Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:387

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
01/865130-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van medeplegen van de invoer van cocaïne uit Curacao.

Vrijspraak van medeplichtigheid daarbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865130-15

Datum uitspraak: 26 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adresgegevens 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 maart 2016, 13 juli 2016, 14 december 2016 en 12 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 18 februari 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 13 juli 2016 en 14 december 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 11 oktober 2015 tot en met 23 okt 2015 te Curacao en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of 's-Hertogenbosch, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 5918 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of een of meer andere perso(o)n(en), in of omstreeks de periode van 11 oktober 2015 tot en met 23 oktober 2015 te Curaçao en/of Schiphol, gemeente Haarlemmermeer en/of 's-Hertogenbosch,

althans in Nederland,

opzettelijk

binnen het grondgebied van Nederland heeft/hebben gebracht ongeveer 5918 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel

aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij het plegen van welk bovenomschreven misdrijf verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk feit verdachte opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door opzettelijk in of omstreeks de periode van 1 september 2015 tot en met 29 oktober 2015:

- die [medeverdachte 1] in contact te brengen met die [medeverdachte 2] en/of (een) andere mededader(s) en/of

- (telefonisch) contacten te onderhouden tussen die [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of (een) andere mededader(s) en/of -afspraken te maken over een financiële vergoeding voor die [medeverdachte 1] , althans die [medeverdachte 1] geldbedragen in het vooruitzicht te stellen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie rekwireert tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, het medeplegen van de invoer van cocaïne.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging bepleit integrale vrijspraak. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat verdachte pleger of medepleger is van de invoer van cocaïne. Verdachte heeft geen enkele uitvoeringshandeling gepleegd. Ook heeft geen nauwe en intensieve samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten plaatsgevonden waardoor wettig en overtuigend bewijs om verdachte als ‘medepleger’ te kwalificeren ontbreekt.

Voorts ontbreekt het zogenaamd dubbel opzet en volgt uit de bewijsmiddelen niet dat verdachte voorafgaand aan of tijdens het misdrijf hulp heeft verleend, waardoor wettig en overtuigend bewijs om verdachte als ‘medeplichtige’ te kwalificeren ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling verklaring [medeverdachte 1] .

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie – kort gezegd – verklaard dat zij verdachte had gevraagd haar te helpen bij het vinden van een poetsadres, omdat zij inkomsten wilde genereren. Verdachte zei tegen [medeverdachte 1] dat zij wel iets voor haar had. Vervolgens ontmoette [medeverdachte 1] bij verdachte thuis (de latere medeverdachte) [medeverdachte 2] ( [alias] ). [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 2] meerdere malen ontmoet, al dan niet in bijzijn van verdachte. Tijdens een ontmoeting waarbij verdachte aanwezig was, zei [medeverdachte 2] dat hij wel een klusje voor haar had, namelijk het opsturen van een stoel en schilderijen van Curaçao naar Nederland, waarvoor zij een geldbedrag van € 10.000,-- zou krijgen, een vakantie in Curaçao en leefgeld, aldus [medeverdachte 1] .

Tijdens haar eerste verklaring bij de politie heeft [medeverdachte 1] verklaard dat het gesprek over het vervoer van de stoel bij haar thuis plaatsvond en dat verdachte niet bij dat gesprek aanwezig was. In een latere verklaring heeft [medeverdachte 1] gezegd dat het gesprek over het vervoer van de stoel bij verdachte thuis plaatsvond en dat verdachte wel dat bij dat gesprek aanwezig was. De verklaringen van [medeverdachte 1] vertonen ook verschillen over andere details van deze ontmoetingen.

De verklaringen van [medeverdachte 1] over de rol van verdachte zijn aldus niet consistent. Verdachte betwist de verklaring van [medeverdachte 1] stellig.

Voorts kan in het algemeen worden vastgesteld dat [medeverdachte 1] haar eigen rol bagatelliseert en niet op alle punten een adequate en complete verklaring heeft afgelegd. De rechtbank zal daarom de verklaringen van [medeverdachte 1] slechts met gepaste behoedzaamheid gebruiken, namelijk alleen voor zover zij door objectieve bewijsmiddelen wordt ondersteund.

Plegen.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het (alleen) plegen van het tenlastegelegde door verdachte niet wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht.

Medeplegen.

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van informatie, het regelen van vervoer/verblijf), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De bijdrage van de medepleger kan in uitzonderlijke gevallen in hoofdzaak voor of ná het strafbare feit zijn geleverd. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde het volgende af.

Op 18 oktober 2015 is vanuit Curaçao op Schiphol een houten kist Nederland binnengekomen. De kist was geadresseerd aan [medeverdachte 1] . Toen de drugshonden aansloegen, is deze kist onderzocht. In die houten kist werden een grote stoel, een voetenbankje en enkele schilderijen aangetroffen. In het zitvlak van de stoel bleken in totaal elf pakketten te zitten, allemaal verpakt in aluminiumfolie. Na weging bleek het totaalgewicht van die elf pakketten 6,83 kilogram bruto te zijn. Van de inhoud van alle elf pakketten werd een monster genomen en indicatief positief getest op de aanwezigheid van cocaïne. Nader onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut heeft uitgewezen dat het materiaal in de pakketten inderdaad cocaïne bevatte. Het nettogewicht van de cocaïne bedroeg 5918 gram. De elf pakketten zijn vervangen door gips, waarbij in één pakket een cocaïne monster is teruggeplaatst van 12 gram.

Op 22 oktober 2015 omstreeks 14:30 uur werd de kist door [leverancier] afgeleverd op het adres [adresgegevens 2] . De kist werd in ontvangst genomen door [medeverdachte 1] . Vervolgens werd het pakket door [medeverdachte 3] in een door hem gehuurd bestelbusje van [verhuurbedrijf] geladen waarna [medeverdachte 3] met het busje wegreed. Uit gesprekken die zijn uitgeluisterd via lopende telefoontaps en de verklaring van [medeverdachte 3] ter terechtzitting volgt dat [medeverdachte 3] tijdens de rit contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] .

[medeverdachte 3] parkeerde het [verhuurbedrijf] busje vervolgens op de [straatnaam] te ’s-Hertogenbosch en liet de sleutels in het contact zitten. Uit de peilbakenapparatuur bleek dat later die dag omstreeks 22:45 uur weer werd gereden met het [verhuurbedrijf] busje met als eindbestemming een loods gelegen aan de [adresgegevens 3] . Later is het [verhuurbedrijf] busje weer vertrokken, maar uit de peilbakenapparatuur bleek dat de kist in de loods was achter gebleven. Op 23 oktober 2015 omstreeks 21:30 uur viel de politie de loods binnen, waar de stoel met elf pakketten, waaronder die met gips, werd aangetroffen.

Uit het dossier blijkt niet dat verdachte enige uitvoeringshandeling met betrekking tot de invoer van de cocaïne heeft verricht.

Volgens de officier van justitie zou de rol van verdachte als medepleger van de invoer van cocaïne eruit hebben bestaan dat zij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] met elkaar in contact gebracht heeft, dat er op haar laptop gezocht is naar vliegtickets naar Curaçao en dat zij zowel voor als na het delict van allerlei verbanden en contacten op de hoogte is en daar een (verbindende) rol in heeft gespeeld.

Zoals de rechtbank hiervoor onder het kopje ‘beoordeling verklaring [medeverdachte 1]’ heeft overwogen, zal zij de belastende verklaring van [medeverdachte 1] ten aanzien van verdachte slechts behoedzaam gebruiken voor het bewijs. Over de rol van verdachte voorafgaand aan het delict bevat het dossier geen andere objectieve bewijsmiddelen waaruit zonder meer de betrokkenheid van verdachte bij het ten laste gelegde volgt. Dat er op de laptop van verdachte is gezocht naar een vlucht naar Curaçao, vindt de rechtbank niet van voldoende betekenis. [medeverdachte 2] was immers kind aan huis bij verdachte, zodat niet kan worden uitgesloten dat bijvoorbeeld [medeverdachte 2] gebruik heeft gemaakt van de computer van verdachte.

Het dossier bevat weliswaar aanknopingspunten dat verdachte ná levering van de kist een rol speelde in de contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , maar die rol is van onvoldoende gewicht om het ontbreken van uitvoeringshandelingen te compenseren.

Voor het overige bevinden zich in het dossier geen objectieve bewijsmiddelen waaruit enige betrokkenheid volgt van verdachte bij het ten laste gelegde.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachten niet dan wel onvoldoende is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de bijdrage van verdachte aan het primair tenlastegelegde is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het tenlastegelegde medeplegen.

Medeplichtigheid.

De rechtbank acht voorts niet bewezen dat verdachte opzettelijk behulpzaam is geweest bij, dan wel opzettelijk de gelegenheid, middelen of inlichtingen heeft verschaft tot het plegen van het misdrijf door [medeverdachte 1] in contact te brengen met [medeverdachte 2] , telefonisch contact te onderhouden tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , dan wel afspraken te maken over een financiële vergoeding voor [medeverdachte 1] .

Ook hier geldt dat de rechtbank de verklaringen van [medeverdachte 1] slechts zal hanteren voor zover deze steun vinden in objectieve bewijsmiddelen. Ten aanzien van het contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] stelt de rechtbank vast dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat verdachte met de rol die zij speelde in de contacten tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] het (al dan niet voorwaardelijk) opzet had op zowel de invoer van verdovende middelen als haar eigen bijdrage daaraan.

Ten aanzien van het onderhouden van telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en het maken van afspraken over een financiële vergoeding voor die [medeverdachte 1] , stelt de rechtbank vast dat uit de objectieve bewijsmiddelen volgt dat al deze handelingen hebben plaatsgevonden ná de aflevering van de kist met daarin verdovende middelen op 22 oktober 2015 en aldus niet kunnen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde medeplichtigheid.

Gelet op vorenstaande is de rechtbank is van oordeel dat het subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn waarvan het bezit een strafbaar feit oplevert en daarmee van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet.DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair is ten laste gelegd spreekt haar daarvan vrij;

legt op de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten: - 12 magazijnhouders goednummer 901693/4; - 1 boksbeugel goednummer 901691;

heft op het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 24 december 2015 reeds geschorst.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.A. Mandemakers, voorzitter,

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 26 januari 2017.