Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3708

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
01/993211-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek "Fraps".

Vrijspraak voorhanden hebben wapen van categorie III en munitie.

Bewezenverklaring (tweemaal): medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Gevangenisstraf voor de duur van vijf (5) jaar en zes (6) maanden met aftrek voorarrest.

Verweren ten aanzien van start onderzoek, vertrouwensbeginsel, transparantie en verslaglegging, BOB-bevelen en de uitvoering van de peusdokoop, Talloncriterium verworpen: officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Geen bewijsuitsluiting.

Overschrijding van de redelijke termijn geconstateerd maar geen gevolg aan verbonden. Bij aanhouding opgelopen letsel van verdachte is niet ontstaan doordat politie buitensporig geweld heeft gebruikt. Derhalve geen vormverzuim ex art. 359a Sv. Afwijzing verzoeken tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993211-14

Datum uitspraak: 12 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Kas [Turkije] op [geboortedatum 1] 1966,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 juli 2014, 29 juli 2014, 21 oktober 2014, 13 januari 2015, 19 januari 2015, 26 maart 2015, 4 november 2015, 18 oktober 2016, 20 juni 2017, 21 juni 2017 en 28 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 juni 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 20 februari 2014 te Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 10.000 pillen bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, in elk geval bevattende een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2. hij op of omstreeks 8 april 2014 te Apeldoorn en/of te Loenen, gemeente Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, althans opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, althans opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 65,65 kilogram (zijnde ongeveer 270.000 pillen) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, in elk geval bevattende een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

3. hij op of omstreeks 8 april 2014 te Apeldoorn, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool van het merk Zastava, model 70, kaliber 7,65 mm en/of munitie van categorie III, te weten acht, althans een aantal, kogelpatronen "Geco L 7.65.T" voorhanden heeft gehad.

De formele voorvragen.

De geldigheid van de dagvaarding.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de dagvaarding voldoet aan alle wettelijke eisen.

De bevoegdheid van de rechtbank.

Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie.

1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging.

2. Het standpunt van de verdediging

Namens meerdere verdachten is op uiteenlopende, hierna verkort weer te geven, gronden aangevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging. Voor zover raadslieden een dergelijk verweer c.q. de daartoe aangevoerde gronden niet in hun eigen zaak hebben voorgedragen, hebben zij zich aangesloten bij hetgeen namens de medeverdachten ter zake is aangevoerd. De rechtbank beschouwt dit verweer en de daartoe aangevoerde gronden derhalve als te zijn gedaan in alle zaken en zal deze daarom dan ook in alle zaken bespreken en beoordelen, behoudens voor zover uit de betreffende grond zelf blijkt dat deze uitsluitend betrekking kan hebben op de zaak waarin de grond is aangevoerd. Voor zover onvoldoende blijkt dat de verdediging zich bij bepaalde gronden in de zaken van de medeverdachten heeft aangesloten, dragen de overwegingen en beslissingen van de rechtbank een ambtshalve karakter. Hetgeen dienaangaande door de verschillende raadslieden naar voren is gebracht, laat zich in zakelijke bewoordingen als volgt samenvatten: er is doelbewust en/of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachten tekort gedaan aan hun recht op een eerlijk proces respectievelijk is er sprake van vormverzuimen die het wettelijke systeem waarop de strafrechtspleging is gestoeld in de kern hebben geraakt. De normschending heeft betrekking op verschillende aspecten, te weten:

- het onderzoek is niet volledig en transparant geweest;

- de BOB-bevelen zijn onrechtmatig;

- de uitvoering van de pseudokoop is onrechtmatig;

- de verslaglegging is onvolledig en onjuist;

- er is sprake van ontoelaatbare uitlokking.

3. Het oordeel van de rechtbank 1

3.1

Beoordelingskader

De rechtbank stelt voorop dat de toepassing van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering (Sv) is beperkt tot vormverzuimen die zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek, waaronder begrepen normschendingen bij de opsporing. Indien sprake is van een dergelijk - niet voor herstel vatbaar - vormverzuim, maar de rechtsgevolgen ervan niet uit de wet blijken, dan zal de rechter moeten beoordelen of aan dat verzuim een rechtsgevolg verbonden moet worden en zo ja, welk rechtsgevolg. Daarbij dient hij rekening te houden met de in lid 2 van artikel 359a Sv genoemde factoren, te weten het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van de schending en het door de schending veroorzaakte nadeel, waaronder te begrijpen de eventuele schade die verdachte in zijn verdediging heeft opgelopen. Hierbij moet worden aangetekend dat geen sprake is van een voor de toepassing van artikel 359a Sv in aanmerking te nemen nadeel indien de verdachte niet getroffen is in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen. Verder is van belang vast te stellen dat schending van vormvoorschriften in het voorbereidend onderzoek niet in alle gevallen tot voordeel van verdachte moet leiden; de rechter kan volstaan met de feitelijke constatering dat vormvoorschriften zijn verzuimd. Indien de rechter meent dat daarmee echter niet kan worden volstaan, dan heeft hij de mogelijkheid om aan het vormverzuim een van de drie in artikel 359a lid 1 Sv genoemde rechtsgevolgen te verbinden: strafvermindering, bewijsuitsluiting dan wel niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie. Het belang van verdachte dat het strafbare feit niet wordt ontdekt vormt rechtens geen beschermenswaardig belang, zodat de overtreding van een vormvoorschrift dat verdachte in dat belang raakt in beginsel zonder gevolg zal kunnen blijven.

Ten aanzien van het rechtsgevolg van niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie verdient het navolgende aantekening. Niet-ontvankelijk verklaring komt, als een aan schending van een vormvoorschrift in het voorbereidend onderzoek te verbinden rechtsgevolg, in slechts zeer uitzonderlijke gevallen aan de orde. Dit kan aan de orde zijn in geval sprake is van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van de zaak is tekortgedaan. Voorts is een dergelijke sanctie mogelijk indien - ook zonder dat de belangen van de verdachte als hiervoor bedoeld zijn geschonden - sprake is van een handelwijze van de officier van justitie die in strijd is met de grondslagen van het strafproces waardoor het wettelijk systeem in de kern wordt geraakt, zoals de bevoegdheidsverdeling tussen het openbaar ministerie en de onafhankelijke rechter zoals die in het wettelijk systeem ten aanzien van vervolging, berechting en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen is vervat.

De rechtbank zal thans overgaan tot een beoordeling van de afzonderlijke gronden/aspecten, zoals hierboven weergegeven.

3.2

Beoordeling

3.2.1

Ten aanzien van de start van het onderzoek

3.2.1.1 Algemeen

Uit het dossier komt naar voren dat aan de start van het onderzoek en de daarop ingezette bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) - kort samengevat - de navolgende informatie van de Amerikaanse opsporingsautoriteiten ten grondslag heeft gelegen:

- op 22 april 2013 door het Landelijk Internationaal Rechtshulp Centrum (LIRC) ontvangen informatie, inhoudende dat de Drug Enforcement Administration (DEA) informatie heeft ontvangen dat de Nederlander [medeverdachte 1] (geboren op [geboortedatum 2] 1972) op dat moment in Zuid Amerika is en stelt 2 miljoen eenheden LSD en een miljoen pillen MDMA te kunnen regelen in ruil voor twintig kilo cocaïne; [medeverdachte 1] zou communiceren via zijn facebookaccount;

- op 8 januari 2014 via het LIRC ontvangen informatie, inhoudende dat inlichtingen aangeven dat [medeverdachte 1] momenteel het [telefoonnnummer] gebruikt om zijn drugsactiviteiten in Nederland uit te voeren.

Daarbij is telkens vermeld dat de Amerikaanse opsporingsautoriteiten hebben medegedeeld dat de informatie op rechtmatige wijze is verkregen en door Nederlandse opsporingsdiensten in een strafrechtelijk onderzoek mag worden gebruikt.

Voorts was op 8 januari 2014 door de in Nederland gestationeerde liaison officer van de Amerikaanse DEA, [naam 1] , aan de Nederlandse verbalisant B-2160 de aanvullende informatie verstrekt, dat eerder genoemd telefoonnummer werd gebruikt door [medeverdachte 1] , een vriend van [persoon x], die was geïnteresseerd in de verkoop van MDMA in Nederland.

Deze aanvullende informatie ontbrak in eerste instantie in het dossier en is later, bij brief van officier van justitie [naam 2] - destijds verantwoordelijk voor zaken waarbij het team Werken Onder Dekmantel (WOD) is betrokken - d.d. 5 maart 2015, meer in het bijzonder het bij die brief gevoegde proces-verbaal van verbalisant B-2160 d.d. 4 maart 2015 en het rapport van [naam 1] van gelijke datum, alsnog toegevoegd. De rechtbank is van oordeel dat het in eerste instantie niet toevoegen van deze informatie aan het dossier moet worden aangemerkt als een vormverzuim, welk vormverzuim evenwel is hersteld, zodat hieraan geen rechtsgevolg hoeft te worden verbonden.

De rechtbank is voorts van oordeel dat voormelde informatie, in onderling verband en samenhang beschouwd, een verdenking als bedoeld in artikel 27 Sv oplevert. De informatie is concreet (personalia, facebookaccount en soort handel worden benoemd) en recent (de laatste informatie dateert van 8 januari 2014), waarbij middels observatie op 9 januari 2014 [medeverdachte 1] werd herkend aan de hand van een foto van het betreffende facebookaccount en een foto uit de reisdocumentatie van de gemeente Tilburg.

3.2.1.2 Eerder startmoment?

Volgens het relaasproces-verbaal is het onderzoek gestart op 9 januari 2014 [algemeen dossier, pag. 8]. De eerste BOB-bevelen zijn afgegeven op 15 januari 2014. Daarbij is onder meer sprake van een bevel telecommunicatie betreffende eerder genoemd, aan [medeverdachte 1] toegeschreven [telefoonnnummer] (hierna: nr. 881) en van een bevel pseudokoop, waarbij Portugese undercoveragenten (hierna: UC's), A-2130 en A-2135, zijn ingezet. Op 17 januari 2014 is A-2130 voor het eerst ingezet: hij heeft toen met zijn Portugese gsm-nummer (hierna: nr. 143) contact opgenomen met nr. 881.

Dat uit de verhoren bij de rechter-commissaris, in het bijzonder het verhoor van een van de begeleiders van de UC’s, verbalisant B-2190, naar voren is gekomen dat in de periode voorafgaand aan de start van het onderzoek op 9 januari 2014 reeds informatie over [medeverdachte 1] bekend was en dat reeds toen de mogelijkheden zijn verkend van een eventueel in te zetten WOD-traject, brengt nog niet met zich dat sprake is van een eerder startmoment; niet is gebleken dat opsporingsbevoegdheden zijn ingezet voorafgaand aan 9 januari 2014. Dat er eerder informatie over [medeverdachte 1] bekend was volgt overigens ook uit eerder genoemde, op 22 april 2013 reeds door het LIRC ontvangen DEA-informatie.

Het door verbalisant B-2160 bij de liaison officer van de DEA vragen naar en verkrijgen van aanvullende informatie teneinde contact te kunnen leggen met [medeverdachte 1] - het betreft de informatie zich te kunnen voordoen als ‘a friend of [persoon x]’ - ziet in dit verband slechts op het uitwisselen van (politionele) informatie in de voorfase. Dat geldt eveneens voor het door een Confidential Source (hierna: CS) via facebook laten verifiëren van het telefoonnummer van [medeverdachte 1] . De rechtbank overweegt in dit verband dat het door (criminele) informanten verstrekken van dergelijke informatie als startinformatie ook in Nederland niet ongebruikelijk is; de rechtbank wijst ten dezen op de zogenaamde TCI-processen-verbaal.

Overigens is niet gebleken dat sprake is geweest van de inzet van een criminele burgerinfiltrant, zoals door de verdediging is gesteld; UC A-2135 verklaart over een ‘collaborador’, terwijl in de brief van de Amerikaanse autoriteiten d.d. 4 januari 2016 melding wordt gemaakt van een ‘criminal informant’, en meer specifiek ten aanzien van de verstrekker van de informatie, van een ‘DEA confidential source’. Over een (criminele) burgerinfiltrant wordt niet gesproken, nog daargelaten de vraag omtrent wetenschap daarvan bij de Nederlandse autoriteiten.

[medeverdachte 1] stelt dat hij ‘ [persoon x] ’ reeds in 2011 heeft ontmoet, dat [persoon x] hem na zijn (= [medeverdachte 1] ) verhuizing naar Nederland via facebook heeft gevraagd drugsgerelateerde zaken toe te sturen waar hij niet op in is gegaan, dat hij in 2013 geen contact met [persoon x] heeft gehad, waarna [persoon x] in 2014 vanuit het niets weer contact opnam via facebook en hem vroeg Portugese vrienden op te vangen op Schiphol. Zo al van de juistheid van deze stelling moet worden uitgegaan - nadere gegevens over [persoon x] en de betreffende contacten zijn door [medeverdachte 1] niet verstrekt - brengt ook dit niet met zich dat sprake is van een eerder startmoment: [medeverdachte 1] stelt immers dat [persoon x] in 2014 vanuit het niets weer contact met hem opnam.

3.2.1.3 Vertrouwensbeginsel

Zoals hiervoor onder 3.2.1.1 is vermeld, is bij de verstrekte informatie telkens vermeld dat de Amerikaanse opsporingsautoriteiten hebben medegedeeld dat de informatie op rechtmatige wijze is verkregen en door Nederlandse opsporingsdiensten in een strafrechtelijk onderzoek mag worden gebruikt. Gelet hierop en gezien het vertrouwensbeginsel mochten de Nederlandse autoriteiten op die startinformatie afgaan.

Dat blijkens de brief van de Amerikaanse autoriteiten d.d. 4 januari 2016 de DEA voornoemde informatie van de DEA in Brazilië heeft verkregen, leidt niet tot een ander oordeel; het is niet aan de Nederlandse autoriteiten te twijfelen aan de rechtmatigheid van de wijze van verkrijging door de Amerikaanse autoriteiten, tenzij er concrete aanwijzingen liggen voor het tegendeel.

3.2.2

Transparantie en verslaglegging

Voorop dient te worden gesteld dat de verbaliseringsplicht uitsluitend geldt ten aanzien van het voorbereidend onderzoek voor zover sprake is van opsporing: in artikel 152 Sv is immers bepaald dat de in dit artikel genoemde opsporingsambtenaren gehouden zijn proces-verbaal op te maken van hetgeen door hen tot opsporing is verricht of bevonden, terwijl artikel 132a Sv opsporing definieert als het onderzoek dat in verband met strafbare feiten onder gezag van de officier van justitie wordt verricht met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen. Dat betekent echter niet dat in de fase die aan het opsporingsonderzoek vooraf gaat, al naar gelang de aard en omvang van het in die fase verrichte onderzoek, mag worden afgezien van verslaglegging in enigerlei vorm, aangezien immers - zo nodig - moet kunnen worden teruggegrepen op hetgeen in die voorfase is bevonden in het geval die voorfase wordt gevolgd door een opsporingsonderzoek.

De rechtbank is van oordeel dat in casu de verantwoording van de voorfase zonder meer beter had gekund: zo is de informatie omtrent de introductiemogelijkheid bij [medeverdachte 1] als ‘a friend of [persoon x]’ eerst later aan het dossier gevoegd, waardoor in eerste instantie de indruk bestond dat [medeverdachte 1] zelf de naam ‘ [persoon x] ’ als eerste had genoemd. De rechtbank is evenwel niet gebleken dat sprake zou zijn van het (herhaaldelijk) welbewust buiten het dossier houden van informatie en het (herhaaldelijk) welbewust spreken van onwaarheden. In aanmerking nemende de in het dossier opgenomen startinformatie, zoals aangevuld met het proces-verbaal van B-2160 d.d. 4 maart 2015, de memo van DEA liaison officer [naam 1] van gelijke datum en de brief van de Amerikaanse autoriteiten d.d. 4 januari 2016, is de rechtbank van oordeel dat een toereikende verantwoording van die voorfase voorligt, te meer nu de verdediging de gelegenheid heeft benut om diverse bij de start van het onderzoek relevante actoren daarover te bevragen. Hetgeen de verdediging heeft aangehaald levert onvoldoende aanwijzingen op dat andere dan de reeds verantwoorde bevindingen uit die voorfase aan de basis hebben gestaan van het daarop volgende opsporingsonderzoek. De rechtbank herhaalt in dit verband dat [medeverdachte 1] zelf aangeeft dat [persoon x] in 2014 vanuit het niets contact op nam via facebook, derhalve op een tijdstip dat de informatie omtrent zijn vermeende drugsactiviteiten reeds bekend was.

Wat betreft de verslaglegging door de Portugese UC’s overweegt de rechtbank dat, zoals te doen gebruikelijk, sprake is van een zakelijke weergave van hun bevindingen. Dat de UC’s daarbij zelf de relevantie bepalen is ook gebruikelijk, daar het hun eigen waarnemingen betreft. Van belang hierbij is ook dat sprake is van professionele, daartoe opgeleide opsporingsambtenaren. De rechtbank is van oordeel dat de verslagen van de UC’s op hoofdlijnen overeenkomen; afwijkingen op detailniveau laten juist zien dat sprake is van een eigen weergave van bevindingen. De verslagen vinden ook steun in tapgesprekken en verslagen van het Observatieteam en (ten dele) in verklaringen van verdachten zelf.

3.2.3

Ten aanzien van de BOB-bevelen en de uitvoering van de pseudokoop

Door de verdediging is aangevoerd dat het bevel tot pseudokoop onrechtmatig is afgegeven. Daartoe zijn de navolgende argumenten naar voren gebracht:

  1. er was onvoldoende verdenking tegen [medeverdachte 1] om een bevel tot pseudokoop af te geven;

  2. de bevelen tot pseudokoop zijn afgegeven in strijd met het proportionaliteitsbeginsel en het subsidiariteitsbeginsel;

  3. het eenmalig karakter van pseudokoop is geschonden;

  4. in het eerste bevel ontbreekt de naam [verdachte] en in het tweede bevel ontbreken de aanduidingen van de Portugese UC’s;

  5. de inzet van buitenlandse UC’s was onrechtmatig omdat daaraan na een gedaan rechtshulpverzoek geen instemming van Portugal ten grondslag lag;

  6. de verslaglegging door de Portugese UC’s is onvolledig en onjuist en voldoet niet aan het extreme care-beginsel;

  7. er is niet voldaan aan de vereisten van het Samenwerkingsbesluit bijzondere opsporingsbevoegdheden en de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden.

De rechtbank overweegt ten aanzien van deze argumenten het volgende.

 Ad a. De rechtbank verwijst voor wat betreft de verdenking naar hetgeen hiervoor is

opgemerkt ten aanzien van de start van het onderzoek. De verdenking tegen [medeverdachte 1] berustte op voldoende geconcretiseerde, gecontroleerde en geactualiseerde informatie.

 Ad b. Uit het bevel pseudokoop van 15 januari 2014 [BOB dossier, pag. 60] volgt dat [medeverdachte 1] werd

verdacht van overtreding van de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet. Dit zijn misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. De officier achtte het in het belang van het onderzoek dat gebruik werd gemaakt van de bijzondere opsporings-bevoegdheid pseudokoop. De rechtbank verenigt zich daarmee. Uit de inlichtingen van de DEA volgt dat [medeverdachte 1] in staat zou zijn in Zuid-Amerika een grote partij LSD en/of MDMA (XTC) te ruilen tegen 20 kilogram cocaïne. Het gaat derhalve om de verdenking van betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij internationale drugshandel in grote partijen drugs. Dit betreft zeer ernstige strafbare feiten waarop hoge straffen staan en die door het internationale karakter moeilijk op te sporen zijn, maar gelet op de bedreiging die zij vormen voor de gezondheid van mensen en het maatschappij ontwrichtende karakter wel bestreden moeten worden. Het gebruik van het opsporingsmiddel pseudokoop is daarom niet te zwaar, zodat is voldaan aan het proportionaliteitsvereiste.

Ook aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan. Er is weliswaar sprake van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte, maar die is gelet op het geringe aantal contacten beperkt gebleven; in elk geval beperkter dan door het gedurende langere tijd afluisteren van telefoons of het gedurende langere tijd observeren van verdachte. Door de verdediging is overigens niet onderbouwd op welke mildere wijze op korte termijn tot een zelfde resultaat had kunnen worden gekomen.

De stelling van de verdediging dat voordat overgegaan wordt tot pseudokoop eerst “gewone” opsporingsmiddelen zouden moeten worden geprobeerd is een eis die artikel 126i Sv niet stelt en vindt ook overigens geen steun in het recht.

De stelling dat het openbaar ministerie/de rechter-commissaris bij het bevel tot pseudokoop respectievelijk de machtiging tap de proportionaliteit en subsidiariteit niet zouden hebben getoetst is ter terechtzitting niet aannemelijk geworden en kan niet volgen uit hetgeen daarover door de verdediging is aangevoerd.

 Ad c. In beginsel wordt eenmalig gebruik gemaakt van het bijzondere opsporingsmiddel

pseudokoop. Artikel 126i Sv kent deze beperking op zich niet. Wel dient gezegd te worden dat pseudokoop zich onderscheidt van het zwaardere opsporingsmiddel infiltratie, omdat er bij pseudokoop niet wordt doorgedrongen in de organisatie. Bij het meerdere malen afnemen van partijen drugs van een zelfde verdachte en het daardoor tot stand komen van een band zou die scheidslijn overschreden kunnen worden. Daarvan is in deze strafzaak echter geen sprake. Het pseudokoop traject is beperkt gebleven tot een eerste afname van een kleine partij MDMA en een daarop volgende afname van een grote partij MDMA. Bij de eerste ontmoeting bleek dat [medeverdachte 1] samenwerkte met [verdachte] en werd door beide verdachten direct een volgende grotere levering voorgesteld [zaaksdossier, pag. 88]. Op de dag van de eerste kleine overdracht waren twee onbekend gebleven personen in de directe omgeving van verdachten waargenomen. Het tweede bevel pseudokoop was naar het oordeel van de rechtbank dan ook noodzakelijk om vast te stellen of verdachten daadwerkelijk over grote hoeveelheden MDMA konden beschikken en om de groep rond [medeverdachte 1] bloot te leggen. Dat door de verdachten aanvankelijk een aantal van 50.000 pillen zou zijn genoemd doet niet af aan de rechtmatigheid van de pseudokoop. Uit het verslag van de eerste ontmoeting van UC A-2130 volgt ook dat de eerste deal bedoeld was om vertrouwen te krijgen om grotere deals aan te gaan [zaaksdossier, pag. 88]. Een dergelijke gang van zaken acht de rechtbank niet strijdig met aard en karakter van de pseudokoop.

 Ad d. Het eerste bevel pseudokoop [BOB-dossier p. 60] vermeldt enkel de naam van

[medeverdachte 1] . Tijdens het traject pseudokoop ontstonden volgens de verdediging aanwijzingen dat verdachte [medeverdachte 1] niet alleen handelde, maar samen met [verdachte] . De rechtbank onderschrijft die vaststelling, maar is van oordeel dat die omstandigheid niet met zich brengt dat tegen [verdachte] een afzonderlijk bevel had moeten worden uitgevaardigd (vergelijk HR 30 september 2003, NJ 2004/83).

In het afgegeven bevel pseudokoop van 15 januari 2014 [BOB-dossier p. 60] is overeenkomstig het bepaalde in artikel 126i Sv beschreven op welke wijze aan het bevel uitvoering zou worden gegeven en voorts dat daarbij een opsporingsambtenaar in dienst van een vreemde staat zou worden ingezet. In het aanvullende bevel van 29 januari 2014 [BOB-dossier p. 62] is deze buitenlandse opsporingsambtenaar nader aangeduid, te weten met A-2130 en/of A-2135. In het bevel van 27 februari 2014 [BOB-dossier p. 72] ontbreekt de vermelding dat buitenlandse opsporingsambtenaren worden ingezet, maar dit is hersteld in de aanvulling op het bevel, afgegeven op 1 april 2014 [BOB-dossier p. 75] , waarin staat vermeld dat Nederlandse en/of buitenlandse opsporingsambtenaren (A-3670 en/of A-3671) goederen afnemen en/of diensten verlenen aan [medeverdachte 1] en [verdachte] . De vermelding van A-3670 en A-3671 ziet op de inzet van Nederlandse opsporingsambtenaren.

In de eerste plaats is de rechtbank van oordeel dat het afdoende is om in het bevel bij de wijze van uitvoering te vermelden dat daarbij gebruik wordt gemaakt van opsporingsambtenaren van een vreemde staat, mits maar komt vast te staan dat die voldoen aan de gestelde eisen.

Voorts is het gelet op de omstandigheid dat deze pseudokoop een vervolg was op de eerdere pseudokoop duidelijk dat A-2130 en/of A-2135 opnieuw als UC’s zouden worden ingezet. Van enig nadeel door de niet expliciete vermelding voor de verdediging is geenszins gebleken.

 Ad e. Het ontbreken van een antwoord op het rechtshulpverzoek en aanvullend

rechtshulpverzoek aan Portugal [BOB-dossier p. 319 e.v. resp. p. 334 e.v.] staat niet aan de rechtmatigheid van de inzet van Portugese opsporingsambtenaren in de weg. Ten eerste ziet de gevraagde toestemming op de afname van goederen of diensten op Portugees grondgebied en daarvan is geen sprake geweest. Ten tweede blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting genoegzaam dat in overleg met en met instemming van de Portugese politie bij de pseudokoopactie in Nederland gebruik is gemaakt van Portugese opsporingsambtenaren. Ten derde zijn de handelingen van de Portugese UC’s op Portugees grondgebied beperkt gebleven tot enkele telefoontjes met verdachte(n) [medeverdachte 1] en/of [verdachte] om tot een ontmoeting te komen. De daadwerkelijke onderhandelingen en overdracht van de drugs hebben plaatsgevonden op Nederlands grondgebied onder leiding van Nederlandse opsporingsambtenaren in opdracht van het Nederlandse openbaar ministerie. Voor zover al door een formeel gebrek sprake zou zijn van schending van de soevereiniteit van Portugal is hiermee nog niet sprake van schending van de rechten van verdachte. Die worden in dit geval niet door de betreffende regelgeving rond internationale rechtshulp beschermd.

 Ad f. Wat betreft de verslaglegging door de Portugese UC’s heeft de rechtbank hiervoor

reeds overwogen dat sprake is van een zakelijke weergave van hun bevindingen, dat UC’s daarbij zelf de relevantie bepalen omdat het hun eigen waarnemingen betreffen, dat het professionele, daartoe opgeleide opsporingsambtenaren zijn en dat hun bevindingen worden gesteund door tapverslagen en observatieverslagen. Ook acht de rechtbank de inhoud van de verslagen authentiek en betrouwbaar. Niet aannemelijk is geworden dat de inhoud van die verslagen zou zijn afgestemd om de waarheid te bemantelen. Het bestaan van door de verdediging zelf naar voren gebrachte verschillen en tegenstrijdigheden in die verklaringen duidt eerder op het tegendeel.

Van elke inzet zijn zowel door de buitenlandse opsporingsambtenaren als hun Nederlandse begeleiders verslagen opgemaakt. Ook zijn zij allen één of meerdere malen door de rechter-commissaris gehoord over hun inzet en heeft de verdediging telkens aan hen vragen kunnen stellen over de inzet en verslaglegging. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank voldaan aan de eis van schriftelijke verslaglegging en voor zover daarin onduidelijkheden voorkwamen, heeft de verdediging gelegenheid gekregen daar nadere vragen over te stellen.

 Ad g. Ten aanzien van beide Portugese UC’s (A-2130 en A-2135) geldt dat een ‘advies

inzet persoon in openbare dienst van een vreemde staat’ is afgegeven door de teamleider van het Team Operationele Support [zaaksdossier 1, p. 72 resp. 74]. Dit geschiedde op 22 januari 2014 respectievelijk 29 januari 2014 en dus ruimschoots voor de eerste ontmoeting tussen de UC’s en [medeverdachte 1] op 13 februari 2014. Van hun inzet zijn door beide UC’s telkens verslagen opgemaakt. Voorts zijn de UC’s nog gehoord over hun kennis en vaardigheden en inzet bij de rechter-commissaris. Aldus is voldoende komen vast te staan dat is voldaan aan de in de door de verdediging genoemde regelingen gestelde vereisten. Uit niets blijkt dat zij zich niet hebben verbonden of gehouden aan de voorwaarden, gesteld in artikel 6 van het Samenwerkingsbesluit.

Dat UC A-2130 in een kort tijdsbestek voorafgaand aan genoemd advies van 22 januari 2014 reeds enkele telefoongesprekken heeft gevoerd, te weten op 17 en 19 januari 2014, betreft een (gering) vormverzuim, maar doet niet af aan zijn kort nadien vastgestelde kennis en kunde. Niet is gebleken dat verdachte hierdoor op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad. In zoverre kan dan ook met de constatering van dit verzuim worden volstaan.

3.2.4

Talloncriterium

Ingevolge het zogenoemde Talloncriterium, dat ten aanzien van de pseudokoop is neergelegd in artikel 126i lid 2 Sv, mag de opsporingsambtenaar bij de tenuitvoerlegging van het bevel een persoon niet brengen tot het plegen of beramen van andere strafbare feiten dan waarop diens opzet reeds tevoren was gericht.

Volgens de verdediging is [medeverdachte 1] blootgesteld aan politiële aanmoediging, terwijl hij (in januari 2014) niet bezig was met het plegen van strafbare feiten en evenmin de intentie daartoe had. [medeverdachte 1] zou door [persoon x] en de UC’s zijn gebracht tot een strafbaar feit dat hij anders niet zou hebben gepleegd.

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Uit de hiervoor reeds weergegeven startinformatie volgt dat [medeverdachte 1] in verband werd gebracht met omvangrijke internationale drugshandel. Dit beeld werd bevestigd in de door de UC’s opgemaakte verslagen van hun eerste ontmoeting met [medeverdachte 1] en [verdachte] op 13 februari 2014, waar [medeverdachte 1] als eerste het woord ‘pillen’ ter sprake bracht en sprak over de logo’s ‘Spokos’ en ‘3D’ en onder meer vertelde dat hij ‘verscheidene keren deals had uitgevoerd in Spanje’ waarbij hij specifiek vermeldde dat ‘de laatst uitgevoerde deal tweehonderdduizend pillen betroffen voor een prijs van 1 euro en tachtig eurocent (€ 1,80) per pil’[zaaksdossier 1, p. 88 en 103].

In dat licht bezien is de rechtbank van oordeel dat, zelfs indien er van moet worden uitgegaan dat ‘ [persoon x] ’ de komst van de Portugezen bij [medeverdachte 1] heeft aangekondigd - dat wil zeggen dat zou zijn gevraagd of [medeverdachte 1] ‘twee Portugese vrienden van hem [= [persoon x] ] zou willen opvangen op Schiphol2- geen sprake is geweest van ontoelaatbare uitlokking, nu de opzet van [medeverdachte 1] reeds tevoren was gericht op de (internationale) handel in harddrugs. Van ontoelaatbare uitlokking was mitsdien geen sprake.

De rechtbank overweegt in dit verband nog dat ook in de tapgesprekken, die voorafgaand aan de eerste pseudokoop met UC A-2130 hebben plaatsgevonden, niet is gesproken over “pills”. Ook hieruit kan derhalve niet worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] is aangezet tot het plegen van een strafbaar feit (te weten het verkopen van harddrugs) waarop zijn opzet niet reeds was gericht.

Nu de tweede pseudokoop in rechtstreeks verband staat met de eerste, daaruit voortvloeit, is ook ten aanzien van deze tweede koop geen sprake van ontoelaatbare uitlokking. De verweren dienen mitsdien te worden verworpen.

3.3

Conclusie rechtbank: het openbaar ministerie is ontvankelijk in de vervolging

Gelet op al het hiervoor overwogene dient het door de verdediging gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op de daartoe aangevoerde gronden, zowel op zichzelf beschouwd als cumulatief en in onderling verband en samenhang bezien, te worden verworpen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting zijn voor het overige geen omstandigheden gebleken, die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De officier van justitie kan in de vervolging van verdachte worden ontvangen.

Schorsing der vervolging.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken van gronden voor schorsing der vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde feit.

Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen is. Verdachte zal van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte samen met anderen tot tweemaal toe harddrugs, te weten MDMA bevattende pillen, buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft op in de pleitnota vermelde gronden vrijspraak bepleit van alle ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is als bijlage bij dit vonnis gevoegd en de inhoud van die bijlage dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

• Geen bewijsuitsluiting

De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar hetgeen zij hiervoor, in het kader van de beoordeling van het beroep op de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, heeft overwogen. Meer in het bijzonder geldt daarbij voor het rechtsgevolg bewijsuitsluiting het volgende.

Bewijsuitsluiting – als sanctie op vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek - is uitsluitend aan de orde indien en voor zover het geconstateerde vormverzuim niet reeds de betrouwbaarheid van de bewijsgaring heeft aangetast. Het is aan de orde indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Het dient verkregen te zijn als rechtstreeks resultaat van de opsporingshandelingen waarbij het vormverzuim is begaan. Het kan aan de orde zijn ter verzekering van het recht van verdachte op een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM, als rechtstatelijke waarborg en middel om toekomstige vergelijkbare schendingen te voorkomen dan wel in gevallen waarbij uit objectieve gegevens valt af te leiden dat het desbetreffende vormverzuim structureel en bij herhaling voorkomt, de betrokken autoriteiten daarmee bekend zijn maar sedertdien onvoldoende hebben ondernomen om overtredingen van het betreffende voorschrift in de toekomst te voorkomen.

Gelet hierop en in aanmerking nemende hetgeen de rechtbank bij de bespreking in het kader van het beroep op niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie ten aanzien van de afzonderlijk aangevoerde gronden/aspecten heeft overwogen, waarbij is geconstateerd dat geen sprake is van vormverzuimen dan wel dat kan worden volstaan met de constatering daarvan, ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor bewijsuitsluiting.

Daarbij overweegt de rechtbank wat betreft het gebruik van de verklaringen van de undercoveragenten nog het volgende.

Het gebruik van de verklaringen van de verbalisanten onder nummer

Verdachte staat terecht voor de opzettelijke handel in MDMA houdende pillen, een harddrug vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I. Dit betreft een misdrijf als bedoeld in artikel 67 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering en levert gelet op de aard daarvan en het georganiseerde verband waarin dat feit is begaan een ernstige inbreuk op de rechtsorde op. Een dergelijk feit kan verregaande negatieve gevolgen hebben voor de gebruikers van deze harddrugs en maakt een flinke inbreuk op de normen en waarden in onze samenleving.

Het bewijs voor het ten laste gelegde berust mede op verklaringen van verbalisanten waarvan de identiteit is afgeschermd, de UC's. Deze verbalisanten zijn in het procesdossier met een nummer aangeduid. De aanduiding van deze verbalisanten met een nummer is een maatregel om hen binnen de werkomgeving af te schermen voor openbare bekendheid, teneinde de veiligheid van deze verbalisanten in privé- en werkomstandigheden te kunnen waarborgen en om het functioneren van deze verbalisanten, die specifiek zijn opgeleid om als undercover te fungeren, in de toekomst mogelijk te blijven maken.

Het afschermen van de identiteit van de verbalisanten die in dit onderzoek als UC's zijn opgetreden, heeft geen afbreuk gedaan aan het ondervragingsrecht van de verdediging. Alle UC's waarvan de verklaringen aan het bewijs bijdragen, zijn door de rechter-commissaris – in tegenwoordigheid van de raadsman van verdachte – gehoord. De verdediging is in de gelegenheid geweest tijdens die verhoren van de UC's vragen aan hen te stellen. Uit de van die verhoren opgemaakte processen-verbaal blijkt dat de verdediging van dit recht gebruik heeft gemaakt.

Uit het procesdossier en uit de verklaringen die de UC's bij de rechter-commissaris hebben afgelegd, blijkt dat zij vaker als undercover zijn ingezet. Zoals hiervoor onder 3.2.3 onder “ad f” al is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de UC's betrouwbaar zijn in hun waarnemingen en bevindingen en de wijze waarop zij die hebben geverbaliseerd. Bovendien is de rechtbank uit niets gebleken dat de betrouwbaarheid van de UC's in twijfel zou dienen te worden getrokken.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen eerder onder 3.2.3 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat de verklaringen van de UC's aan het bewijs van het ten laste gelegde kunnen bijdragen en dat verdachte daardoor niet in zijn belangen is geschaad.

Wetenschap harddrugs en de rol van verdachte.

Verdachte bekent aanwezig te zijn geweest bij de pseudokopen en de daaraan voorafgaande bijeenkomsten, maar stelt dat hij daar toevallig was, voor de afwisseling of om een biertje te drinken met [medeverdachte 1] , en in de veronderstelling verkeerde dat er tijdens deze bijeenkomsten werd gesproken over [nep]viagra-pillen omdat hij dit van [medeverdachte 1] had begrepen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat hij in de veronderstelling verkeerde dat de gesprekken over [nep]viagra-pillen gingen, ongeloofwaardig. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat verdachte wist dat de pillen de vorm van een spook hadden of waren voorzien van het mtv-logo. Het is een feit van algemene bekendheid dat zogenaamde xtc-pillen in allerlei kleuren en vormen met verschillende opdrukken worden geproduceerd. Dergelijke pillen bevatten werkzame stoffen waarvan het bezit en het gebruik verboden is door de Opiumwet. Daarnaast is verdachte in het verleden betrokken geweest bij overtredingen van artikel 2 van de Opiumwet en tot langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraffen veroordeeld. Verdachte was derhalve bepaald geen onbekende op het gebied van harddrugs.

De rechtbank acht evenmin geloofwaardig dat verdachte telkens toevallig bij de bijeenkomsten met [medeverdachte 1] , de UC’s en – wat betreft de pseudokoop op 8 april 2014 – [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] was; uit de bewijsmiddelen volgt de actieve betrokkenheid van verdachte bij de pseudokopen en de daaraan voorafgaande bijeenkomsten. Er wordt gecommuniceerd met het telefoonnummer van [verdachte] , [verdachte] is bij alle bijeenkomsten aanwezig en neemt actief deel aan de gesprekken met [medeverdachte 1] en de UC’s over hoeveelheden, prijzen en wijze van afleveren. Ook is hij degene die bij de eerste pseudokoop het geld telt, terwijl [medeverdachte 1] de pillen aflevert en legt hij bij de tweede pseudokoop 20.000 pillen in de bus van de UC’s.

Uit de inhoud van de bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, stelt de rechtbank vast dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van beide pseudokopen. Daarbij heeft tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] en – wat betreft de pseudokoop op 8 april 2014 – met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] een zodanig nauwe en bewuste samenwerking bestaan, dat de rechtbank de rol van verdachte aanmerkt als de rol van medepleger, als bedoeld in artikel 47, eerste lid aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Opzet op uitvoer van harddrugs

Voor bewezenverklaring van “buiten het grondgebied van Nederland brengen” in de zin van artikel 1, vijfde lid, van de Opiumwet moet uit de verklaring van verdachte of anderszins uit de bewijsmiddelen blijken dat de verdachte over concrete aanwijzingen kon beschikken dat zijn gedragingen in direct verband zouden staan met grensoverschrijdend vervoer van de door hem verkochte drugs. Uit de verklaringen die de Portugese UC’s bij hun verhoren door de rechter-commissaris hebben afgelegd – welke verklaringen in de bewijsbijlage zijn opgenomen – blijkt dat zij in de contacten met verdachte expliciet hebben aangegeven dat de door hen te kopen pillen naar het buitenland zouden worden vervoerd. Deze omstandigheid maakte – aldus deze UC’s – deel uit van hun verhaal. Daarmee was voor verdachte kenbaar dat de door hem verkochte pillen naar het buitenland zouden worden vervoerd. Dat deze uitvoer in werkelijkheid niet is gerealiseerd doet daaraan niet af. Bepalend voor het antwoord op de vraag of sprake is van “buiten het grondgebied van Nederland brengen” van de pillen is het opzet daarop bij de verdachte als verkoper.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat het opzet van verdachte gericht is geweest op de uitvoer van de aan de Portugese UC’s verkochte pillen naar het buitenland.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1. op 20 februari 2014 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 10.000 pillen bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

2. op 8 april 2014 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van de Opiumwet, ongeveer 65,65 kilogram (zijnde ongeveer 270.000 pillen) van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte al in voorarrest heeft doorgebracht. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij een eventuele strafoplegging in hoge mate rekening moet worden gehouden met het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM en met de wijze waarop de aanhouding van verdachte heeft plaatsgevonden; volgens de verdediging is daarbij sprake geweest van excessief geweld, hetgeen een vormverzuim oplevert dat tot strafvermindering dient te leiden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Overschrijding van de redelijke termijn.

Het voorschrift van art. 6, eerste lid, EVRM inzake de behandeling van een strafzaak binnen een redelijke termijn beoogt te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een (verdere) strafvervolging moet leven. Naast de bescherming die aldus aan de verdachte wordt geboden zijn er ook andere factoren die dwingen tot een voortvarende afhandeling van strafzaken, zoals de preventieve werking die geacht wordt uit te gaan van berechting en bestraffing, de gerechtvaardigde belangen van het eventuele slachtoffer van het feit, en de ongunstige invloed van het tijdsverloop op de beoordeling van de feiten als gevolg van de verbleking van de herinnering van - bijvoorbeeld - eventuele getuigen. Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen, maar kan wel aanleiding geven tot compensatie van de op te leggen straf.

De redelijke termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de overheid jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. De inverzekeringstelling van de verdachte kan als een zodanige handeling worden aangemerkt. Verdachte is op 9 april 2014 in verzekering gesteld.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop of de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In aanmerking nemende de aard en ernst van de tegen de verdachten naar voren gebrachte beschuldigingen, de betrokkenheid van het aantal verdachten daarbij, het aantal – mede op verzoek van de verdediging – gehoorde getuigen, de internationale aspecten van deze zaak en de voorkeur van zowel de rechtbank, de officier van justitie alsook de verdediging om alle zaken tegen verdachte en zijn medeverdachten gelijktijdig te behandelen, is de redelijke termijn waarbinnen de berechting van verdachte in eerste aanleg had dienen plaats te vinden slechts in geringe mate overschreden. De rechtbank volstaat daarom met de constatering dat de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 van het EVRM is overschreden, zonder daar enig gevolg aan te verbinden.

De wijze van aanhouding van verdachte en het daarbij door hem opgelopen letsel.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de aanhouding van verdachte buitensporig geweld is gebruikt, mede bestaande uit het schoppen en/of slaan van verdachte nadat hij uit de auto was gehaald en geboeid op de grond lag.

De rechtbank overweegt het volgende.

Blijkens het proces-verbaal van aanhouding is verdachte op 8 april 2014 omstreeks 20.35 uur op de A1 in de gemeente Apeldoorn aangehouden.3 Op dat moment zat hij als passagier in een Audi A4 met het [kenteken] . Daarbij was volgens het proces-verbaal van aanhouding sprake van een risicovolle aanhouding waarbij naar verwachting ernstig en onmiddellijk gevaar voor personen aanwezig was of zou kunnen zijn. Tijdens deze aanhouding werd geweld toegepast op verdachte, onder meer bestaande uit het fysiek uit de auto halen van verdachte. Omdat het portier van de auto niet geopend kon worden is het portierraam verbroken en is verdachte door dat verbroken raam uit de auto gehaald. Daarna is hij op de grond terecht gekomen, waarna verdachte geboeid is afgevoerd. Bij de aanhouding heeft verdachte letsel opgelopen, bestaande uit meerdere ribbreuken en het losraken van enkele voortanden. Volgens verdachte is de auto waarin hij zat klem gereden.

Ter terechtzitting van 29 juli 2014 heeft de rechtbank de verdediging - in het kader van een door de verdediging gedaan verzoek om geweldsrapportages toe te voegen - verwezen naar de klachtenprocedure, waarin verdachte zijn grieven tegen de (wijze van) aanhouding aan de orde zou kunnen stellen en daarbij opgemerkt dat het de raadsman vrij stond te zijner tijd eventuele stukken en beslissingen uit die procedure aan de rechtbank over te leggen.4 De rechtbank heeft geen nadere stukken ter zake ontvangen van de verdediging.

In het licht hiervan en mede in aanmerking nemende dat het letsel (mede) kan zijn veroorzaakt doordat de auto waarin [verdachte] zich bevond met het oog op de aanhouding is klemgereden, ziet de rechtbank onvoldoende steun voor de niet met nadere feiten en omstandigheden onderbouwde stelling dat sprake zou zijn geweest van schoppen en slaan van verdachte.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte weliswaar bij zijn aanhouding aanzienlijk letsel heeft opgelopen, maar dat niet kan worden geconcludeerd dat dit letsel is ontstaan doordat door de politie buitensporig geweld is gebruikt. Het tegen verdachte bij zijn aanhouding gebezigde geweld levert geen vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Strafverzwarende omstandigheden

Verdachte heeft gehandeld in harddrugs, te weten in een enorme hoeveelheid van zogenaamde xtc-pillen. Het is algemeen bekend dat die verdovende middelen schade toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Grootschalige drugshandel werkt ontwrichtend voor de maatschappij. Daarnaast levert het productieproces van synthetische drugs schade aan het milieu op, met name vanwege de vaak illegale wijze waarop de afvalstoffen die bij dit productieproces vrijkomen, in de natuur worden gedumpt. Daaraan heeft verdachte zich niets gelegen laten liggen. Hij heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van de belangen van de maatschappij of van anderen.

Verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Strafmatigende omstandigheden.

Sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad, in de eerste helft van het jaar 2014, is geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd.

De strafmodaliteit

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding, en ter beveiliging van de maatschappij, een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Conclusie

Alle feiten en omstandigheden afwegend, is de rechtbank van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van vijf jaren en zes maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, passend en geboden is.

Motivering van de beslissing op het beslag.

De rechtbank zal de bewaring ten behoeve van de rechthebbende gelasten van de in het dictum van dit vonnis nader te noemen goederen, nu naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk is dat de verdachte geen recht op die goederen heeft en er geen ander is die op dit moment redelijkerwijs als rechthebbende op die goederen kan worden aangemerkt.

De voorlopige hechtenis.

Bij beslissing van 26 maart 2015 is de voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van 27 maart 2015 geschorst tot de einduitspraak. De gronden voor voorlopige hechtenis bestonden toen uit de verdenking van een feit waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, door welk feit de rechtsorde ernstig is geschokt, en uit het recidivegevaar. Ter terechtzitting van 4 november 2015 heeft de rechtbank bepaald dat de twaalfjaarsgrond niet langer geldt als grond waarop de voorlopige hechtenis van verdachte kan worden gebaseerd, nu de geschokte rechtsorde door het tijdsverloop is verbleekt. Vanaf toen bestond de enige grond waarop de voorlopige hechtenis van verdachte was gebaseerd uit het recidivegevaar.

Op het moment van het uitspreken van dit vonnis is de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte van rechtswege beëindigd en herleeft de voorlopige hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat de ernstige bezwaren en de recidivegrond onverkort gelden. Het ter terechtzitting van 21 juni 2017 door de verdediging gedane verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis wordt mitsdien afgewezen.

Het door de officier van justitie ter terechtzitting van 21 juni 2017 gedane verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte behoeft, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de beëindiging van rechtswege, geen bespreking. Voor zover de verdediging met haar betoog tot afwijzing van voornoemd verzoek van de officier van justitie heeft beoogd een nieuw verzoek tot schorsing te doen, wordt dit verzoek eveneens afgewezen, nu het belang van de strafvordering en het belang dat de maatschappij heeft bij het voortduren van de voorlopige hechtenis moeten prevaleren boven het belang dat verdachte heeft bij schorsing van de voorlopige hechtenis.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en 2 en 10 van de Opiumwet.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

spreekt verdachte vrij van het onder 3 ten laste gelegde feit;

verklaart de onder 1 en onder 2 ten laste gelegde feiten bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod;

Ten aanzien van het onder 2 bewezen verklaarde feit:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 aanhef en onder A van de Opiumwet gegeven verbod. verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straffen en/of maatregel(en).

Ten aanzien van de onder 1 en onder 2 bewezen verklaarde feiten:

 een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar en zes maanden.

beveelt dat de tijd die veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze gevangenisstraf in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van een blauwe personenauto van het merk Audi A4 TDI met [kenteken] , ibn-code [nummer] en een telefoon van het merk Blackberry, ibn-code [nummer] en een telefoon van het merk Nokia, ibn-code [nummer] .

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M. Senden, voorzitter,

mr. J.G. Vos en mr. M.T. van Vliet, leden,

in tegenwoordigheid van H.A. van Neerven, griffier,

en is uitgesproken op 12 juli 2017.

1 Voor zover hierna naar paginanummers wordt verwezen, wordt gedoeld op de pagina’s die deel uitmaken van een dossier van het Korps landelijke politiediensten, NR-Unit Zuid Nederland, dossiernummer 30-587365, onderzoek “Fraps”, afgesloten op 11 juni 2014 [vier ordners]. Dit dossier bevat een verzameling processen-verbaal die in de onderhavige zaak in het kader van het opsporingsonderzoek zijn opgemaakt alsmede (eventueel) andere bescheiden. Het betreft: - ordner 1: Algemeen dossier: BOB en Rechtshulp - ordner 2: Algemeen dossier: Beslagdossier - ordner 3: Persoonsdossiers - ordner 4: Zaaksdossier 1 (aankoop en levering pillen) en Zaaksdossier 2 (aantreffen vuurwapen).

2 Zie verklaring [medeverdachte 1] ter terechtzitting van 22 juli 2014, proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 22 juli 2014, p. 2

3 Proces-verbaal van aanhouding, persoonsdossier [verdachte] , p. 22-24

4 Proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 29 juli 2014, p. 15, laatste gedachtestreepje