dat verdachte zich hiervan bewust is geweest of had moeten zijn.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat verdachte door aldus te rijden onaanvaardbare risico’s met ernstige gevolgen heeft genomen, maar niet dat hij zich daarvan bewust moet zijn geweest. Dit betekent dat roekeloosheid niet bewezen kan worden. De rechtbank zal verdachte van dat bestanddeel dan ook vrijspreken, zoals ook door de officier van justitie is voorgesteld.

De combinatie van overtredingen die verdachte in de nacht van 1 januari 2017 omstreeks 01:00 uur heeft begaan, is echter zodanig zwaar te achten dat de rechtbank wel wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte op voornoemd tijdstip zeer onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden.

Ten aanzien van parketnummer 01/879008-17 (feiten 2 en 3) en 01/860134-17.

De officier van justitie acht deze feiten wettig en overtuigend bewezen.

De verdediging heeft zich met betrekking tot deze feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank verwijst met betrekking tot deze feiten naar de eerder genoemde bewijsmiddelenbijlage.

De bewezenverklaring.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en gezien de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna in de bijlage uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

met betrekking tot de tenlastelegging met parketnummer 01/879008-18

1.

op 01 januari 2017 te Oss als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, Ruwaardsingel en Julianasingel, gekomen op of ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Dr. Saal van Zwanenbergsingel, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onvoorzichtig en onoplettend, terwijl hij onder invloed was van alcoholhoudende drank, te rijden met een hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximumsnelheid en onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer en de weg voor hem en geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting bestemd driekleurig

verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en vervolgens daardoor tegen een die kruising overstekende fietsster te rijden, waardoor een ander (te weten die fietsster, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood, terwijl hij na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

2.

als degene die als bestuurder van een motorrijtuig betrokken was geweest bij een verkeersongeval dat had plaatsgevonden in Oss op de Julianasingel, ter hoogte van de kruising van die weg en de weg, Dr. Saal van Zwanenbergsingel, op 01 januari 2017

de (voornoemde) plaats van vorenbedoeld ongeval heeft verlaten,

- terwijl bij dat ongeval, naar hij wist een ander (te weten [slachtoffer] ) letsel en

schade aan die [slachtoffer] werd toegebracht en

- terwijl daardoor, naar hij wist een ander aan wie bij dat ongeval letsel werd toegebracht

(te weten die [slachtoffer] ), in hulpeloze toestand werd achtergelaten;

3.

op 01 januari 2017 te Oss, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die

schorsing van kracht was, op een weg, Ruwaardsingel en Julianasingel, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had, heeft bestuurd;

met betrekking tot de tenlastelegging met parketnummer 01/860134-17

1.

op 25 december 2016 te Nijmegen als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van zijn adem bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994, 705 microgram, alcohol per liter uitgeademde lucht bleek te zijn;

2.

op of omstreeks 25 december 2016 te Nijmegen, terwijl hij wist dat de geldigheid van een op zijn naam gesteld rijbewijs ingevolge artikel 131, tweede lid, onderdeel a van de Wegenverkeerswet 1994, voor een of meer categorieën van motorrijtuigen was geschorst, gedurende de tijd dat die schorsing van kracht was, op een weg, Graafseweg, een motorrijtuig, (personenauto), van de categorie of categorieën, waarop de schorsing betrekking had heeft bestuurd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van de feiten.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van parketnummer 01/879008-17 feit 1 primair, feit 2 en feit 3, alsmede ten aanzien van parketnummer 01/860134-17 feit 1 en feit 2:

  • -

    gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging;

  • -

    ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 5 jaar;

  • -

    onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen.

Ten uitvoer legging van de eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden (parketnummer 21/005160-15).

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging bepleit om géén toepassing te geven aan artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (derhalve geen maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen).

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van de straf / maatregel en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 25 december 2016 werd verdachte staande gehouden omdat hij een zijn rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht negeerde. Toen bleek dat zijn rijbewijs was geschorst en hij tevens onder invloed van alcohol was. Deze confrontatie heeft verdachte er niet van weerhouden om in de vroege nacht van 1 januari 2017 opnieuw, nog steeds zonder dat hij over een geldig rijbewijs beschikte en nadat hij alcoholhoudende drank had genuttigd, in een auto te stappen en naar Oss te rijden. Op de Julianasingel aldaar is verdachte met die auto tegen de fiets van het slachtoffer gebotst. Als gevolg van die aanrijding is het slachtoffer later die dag in het ziekenhuis aan haar verwondingen overleden. Door onder invloed van alcoholhoudende drank, met een hogere snelheid dan ter plaatse was toegestaan, onvoldoende aandacht te hebben voor het overige verkeer en niet te stoppen voor een zijn rijrichting rood licht uitstralend verkeerslicht, heeft verdachte zeer onvoorzichtig dan wel onoplettend rijgedrag vertoond. Verdachte heeft na de aanrijding de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken, willens en wetens het slachtoffer in een hulpeloze toestand achterlatend.

Verdachte verkeerde ten tijde van het plegen van de feiten onder invloed van alcohol, waarvan hij de negatieve werking op zijn gedrag kende of moest begrijpen. Desondanks is hij toch in een auto gestapt en daarmee gaan rijden. Toen verdachte op 1 januari 2017 om 10:55 uur werd bevolen om mee te werken aan een bloedonderzoek om het exacte alcoholpromillage in zijn bloed vast te stellen, heeft hij geweigerd.

Verdachte had om twee redenen nooit achter het stuur mogen stappen. Tot op de dag van vandaag lijkt verdachte in elk geval één van deze redenen (alcohol) niet te onderkennen. Hij meent immers nog steeds dat hij op 1 januari 2017 in staat was een voertuig te besturen. Dat hij tot tweemaal toe toch zonder enige aarzeling met geschorst rijbewijs en onder invloed van alcohol achter het stuur is gaan zitten rekent de rechtbank verdachte bijzonder zwaar aan. Door zijn onbegrijpelijke en onverantwoordelijke gedrag heeft verdachte zeer ingrijpend en onherstelbaar leed toegebracht aan de nabestaanden van het slachtoffer. Ter terechtzitting is door de ouders en de vriend van het slachtoffer op indringende wijze verwoord wat dit verlies voor hen betekent en hebben zij uiting gegeven aan hun verdriet. Vanzelfsprekend heeft verdacht spijt betuigd aan de nabestaanden, dit maakt echter geenszins de gevolgen van zijn handelen ongedaan.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 8 juni 2017 volgt dat verdachte - onder meer - meermalen ter zake overtreding van artikel 7, 8 en 9 van de WVW 1994 werd veroordeeld, alsmede dat verdachte onderhavige strafbare feiten heeft gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. Hieruit volgt dat

een voorwaardelijke straf verdachte er geenszins van weerhoudt om opnieuw de fout in te gaan.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Zonder strafverzwarende omstandigheden (zoals het weigeren mee te werken aan onderzoek) en enkel voor het overtreden van artikel 6 van de WVW 1994 zouden die richtlijnen in deze situatie leiden tot een gevangenisstraf van 4 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 5 jaar.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

De rechtbank acht voorts, ter beveiliging van het verkeer, een langdurige ontzegging van de rijbevoegdheid op zijn plaats omdat verdachte bewezen heeft een gevaar op de weg te vormen.

Voorts betrekt de rechtbank bij haar oordeel de rapporten die ter zake verdachte zijn opgemaakt.

Op 15 april 2017 heeft de psychiater drs. M.J. van Weers een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie en het advies luiden:

Betrokkene lijdt aan een stoornis in alcoholgebruik, cocaïnegebruik, alsmede aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie. Dit was eveneens het geval ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde. De ten laste gelegde feiten zijn betrokkene verminderd toe te rekenen.

Betrokkene bagatelliseert zijn alcoholgebruik, evenals de negatieve invloed ervan op zijn rijvaardigheid. Betrokkene lapt, zelfzuchtig en onnadenkend als hij is, alle verboden in het verkeer aan zijn laars met alle noodlottige gevolgen van dien. De complexe psychiatrische problematiek is over het algemeen in meer gunstige omstandigheden al moeilijk te beïnvloeden, maar zeker in het geval van betrokkene gezien zijn zeer gebrekkige zelfinzicht en ziekte-inzicht en zijn afwezige motivatie voor behandeling. Betrokkene vindt dat hij over zijn gebruik van middelen controle heeft en dat hij geen behandeling nodig heeft. In een eventueel toezicht door de reclassering ziet hij geen enkele meerwaarde. Rapporteur is van mening dat slechts een zorgintensieve behandeling in een kliniek met een hoog beveiligingsniveau op lange termijn perspectief biedt voor een vermindering van de ernstige psychopathologie van betrokkene teneinde de veiligheid van de samenleving beter te kunnen waarborgen.

Ten tijde van het onderzoek was betrokkene niet gemotiveerd voor welke behandeling dan ook. Van een vrijwillige behandeling in de reguliere GGZ mag derhalve geen enkel resultaat verwacht worden.

Een behandeling in een strafrechtelijk kader als voorwaarde, naast een deels voorwaardelijke straf met toezicht door de reclassering, zal naar verwachting niet succesvol zijn, omdat betrokkene zich niet zal kunnen houden aan de voorwaarden, gezien de grote impulsiviteit, de slechte impulsbeheersing, zijn verslavingsgevoeligheid, zijn manipulatieve gedrag en zijn gebrek aan betrouwbaarheid. Deze stok achter de deur wordt door de rapporteur als veel te licht geschat in het geval van betrokkene. Rapporteur overwoog oplegging van de maatregel TBS met voorwaarden. Maar ook dit kader zal naar verwachting om bovengenoemde redenen onvoldoende zijn om te bewerkstelligen dat betrokkene zich aan de voorwaarden zal of kunnen houden. Rapporteur adviseert daarom om betrokkene de maatregel TBS met verpleging op te leggen”.

Op 18 april 2017 heeft de gezondheidszorgpsycholoog K.J. de Wijs-Heijlaerts een rapport omtrent verdachte uitgebracht. De conclusie en het advies luiden:

“Betrokkene is lijdend aan een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een antisociale persoonlijkheidsstoornis en psychopathie. Daarnaast lijdt hij reeds vele jaren aan een ziekelijke stoornis van de geestvermogens in de zin van een stoornis in alcoholgebruik, cocaïnegebruik en cannabisgebruik. Dit beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van het ten laste gelegde. Geadviseerd wordt om het ten laste gelegde betrokkene in verminderde mate toe te rekenen. Betrokkenes denk- en gedragspatronen op basis van zijn persoonlijkheidsstoornis zijn hardnekkig en beïnvloeden zijn gedragskeuzes in significante mate. Antisociale cognities, het streven naar directe behoeftebevrediging, impulsiviteit, het zich geen rekenschap geven van de mogelijke gevolgen van zijn daden voor de veiligheid van anderen, het overschatten van zijn eigen kunnen en het onderschatten van de gevaren van zijn gedrag voor zichzelf en anderen – alle voortkomend uit zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis – hebben zijn gedragskeuzes op de fatale avond in beslissende mate bepaald.

Zowel op basis van de klinische risicotaxatie als op basis van een gestructureerd en gestandaardiseerd risicotaxatie-instrument wordt het recidiverisico bij betrokkene als hoog ingeschat.

Betrokkene heeft zich in het verleden onder zowel vrijwillige behandelingen in de GGZ als onder onvrijwillige behandelingen in een forensisch kader laten stellen, maar geen van deze ambulante en klinische behandelingen heeft tot een bestendige afname van de problematiek geleid. De hardnekkigheid van zowel de antisociale denkpatronen en gedragingen als zijn middelenmisbruik, afgezet tegen de achtergrond van het ontbreken van zowel ziektebesef, ziekte-inzicht als enige innerlijke motivatie, maakt dat behandeling van zijn problematiek een moeizaam traject zal zijn dat vraagt om een intensieve en langdurige therapievorm. Deze therapie zal in eerste instantie (langere tijd) klinisch moeten starten en zich moeten richten op detoxificatie van zijn middelengebruik, het motiveren van betrokkene voor behandeling, het vergroten van zijn ziektebesef en –inzicht en het behandelen van zijn impulsiviteit en gebrekkige beheersing van zijn (agressieve) gedrag. Gezien de psychopathe kenmerken in betrokkens persoonlijkheid dient men alert te zijn op manipulatie en schijnaanpassing door betrokkene. Het zorg- en beveiligingsniveau moeten beide hoog zijn en bovenbeschreven behandeling heeft alleen in een verplicht kader enige kans van slagen.

Het hoge recidiverisico brengt noodzakelijkheid van behandeling met zich mee en gezien het ontbreken van innerlijke motivatie en het onvermogen zich aan voorwaarden te houden, rest alleen het ultimum remedium om het recidiverisico in te perken. Geadviseerd wordt dan ook om aan betrokkene een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging op te leggen. Een terbeschikkingstelling met voorwaarden wordt vanwege betrokkenes gebrekkige motivatie, het feit dat hij zelf van mening is geen behandeling nodig te hebben en zijn onvermogen zich te conformeren aan gestelde voorwaarden als onhaalbaar ingeschat en derhalve niet geadviseerd”.

De rechtbank neemt de bovenstaande conclusies en adviezen over. Dit betekent dat zij rekening houdt met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Ook is de rechtbank met de psycholoog en de psychiater van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

Het door verdachte ter terechtzitting gepresenteerde plan van aanpak maakt het voorgaande niet anders. Voor zover daar al motivatie voor een klinisch traject in het kader van een voorwaardelijke straf uit blijkt doet het onvoldoende recht aan de zeer ernstige en complexe problematiek die door de deskundigen wordt gerapporteerd. Verdachte geeft in het plan van aanpak namelijk aan dat hij niet openstaat voor een heel langdurig of een intensief traject. Dit is juist wel wat volgens de deskundigen nodig is. Bovendien vormt dit door verdachte opgestelde plan van aanpak een bevestiging van het ontbreken van inzicht in zijn problematiek.

De rechtbank overweegt dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. Het hierna te kwalificeren feit onder 1 primair betreft een misdrijf als vermeld in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank overweegt voorts dat de Tbs-maatregel wordt opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten overtreding van artikel 6 van de WVW 1994. Dit betekent dat de totale duur van deze Tbs-maatregel een periode van vier jaar te boven kan gaan en dus ongemaximeerd is.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

Gelet op het bovenoverwogene, te weten het vooruitzicht op een langdurig en intensief behandeltraject en ook de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte, zal de rechtbank de op te leggen gevangenisstraf enigszins beperken.

De vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de officier van justitie.

Toewijzing van de gevorderde kosten ter zake de uitvaartverzorging, kaarsen en stelpost kosten tot een gezamenlijk bedrag van € 11.202,02 vermeerderd met de wettelijke rente en toepassing van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht. De wet biedt onvoldoende ruimte om de gevorderde reiskosten toe te wijzen.

Het standpunt van de verdediging.

Er wordt in het geheel geen verweer gevoerd tegen de vordering.

Beoordeling.

Nu de verdediging deze vordering in het geheel niet betwist, zal deze worden toegewezen. Gelet op vorenstaande acht, de rechtbank de vordering integraal toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2017 tot de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn die van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is de wet.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 21/005160-15.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt. Bijzondere omstandigheden die aan de tenuitvoerlegging in de weg staan zijn niet aanwezig. De rechtbank zal dan ook de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36b, 36c, 37a, 37b, 36f, 57,

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 7, 8, 9, 175, 176, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 1 primair:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood, terwijl de schuldige, na het feit niet heeft voldaan aan een bevel, gegeven krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van deze wet.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 2:

overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 3:

overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van 01/860134-17 feit 1:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

Ten aanzien van 01/860134-17 feit 2:

overtreding van artikel 9, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straffen en maatregelen.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 1 primair, feit 2, feit 3, 01/860134-17 feit 1, feit 2:

gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 1 primair:

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van 5 jaar.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 1 primair:

terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Ten aanzien van 01/879008-17 feit 1 primair:

maatregel van schadevergoeding van € 11.308,17 subsidiair 91 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de ouders van [slachtoffer] een bedrag van € 11.308,17 (zegge: elf duizend driehonderdacht euro en zeventien eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 91 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

De rechtbank:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de ouders van [slachtoffer] een bedrag van € 11.308,17 (zegge: elf duizend driehonderdacht euro en zeventien eurocent). Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Overige beslissingen:

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:

- 1 patroon g1121581;

- 1 wapen merk Browning FN 1910 g1121583;

- 1 magazijn/houder g1121585;

- 1 patroon g1121589;

- 1 patroon g1121590;

- 1 huls g1121592;

- 1 patroon g1121593;

- 1 patroon g1121594.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:

Last tot tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij arrest van het gerechtshof te Arnhem-Leeuwarden d.d. 7 april 2016, gewezen onder parketnummer 21/005160-15, te weten: gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Boersma, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 19 juli 2017.