Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3698

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
01/880314-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor het organiseren van internationale wapenhandel, voor een poging daartoe en voor het voorhanden hebben in Nederland van munitie tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

Van de overige ten laste gelegde feiten wordt verdachte vrijgesproken wegens gebrek aan bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/880314-14

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,

wonende te [adresgegevens 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 april 2015, 29 juni 2015, 4 september 2015, 15 juni 2017, 20 juni 2017, 21 juni 2017 en 27 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 maart 2015.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 14 december 2014 tot en met 17 december 2014 te

's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder consent een of meer wapens van categorie II te weten

- tweeëntwintig, althans een aantal, handgranaten en/of

- een (automatisch) geweer

heeft doen binnenkomen vanuit Kroatië en/of Duitsland en/of België;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 7 januari 2015 te

's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland en/of België en/of Kroatië, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder consent een of meer wapens en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

- zes, althans een aantal, draagbare granaatwerpers (type RPG en/of RBR) en/of

- vier, althans een aantal, automatische geweren (type CZ M70 en/of AK47) en/of

- twee, althans een aantal, machinegeweren (type M53 en/of M72) en/of

- drie, althans een aantal, pistolen (type CZ M88 en/of Baretta) en/of

- een geweerstandaard (voor machinegeweer M53) en/of

- vijf, althans een aantal, patroonhouders (met patronen voor machinegeweer M53) en/of

- drie, althans een aantal, patroonhouders (voor automatisch geweer M70) en/of

- elfhonderdzestien, althans een aantal, patronen (kaliber 7,62 mm en/of 7,9 mm en/of 9 mm) en/of

- vijf, althans een aantal, detonators (type 6 en/of type 8)

te doen binnenkomen vanuit Duitsland en/of België en/of een ander land,

met een of meer in Nederland en/of België en/of Kroatië verblijvende perso(o)n(en) afspraken heeft gemaakt over de aankoop en/of het transport van die wapens en/of munitie en/of

- een of meerdere betaling(en) heeft verricht en/of heeft laten verrichten ten behoeve van de aankoop (in Kroatië) van die wapens en/of munitie, en/of

- bovengenoemde wapens en/of munitie heeft verborgen, althans laten verbergen, in een of meerdere verholen (berg)ruimten van een bestelauto (peugeot, type Boxer) en/of

- (vervolgens) zijn mededader met die bestelauto (vanuit Split / Kroatië) richting Nederland en/of België en/of Duitsland heeft laten rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

3.

hij op of omstreeks 07 januari 2015 te 's-Hertogenbosch (locatie [adresgegevens 2] ) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, een wapen van categorie II, onder 7, te weten een scherfhandgranaat (type M52P3), zijnde een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door middel van ontploffing,

en/of munitie van categorie III, te weten een huls van een verschoten kogelpatroon

(type 9mm) en/of 12 kogelpatronen (type 9 mm), voorhanden heeft gehad,

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

4.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 januari 2015 te

's-Hertogenbosch ( [adresgegevens 3] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een wapen van categorie III, te weten een pistool (merk Taurus, kaliber 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten ongeveer 211 stuks patronen (kaliber 9 mm), voorhanden heeft gehad,

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

5.

hij op of omstreeks 07 januari 2015 te 's-Hertogenbosch tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (een) hoeveelheid/hoeveelheden pillen (totaal ongeveer 180 stuks) van een materiaal bevattende amfetamine en/of MDMA, zijnde amfetamine en/of MDMA (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 4 en feit 5 en partiële vrijspraak ten aanzien van feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder feit 3 en onder feit 4 niet wettig en overtuigend bewezen en heeft hiervoor vrijspraak gevorderd. De officier van justitie acht het ten laste gelegde onder feit 5 wel wettig en overtuigend bewezen, omdat de ten laste gelegde pillen zijn aangetroffen in de woning waar verdachte regelmatig verbleef en verdachte in de visie van de officier van justitie een verklaring heeft afgelegd over de in zijn woning aangetroffen pillen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde onder feit 3, feit 4 en feit 5.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 3 en feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 3 (met uitzondering van, zoals hierna zal worden besproken, de 12 kogelpatronen) en het onder feit 4 ten laste gelegde.

Ten aanzien van feit 5.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat ook vrijspraak dient te volgen voor het onder feit 5 ten laste gelegde. De rechtbank is van oordeel dat uit de in het dossier voorhanden zijnde bewijsmiddelen onvoldoende blijkt dat verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de ten laste gelegde hoeveelheid pillen in de woning aan [adresgegevens 2] . De officier van justitie wijst in deze op de verklaring van verdachte, waarin verdachte heeft verklaard dat er spullen in het huis liggen maar dat ‘het’ niet allemaal drugs zijn.

Op het adres [adresgegevens 2] zijn meerdere soorten pillen aangetroffen met daarin verschillende werkzame stoffen. Uit het rapport van het NFI en het proces-verbaal van sporenonderzoek blijkt niet alleen dat er pillen die MDMA bevatten zijn aangetroffen in de woning van verdachte aan de [adresgegevens 2] te ‘s-Hertogenbosch, maar ook dat er amfetamine is aangetroffen in de vorm van brokjes, poeder en kristallen.

Doordat er niet alleen pillen die MDMA zijn aangetroffen, maar ook andere harddrugs (amfetamine) is het onvoldoende duidelijk over welke verboden middelen verdachte heeft verklaard, zodat diens verklaring onvoldoende redengevend is om tot een bewezenverklaring van het opzettelijk voorhanden hebben van de ten laste gelegde hoeveelheid pillen te komen.

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen. De officier van justitie acht feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 3.

De verdediging is van mening dat de betrokkenheid van verdachte bij deze feiten niet kan worden bewezen. Bovendien is ten aanzien van feit 1 niet gebleken dat er daadwerkelijk wapens naar Nederland zijn gebracht. Indien wel wapens en/of munitie naar Nederland zouden zijn gebracht (feit 1) dan wel gepoogd zou zijn dit te doen(feit 2), de wapens en/of munitie niet gekwalificeerd konden worden als wapens of munitie als bedoeld in de Wet wapens en munitie. Tot slot heeft de raadsvrouwe bepleit dat er onvoldoende bewijs is voor het bestanddeel ‘beroep of gewoonte maken’. Ten aanzien van feit 3 heeft de verdediging aangevoerd dat de wapens en munitie in een woning zijn aangetroffen waar verdachte slechts af en toe verbleef en waarin ook andere personen verbleven. Verdachte heeft de ochtend van de doorzoeking op 7 januari 2015 voor het eerst een doosje met munitie in een keukenkastje opgemerkt en hij heeft dit tijdens de doorzoeking direct aan de politie getoond. Verdachte heeft daarvóór geen wetenschap gehad van de aanwezigheid van wapens of munitie in deze woning, zodat hij deze goederen niet opzettelijk voorhanden heeft gehad.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde onder feit 1 en onder feit 2 wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verwijst wat betreft de bewijsmiddelen naar de achter dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage. Deze bewijsmiddelenbijlage wordt geacht te worden gezien als integraal onderdeel van dit vonnis.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 1 en feit 2:

Op 7 januari 2015 wordt het door medeverdachte [medeverdachte 1] bestuurde minibusje, merk Peugeot, type Boxer, met het [kentekennummer 1] , door de Kroatische politie gecontroleerd bij het tolhuisje Dugopolje van de autoweg A-1, nabij het tankstation “INA-Kozjak” in Kroatië. Tijdens deze controle blijkt dat er een grote hoeveelheid wapens en munitie in voornoemd voertuig zat verborgen. Deze hoeveelheid wapens en munitie is de avond daarvoor, op 6 januari 2015, in het voertuig verstopt.

Dat leidt de rechtbank af uit de volgende feiten en omstandigheden: [medeverdachte 1] rijdt op 5 januari 2015 met het voertuig vanuit Nederland, onder meer via Oostenrijk, naar Kroatië , waar hij op 6 januari 2015 rond 14.40 uur bij [hotel] (hierna: het hotel) in Split arriveert en incheckt. Rond 11.49 uur belt verdachte naar [betrokkene] . [betrokkene] bevestigt vervolgens aan verdachte dat hij een berichtje van verdachte heeft ontvangen. Verdachte zegt dat [betrokkene] vandaag ook bezoek krijgt. Verdachte zegt dan dat ze het daar later over hebben of in de nacht/avond. [betrokkene] zegt dat het oké is. Omstreeks 16.54 uur belt [medeverdachte 1] met verdachte. Verdachte vraagt aan [medeverdachte 1] of hij “hem” al heeft gebeld. [medeverdachte 1] zegt dan tegen verdachte dat “hij” er aan komt. Verdachte zegt dan tegen [medeverdachte 1] dat ze straks nog wel even contact hebben. Rond 17.00 uur hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene] een ontmoeting in de koffiebar van het hotel. [betrokkene] vertrekt rond 17.30 uur bij het hotel en hij komt rond 19.22 uur weer bij het hotel terug. Rond 19.27 uur stappen zowel [medeverdachte 1] als [betrokkene] in het voertuig met het [kentekennummer 1] , waarna rond 19.29 uur [betrokkene] met het voertuig wordt gezien in de plaats Plano. [betrokkene] parkeert het voertuig rond 21.53 uur weer op de parkeerplaats van het hotel en hij sluit het voertuig af, waarna hij het hotel binnen gaat. Het voertuig is derhalve vanaf het hotel, met [betrokkene] als bestuurder, bijna twee en een half uur elders geweest. [medeverdachte 1] blijft in die tijd in het hotel. Verdachte sms’t om 21.54 uur “Ok” naar [medeverdachte 1] . [betrokkene] belt [medeverdachte 1] en [betrokkene] ontmoet [medeverdachte 1] vervolgens rond 21.55 uur weer in de bar van het hotel. Om 21.59 uur sms’t verdachte “Als ok” naar [medeverdachte 1] . Rond 22.35 uur vertrekt [betrokkene] in zijn eigen auto vanaf het hotel. [medeverdachte 1] vertrekt vervolgens de volgende dag, op 7 januari 2015 om 07.51 uur, met het voertuig vanaf het hotel, waarna de Kroatische politie hem rond 08.29 uur staande houdt.

[betrokkene] heeft bij de rechter-commissaris ook verklaard dat hij degene is geweest die het busje heeft opgehaald en later weer heeft teruggebracht en die, met medeweten van [medeverdachte 1] , de wapens in het busje heeft verstopt.

In de periode van 14 december 2014 tot en met 7 januari 2015 vinden diverse contacten plaats, zowel fysiek als telefonisch, tussen verdachte en [betrokkene] , alsmede tussen verdachte en [medeverdachte 1] . Zoals hiervoor opgenomen, heeft verdachte op 6 januari 2015, rond de afwezigheid van het voertuig met het Belgische kenteken bij het hotel, sms-contact gehad met [medeverdachte 1] en in die periode hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene] ook contact gehad. De inhoud van deze gesprekken en de aard van de contacten blijkt uit de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bewijsmiddelenbijlage.

Opmerkelijk is ook dat [betrokkene] , [verdachte] en [medeverdachte 1] in de periode 12 december 2014 tot 7 januari 2015 voor hun onderlinge contacten gebruik maken van zogenaamde werktelefoons. Ze hebben met deze werktelefoons enkel contact met elkaar, niet met andere personen/telefoonnummers.

[medeverdachte 1] verklaart dat hij twee keer in opdracht van verdachte naar Kroatië is gereden. Hij huurt hiervoor beide keren hetzelfde voertuig bij [garage] in Poppel (België). De eerste keer voor een periode van 14 december 2014 tot en met 18 december 2014 en de tweede keer van 5 januari 2015 tot en met 8 januari 2015. Volgens [medeverdachte 1] wordt beide keren keukenapparatuur vervoerd van Nederland naar [betrokkene] in Kroatië.

[medeverdachte 1] parkeert het voertuig op 16 december 2014, na zijn terugkomst uit Kroatië, bij het bedrijf van verdachte in Den Bosch. Hij haalt het voertuig de volgende dag weer op en brengt het voertuig dan terug naar [garage] in Poppel. [medeverdachte 1] verklaart dat hij het voertuig een nacht bij het (autopoets)bedrijf van verdachte heeft neergezet om het voertuig te laten poetsen na de lange rit naar Kroatië. De eigenaar van [garage] verklaart hierover dat het bedrijf zelf de bus aan de buitenkant schoon maakt en dat de binnenkant door de klant wordt schoongemaakt. Voor het poetsen van de bus aan de buitenkant hoefde [medeverdachte 1] het voertuig derhalve niet bij het bedrijf van verdachte te stallen.

Op 17 december 2014 heeft verdachte telefonisch contact met [betrokkene] . In dat gesprek bespreekt verdachte met [betrokkene] dat te weinig granaten zijn geleverd, te weten 20 in plaats van 35 stuks, en dat verdachte ‘een grote’ heeft gekocht, waarvoor hij 1.200 euro heeft betaald. Ook vraagt verdachte hoeveel [betrokkene] in de bus heeft verstopt en waar hij alles heeft verstopt. Ook zegt verdachte in dat gesprek dat hij naar Kroatië zal komen om zaken met [betrokkene] te bespreken. Verdachte vraagt diezelfde dag nog, enkele uren na voornoemd gesprek, aan zijn [ex partner] , om met spoed een vliegticket voor hem te boeken.

Verdachte rijdt uiteindelijk met een Opel Vivaro, voorzien van het [kentekennummer 2] , daadwerkelijk naar Kroatië en hij ontmoet daar op 19 december 2014 [betrokkene] en [medeverdachte 2] . Op 21 december 2014 is verdachte met voornoemde Opel Vivaro weer terug in Nederland.

Verder acht de rechtbank van belang dat verdachte [verdachte] in de periode van 21 december 2014 tot en met 6 januari 2015 via Western Union vijf keer geld overboekt naar [betrokkene] in Kroatië en ook dat [betrokkene 2] in die periode, namens verdachte, via Western Union twee keer geld overboekt naar [betrokkene 3] in Kroatië. Deze [betrokkene 3] is –blijkens getapte gesprekken en SMS-berichten – door [betrokkene] ingeschakeld als stroman om namens hem het geld in ontvangst te nemen. In totaal maken verdachte en [betrokkene 3] samen een bedrag van 9.192 euro (inclusief kosten is dat ongeveer 10.000 euro) over naar Kroatië. Deze geldbedragen worden in Kroatië ook daadwerkelijk opgenomen. Met betrekking tot deze overboekingen onderhoudt verdachte steeds contact met [betrokkene] .

De werkwijze rond het eerste transport door [medeverdachte 1] in december 2014 en rond het tweede transport door [medeverdachte 1] in januari 2015 is hetzelfde. [medeverdachte 1] huurt het voertuig bij [garage] , een personenbusje van het merk en type Peugeot Boxer met het [kentekennummer 1] . Beide keren in opdracht van verdachte. De eerste keer parkeert [medeverdachte 1] het gehuurde voertuig een nacht bij het bedrijf van verdachte, waarna hij het voertuig de volgende dag terugbrengt naar de verhuurder. De tweede keer controleert de Kroatische politie het gehuurde voertuig op 7 januari 2015 in Kroatië en dan treft de Kroatische politie in het voertuig de hoeveelheid verstopte wapens en munitie aan. Deze hoeveelheid wapens en munitie nemen zij dan in beslag.

Het ten laste gelegde onder feit 1 betreft een wapentransport van Kroatië naar Nederland in de periode van 14 december 2014 tot en met 17 december 2014. In het tapgesprek van 17 december 2014 bespreekt verdachte met [betrokkene] de hoeveelheid wapens die dan zijn vervoerd. Uit dit gesprek blijkt dat naast één automatisch geweer slechts 20 granaten zijn geleverd in plaats van de (kennelijk) bestelde 35 granaten.

Uit overige stukken in het dossier is op te maken dat er sprake was van een levering van 22 granaten en één automatisch geweer. De rechtbank gaat echter bij de bewezenverklaring van dit feit in het voordeel van de verdachten uit van een levering van 20 granaten en één automatisch geweer in de genoemde periode.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op dezelfde gehanteerde werkwijze, het daadwerkelijk aantreffen van wapens en munitie op de terugweg van het tweede transport en de opsomming van deze wapens in het vonnis van 29 mei 2015 van de rechtbank in Kroatië, voornoemde onder feit 1 ten laste gelegde wapens ook daadwerkelijk zijn geleverd aan verdachte.

De op 7 januari 2015 aangetroffen wapens en munitie zijn direct in beslag genomen. De Kroatische autoriteiten verstrekken vervolgens een overzicht van de in beslag genomen wapens en munitie aan de Nederlandse politie. Ook in het vonnis van 29 mei 2015, in de Kroatische strafzaak tegen onder meer [medeverdachte 1] , beschrijft de rechtbank de in beslag genomen hoeveelheid wapens en munitie. In voornoemd vonnis wordt, zoals hiervoor al aangehaald, niet alleen de onder feit 2 ten laste gelegde hoeveelheid wapens en munitie beschreven, maar ook de onder feit 1 ten laste gelegde hoeveelheid wapens.

Een deskundige van de Nederlandse politie classificeert de in Kroatië in beslag genomen wapens en munitie vervolgens als wapens van categorie II en vuurwapens van categorie III, alsmede als munitie van categorie III. Het trachten zonder consent in Nederland te doen binnenkomen van wapens en munitie van categorie II en categorie III is strafbaar gesteld in artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie juncto artikel 55 van de Wet wapens en munitie.

De verdachten hebben van het zonder consent doen binnenkomen van wapens en munitie van categorie II en categorie III een beroep of gewoonte gemaakt. Twee keer heeft een transport van wapens en/of munitie op eenzelfde wijze plaatsgevonden. [betrokkene] heeft verklaard dat met het overschot aan wapens in Kroatië in Nederland veel geld verdiend kan worden. De handel in wapens en munitie buiten de autoriteiten om is illegaal en kan slechts zien op puur winstbejag van de verdachten. Daarnaast blijkt duidelijk dat het in deze zaak gaat om het brengen van een grote hoeveelheid wapens en munitie van Kroatië naar Nederland. Dat het tweede transport in Kroatië is onderschept en het daardoor in dat geval bij een poging is gebleven, maakt dit oordeel van de rechtbank niet anders.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte op grond van de thans voorhanden zijnde bewijsmiddelen de organisator van de ten laste gelegde wapentransporten is geweest en dat [medeverdachte 1] als chauffeur van de transporten is opgetreden. De wapens zijn geleverd door in Kroatië verblijvende personen, waarbij [betrokkene] en onbekend gebleven anderen een rol hebben gespeeld. Gelet op de contacten en de feitelijke gang van zaken is daarbij sprake geweest van een nauwe en bewuste samenwerking en van financiële vergoedingen en de verdachten zijn zich van deze samenwerking voldoende bewust geweest.

De bespreking van de verweren van de verdediging:

De verdediging heeft ter zitting van 21 juni 2017 aangevoerd dat het opgenomen en uitgeluisterde gesprek van 17 december 2014 tussen verdachte en [betrokkene] een zogeheten “nepgesprek” is en dat dit gesprek tussen hen gevoerd zou zijn om erachter te komen of zij door de politie in de gaten werden gehouden. Verdachte was namelijk enkele weken daarvoor aangehouden door een Kroatisch arrestatieteam toen hij samen met vrienden van een korte vakantie terugkeerde vanuit Kroatië naar Nederland

De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door de verdediging wordt gesteld ten aanzien van het “nepgesprek” wordt weerlegd door de feitelijke gang van zaken en door de inhoud van de bewijsmiddelen zoals weergegeven in de bewijsmiddelenbijlage, zodat de rechtbank aan dit verweer voorbij gaat.

De rechtbank stelt allereerst vast dat verdachte reeds op 25 oktober 2014 door de Kroatische politie is aangehouden terwijl het beweerdelijk nepgesprek pas op 17 december 2014, dus bijna twee maanden later, plaatsvindt. Als verdachte had willen controleren of de politie zijn telefoons aftapte en hen met een ‘nepgesprek’ uit de tent had willen lokken, dan had verdachte ook al eerder een dergelijk ‘nepgesprek’(bijvoorbeeld over een bergplaats waar wapens waren verborgen) kunnen arrangeren. Bovendien wordt er die dag niet één gesprek gevoerd waarin expliciet over wapens wordt gesproken, maar twee gesprekken. Verdachte geeft bovendien in het gesprek met [betrokkene] aan dat hij naar Kroatië zal komen en gaat ook daadwerkelijk naar Kroatië. Aanvankelijk wilde hij met het vliegtuig gaan, gelet op het tapgesprek met mevrouw [naam mevrouw] maar hij is uiteindelijk met de auto gegaan, te weten met de Opel Vivaro, zoals hiervoor reeds beschreven.

De verdediging heeft betwist dat bij het eerste transport daadwerkelijk wapens zijn geleverd. De rechtbank is van oordeel dat op grond van de opgenomen bewijsmiddelen voldoende is komen vast te staan dat de onder feit 1 ten laste gelegde wapens zijn geleverd. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging onder verwijzing naar de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage en met verwijzing naar hetgeen zij hiervoor reeds heeft overwogen dienaangaande.

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de wapens en munitie, voor zover deze zijn geleverd, niet door de Nederlandse autoriteiten zelf zijn onderzocht en dat de ten laste gelegde wapens en munitie niet naar de Nederlandse Wet wapens en munitie kunnen worden geclassificeerd.

De rechtbank verwerpt dit verweer. De Nederlandse politie heeft de lijst van de op 7 januari 2015 in Kroatië in beslag genomen wapens en munitie ontvangen van de Kroatische autoriteiten. Op deze lijst wordt de hoeveelheid, merk, type van de wapens en de munitie vermeld. De hoeveelheid wapens en munitie op deze lijst komt ook qua merk en type overeen met de in het vonnis van 29 mei 2015 genoemde wapens en munitie. De omschrijving van de wapens en munitie is, hoewel in de Engelse taal, zodanig duidelijk, dat op basis hiervan onderzoek naar de classificatie op grond van de Wet wapens en munitie in Nederland kon plaatsvinden. De deskundige van de politie in Nederland heeft de wapens en munitie ook daadwerkelijk geclassificeerd.

Bewijsoverweging ten aanzien van feit 3:

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij het doosje met daarin 12 kogelpatronen op de ochtend van de doorzoeking van de woning, waar hij die dag aanwezig was en waar hij vaker verbleef, in een kastje heeft gezien en dat hij dit doosje met daarin 12 kogelpatronen direct aan de politie heeft getoond. Verdachte wist dus dat deze kogelpatronen in de woning lagen. De kogelpatronen zijn onderzocht en deze blijken munitie in de zin van de Wet wapens en munitie te zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte deze 12 kogelpatronen op 7 januari 2015 voorhanden heeft gehad. De rechtbank is van oordeel dat er geen bewijsmiddelen zijn dat verdachte daarbij heeft gehandeld in een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, zodat dit onderdeel niet wettig en overtuigend bewezen is.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode 14 december 2014 tot en met 17 december 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zonder consent wapens van categorie II, te weten

- twintig handgranaten en

- een automatisch geweer

heeft doen binnenkomen vanuit Kroatië;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 18 december 2014 tot en met 7 januari 2015 in Nederland en/of Kroatië, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging

met anderen, zonder consent wapens en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

- zes draagbare granaatwerpers (type RPG en/of RBR) en

- vier automatische geweren (type CZ M70 en/of AK47) en

- twee machinegeweren (type M53 en/of M72) en

- drie pistolen (type CZ M88 en/of Baretta) en

- een geweerstandaard (voor machinegeweer M53) en

- vijf patroonhouders (met patronen voor machinegeweer M53) en

- drie patroonhouders (voor automatisch geweer M70) en

- elfhonderdzestien patronen (kaliber 7,62 mm en/of 7,9 mm en/of 9 mm) en

- vijf detonators (type 6 en/of type 8)

te doen binnenkomen vanuit een ander land,

met in Nederland en/of België en/of Kroatië verblijvende personen afspraken heeft gemaakt over de aankoop en/of het transport van die wapens en munitie en

- betalingen heeft verricht en/of heeft laten verrichten ten behoeve van de aankoop (in Kroatië) van die wapens en munitie, en

- bovengenoemde wapens en munitie heeft verborgen in verholen (berg)ruimten van een bestelauto (Peugeot, type Boxer) en

- (vervolgens) zijn mededader met die bestelauto (vanuit Split / Kroatië) richting Nederland heeft laten rijden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

zulks terwijl hij en zijn mededaders van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en

munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt.

ten aanzien van feit 3:

op 7 januari 2015 te 's-Hertogenbosch (locatie [adresgegevens 2] ) munitie van categorie III, te weten 12 kogelpatronen (type 9 mm), voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 3 en feit 4 vrijspraak en ten aanzien van feit 1, feit 2 en feit 5 vordert de officier van justitie een gevangenisstraf van 4 jaren met aftrek van het voorarrest. Voorts vordert de officier van justitie deels onttrekking aan het verkeer en deels teruggave van de in beslag genomen goederen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe is van mening dat in het geval van een bewezenverklaring aan verdachte een gevangenisstraf kan worden opgelegd die gelijk is aan de duur van het voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijke straf en een taakstraf, mede gelet op de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan internationale wapenhandel en een poging daartoe.

Verdachte heeft wapens in de Nederlandse samenleving in omloop gebracht en hij heeft een poging gedaan een grote hoeveelheid wapens in de Nederlandse samenleving te brengen. Bij verdachte zijn de ingevoerde wapens niet aangetroffen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze wapens zich in het illegale circuit bevinden. Daarmee heeft verdachte in ernstige mate bijgedragen aan het verboden wapenbezit in Nederland. Het gevolg hiervan is dat de Nederlandse samenleving onveiliger is geworden. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens verhoogt immers ook het risico op een levensbedreigend geweldsdelict.

Het betreft hier zware vuurwapens: automatische vuurwapens en machinegeweren met zeer veel munitie, granaatwerpers en handgranaten. Wapens die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt door de georganiseerde criminaliteit voor ernstige geweldsdelicten zoals ramkraken, gewapende overvallen op banken of geldtransporten of voor liquidaties. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband.

Verdachte is planmatig te werk gegaan. Hij heeft de door hem gepleegde strafbare feiten begaan na een periode van voorbereiding en overeenkomstig een door hem welbewust opgesteld plan. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en vervulde bij het plegen van de strafbare feiten een leidinggevende rol.

Daarnaast heeft verdachte op 7 januari 2015 twaalf kogelpatronen (type 9 mm) voorhanden gehad.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

Als oriëntatiepunt voor het voorhanden hebben van een vuurwapen van categorie III geldt reeds een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van langere duur op zijn plaats.

De raadsvrouwe heeft verzocht aan verdachte naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de duur van het voorarrest, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van vier en een half jaar, met aftrek van de duur van het voorarrest.

Een taakstraf zou simpelweg geen recht doen aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde.

Overschrijding redelijke termijn.

De verdachte is aangehouden op 7 januari 2015 en op 11 juli 2017 is het vonnis in de onderhavige zaak uitgesproken. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim een half jaar is overschreden, terwijl uit het onderzoek niet is gebleken dat deze overschrijding voor rekening van de verdediging dient te komen.

Vanwege de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM gedurende het onderzoek in deze zaak zal de rechtbank de beoogde duur van de gevangenisstraf van vier en een half jaar bekorten met een half jaar. Ook de officier van justitie heeft ter zitting aangegeven dat hij bij de strafeis al rekening heeft gehouden met een korting wegens de overschrijding van de redelijke termijn.

De rechtbank zal dezelfde straf opleggen als de door de officier van justitie gevorderde straf, ook al spreekt de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde onder feit 5.

De gevorderde straf is in overeenstemming met de ernst van het bewezen verklaarde.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen zijn die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van de feiten zijn verkregen, dan wel met betrekking tot welke de feiten zijn begaan dan wel dat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen. Anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, zal de rechtbank bepalen dat ook de op lijst van in beslag genomen goederen genoemde goederen onder de nummers 11, 13 en 14 terug worden gegeven aan verdachte.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 36c, 36d, 45, 47, 57, 63

Wet wapens en munitie art. 14, 26, 55

EVRM art. 6.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen verdachte onder feit 4 en onder feit 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder feit 1, onder feit 2 en onder feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1, onder feit 2 en onder feit 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

poging tot medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens een beroep of gewoonte maken

en

poging tot medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en van het in strijd met de wet verhandelen van munitie een beroep of gewoonte maken.

Ten aanzien van feit 3:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 4 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht;

Onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen goederen, te weten:

- een GPS Tracker, G246299 (nr. 2B);

- een cilindertrekker, G249589 (nr.3);

- een opbergtasje, G246251 (nr. 4);

- een richtkijker incl. 2 bevestigingsbeugels, G246254 (nr. 5);

- een 'jammer', G246255 (nr. 6);

- briefjes met namen geschreven, G260991 (nr. 7);

- een kladje, G260992 (nr. 8);

- een jas met tekst 'POLITIE' op de rug, G246185 (nr. 10).

Teruggave van de in beslag genomen goederen aan verdachte:

- een tomtom incl. houder en lader, g246279 (nr. 1A);

- een zwarte doos van North American, G246183 (nr. 9);

- een handboor, G24959 (nr. 11);

- een handschoen PU-Flex, G249591 (nr. 12);

- een cilinderslot, G249593 (nr. 13);

- een cilindertrekker, G249594 (nr. 14);

- een bonnetje met serienummer en naam, G246381 (nr. 15);

- een document Republic of Croatia, G260995 (nr. 16);

- een kladje met notities, G260992 (nr. 17);

- een skrill bericht over pincode mastercard, G246272 (nr. 18);

- een notitieboekje en briefje, G246379 (nr. 19);

- een document van Republika Hrvatska, G260995 (nr. 20);

- een document van Republika Hrvatska, G260996 (nr. 21);

- een document Republic of Croatia, G246261 (nr. 22);

- papieren van Western Union, G246298 (nr. 23);

- een Apple Iphone A1586, goednr 246224 (nr. 25);

en aan de rechthebbende ( [betrokkene] ):

- 1 creditcard op naam van [betrokkene] , G246272, (nr. 24).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.J.A. Donkersloot en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 11 juli 2017.