Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3696

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
11-07-2017
Datum publicatie
11-07-2017
Zaaknummer
01/879019-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank acht bewezen dat verdachte samen met anderen wapens en munitie in de Nederlandse samenleving in omloop heeft gebracht en dat hij samen en in vereniging met anderen een poging heeft gedaan een grote hoeveelheid wapens en munitie in de Nederlandse samenleving te brengen.

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, waarvan een deel, groot 9 maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879019-15

Datum uitspraak: 11 juli 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 januari 2017, 15 juni 2017, 20 juni 2017, 21 juni 2017 en 27 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 december 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 15 juni 2017 is gewijzigd, is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode 14 december 2014 tot en met 17 december 2014 te

's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder consent een of meer wapens van categorie II te weten

- tweeëntwintig, althans een aantal, handgranaten en/of

- een (automatisch) geweer

heeft doen binnenkomen vanuit Kroatië en/of Duitsland en/of België;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

2.

hij in of omstreeks de periode van 18 december 2014 tot en met 7 januari 2015 te

's-Hertogenbosch en/of elders in Nederland en/of België en/of Kroatië, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, zonder consent een of meer wapens en/of munitie van categorie II en/of III, te weten

- zes, althans een aantal, draagbare granaatwerpers (type RPG en/of RBR) en/of

- vier, althans een aantal, automatische geweren (type CZ M70 en/of AK47) en/of

- twee, althans een aantal, machinegeweren (type M53 en/of M72) en/of

- drie, althans een aantal, pistolen (type CZ M88 en/of Baretta) en/of

- een geweerstandaard (voor machinegeweer M53) en/of

- vijf, althans een aantal, patroonhouders (met patronen voor machinegeweer M53) en/of

- drie, althans een aantal, patroonhouders (voor automatisch geweer M70) en/of

- elfhonderdzestien, althans een aantal, patronen (kaliber 7,62 mm en/of 7,9 mm en/of 9 mm) en/of

- vijf, althans een aantal, detonators (type 6 en/of type 8)

te doen binnenkomen vanuit Duitsland en/of België en/of een ander land,

met een of meer in Nederland en/of België en/of Kroatië verblijvende perso(o)n(en) afspraken heeft gemaakt over de aankoop en/of het transport van die wapens en/of munitie en/of

- een of meerdere betaling(en) heeft verricht en/of heeft laten verrichten ten behoeve van de aankoop (in Kroatië) van die wapens en/of munitie, en/of

- bovengenoemde wapens en/of munitie heeft verborgen, althans laten verbergen, in een of meerdere verholen (berg)ruimten van een bestelauto (peugeot, type Boxer) en/of

- die met bovenbedoelde wapens en/of munitie geladen bestelauto heeft overgenomen van een (contact)persoon en/of

- (vervolgens) met die bestelauto (vanuit Split / Kroatië) richting Nederland en/of België en/of Duitsland is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

zulks terwijl hij en/of zijn mededader(s) van het in strijd met de wet vervaardigen, transformeren, uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens of munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

 Het door de verdediging gevoerde verweer ten aanzien van de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft aangevoerd dat de officier van justitie ter zake van feit 2 niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging, omdat verdachte reeds in Kroatië is veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor hij nu wordt vervolgd. De onderhavige vervolging is in strijd met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van een tweede vervolging voor hetzelfde feit. In Kroatië is verdachte veroordeeld voor het zonder vergunning voorhanden hebben van wapens en explosieven. In Nederland wordt hij vervolgd voor de invoer van wapens en explosieven zonder vergunning. Volgens de officier van justitie is de juridische aard van de beide verboden gedragingen niet hetzelfde. Doelstelling van het invoerverbod is gelegen in het beperken en beheersen van het wapenbezit. Daarvoor moet controle mogelijk zijn op de aard en omvang van de binnenkomende wapens. Het verbod om wapens voorhanden te hebben, is gericht op de gevaarzetting die uitgaat van het wapenbezit. In onbevoegde handen zijn wapens gevaarzettend.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt als volgt.

Verdachte is op 7 januari 2015 in Kroatië aangehouden toen hij een bus bestuurde waarin een grote hoeveelheid (ook zware) wapens lag opgeslagen. Verdachte vervoerde de wapens naar Nederland. Verdachte is in Kroatië bij vonnis van de rechtbank te Split d.d. 29 mei 2015 veroordeeld voor het onbevoegd bezit van grote aantallen vuurwapens, munitie en explosieve middelen op 7 januari 2015.

De Kroatische rechtbank heeft verdachte een gevangenisstraf opgelegd van één jaar, waarvan zes maanden voorwaardelijk. Verdachte heeft deze gevangenisstraf in een Kroatische gevangenis ondergaan.

In artikel 68, eerste lid, Sr is bepaald dat niemand kan worden vervolgd wegens een feit waarover te zijnen aanzien bij gewijsde van de rechter in Nederland, Aruba, Curaçao, Sint Maarten of de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba onherroepelijk is beslist.

In artikel 68, tweede lid, Sr is bepaald dat, indien het gewijsde afkomstig is van een andere rechter, tegen dezelfde persoon wegens hetzelfde feit geen vervolging plaats vindt in geval van

1e vrijspraak of strafvervolging

2e veroordeling, indien een straf is opgelegd, gevolgd door gehele uitvoering, gratie of verjaring der straf.

De rechtbank ziet zich geplaatst voor de vraag of verdachte in Kroatië reeds is veroordeeld voor hetzelfde feit als waarvoor hij in Nederland wordt vervolgd.

Zoals gezegd is verdachte in Kroatië vervolgd voor het voorhanden hebben van wapens, in Nederland strafbaar gesteld in artikel 26 van de Wet wapens en munitie (Wwm). Onder feit 2 wordt verdachte vervolgd voor de poging dezelfde wapens in te voeren in Nederland, in Nederland strafbaar gesteld in artikel 14 van de Wwm.

Het toetsingskader

In het arrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BM9102) heeft de Hoge Raad de in eerdere arresten ontwikkelde toetsingsmaatstaf voor de vaststelling of sprake is van hetzelfde feit verduidelijkt. In verschillende arresten gewezen op 20 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1111, 1112, 1113 en 1114) heeft de Hoge Raad deze toetsingsmaatstaf herhaald en het volgende overwogen:

2.9.1. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van "hetzelfde feit", dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken.

Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken.

(A) De juridische aard van de feiten.

Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft

(i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en

(ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.

(B) De gedraging van de verdachte.

In reactie op de verwijzing van de verdediging naar Europese jurisprudentie overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in genoemd arrest oordeelt dat de Nederlandse rechtspraak niet in strijd is met de Europese rechtspraak, dat ook de criteria die in de Europese rechtspraak worden gehanteerd niet louter als feitelijk kunnen worden aangemerkt en dat in de Nederlandse rechtspraak terecht afstand is genomen van een louter feitelijk criterium, omdat een louter feitelijk criterium tot onaanvaardbare uitkomsten kan leiden.

De juridische aard van de feiten:

In artikel 26 van de Wwm is bepaald dat het verboden is een wapen van categorie II en III voorhanden te hebben. Voor het voorhanden hebben van een categorie III wapen kan vrijstelling worden verleend.

In artikel 14 van de Wwm is bepaald dat het verboden is om zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III te doen binnenkomen of te doen uitgaan.

In de Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (Kamerstukken II, 14 413, nr. 3) dat heeft geleid tot de Wet wapens en munitie wordt in de toelichting bij artikel 14 vermeld: “Het begrip «invoer» betekent, aldus artikel 1, het brengen van goederen in het vrije verkeer. De reglementering van het binnenkomen heeft ten dele een andere ratio dan die van het uitgaan. Voor beide geldt de wens het wapenbestand te beheersen, waarvoor registratie zowel bij binnenkomst als bij uitgaan noodzakelijk is. Voorts zit, wat het binnenkomen betreft, de bedoeling voor het binnenlandse wapenbezit zoveel mogelijk te beperken en te beheersen.“

Naar het oordeel van de rechtbank heeft artikel 26 Wwm een andere strekking dan artikel 14 Wwm. Beide artikelen beogen weliswaar in het belang van de algemene veiligheid bescherming te bieden tegen de dreiging en gevaar dat uitgaat van ongecontroleerd bezit van wapens. Artikel 26 Wwm ziet echter op de gevaren die verbonden zijn aan het illegaal bezit in een concrete situatie. Het ziet op het voorkomen van het daadwerkelijk gebruik van wapens door de individuele burger, van buitensporig geweld met het risico op ernstig lichamelijk letsel, of het ontstaan van een dreigende, onveilige situatie.

Artikel 14 Wwm strekt tot bescherming van het belang dat de Nederlandse overheid heeft bij het beheersen en controleren van de totale wapenvoorraad op haar grondgebied en het in het belang van de algemene veiligheid beperken van de omvang van het wapenarsenaal.

De rechtbank is van oordeel dat de strekking van de strafbepalingen en de rechtsgoederen ter bescherming waarvan zij dienen dusdanig verschillen dat geen sprake is van hetzelfde feit. Verdachte is veroordeeld voor het voorhanden hebben van wapens. Invoer van wapens kan zoals in de onderhavige situatie samenvallen met het voorhanden hebben van wapens. Met de vervolging voor de invoer van de wapens wordt verdachte echter een ander, meer omvattend verwijt gemaakt, waarvoor hij nog niet is veroordeeld. Artikel 68 Sr is derhalve niet van toepassing.

Het verweer tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie wordt verworpen.

Ook overigens zijn de rechtbank geen andere omstandigheden gebleken die de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan.

 De overige formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsmotivering ten aanzien van feit 1 en feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 1 en feit 2. De verdediging is van mening dat enige betrokkenheid van verdachte bij de feiten kan worden bewezen, maar dat verdachte niet wist dat er wapens in het door hem bestuurde voertuig waren verstopt.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank is van oordeel dat het ten laste gelegde onder feit 1 en onder feit 2 wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verwijst voor wat betreft de bewijsmiddelen naar de achter dit vonnis gehechte bewijsmiddelenbijlage. Deze bewijsmiddelenbijlage wordt geacht te worden gezien als integraal onderdeel van dit vonnis.

Op 7 januari 2015 wordt het door verdachte bestuurde minibusje, merk Peugeot, type Boxer, met het [kentekennummer] , door de Kroatische politie gecontroleerd bij het tolhuisje Dugopolje van de autoweg A-1, nabij het tankstation “INA-Kozjak” in Kroatië. Tijdens deze controle is gebleken dat er een grote hoeveelheid wapens en munitie in voornoemd voertuig zit verborgen. Deze hoeveelheid wapens en munitie is de avond daarvoor, op 6 januari 2015, in het voertuig verstopt. Dat leidt de rechtbank af uit de volgende omstandigheden: Verdachte rijdt op 5 januari 2015 met het voertuig vanuit Nederland, onder meer via Oostenrijk, naar Kroatië, waar hij op 6 januari 2015 rond 14.40 uur bij [hotel] (hierna: het hotel) in Split arriveert en incheckt. Rond 11.49 uur belt [medeverdachte 1] naar [betrokkene] . [betrokkene] bevestigt vervolgens aan [medeverdachte 1] dat hij een berichtje van [medeverdachte 1] heeft ontvangen. [medeverdachte 1] zegt dat [betrokkene] vandaag ook bezoek krijgt. [medeverdachte 1] zegt dan dat ze het daar later over hebben of in de nacht/avond. [betrokkene] zegt dat het oké is. Omstreeks 16.54 uur belt verdachte met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] vraagt aan verdachte of hij “hem” al heeft gebeld. Verdachte zegt dan tegen [medeverdachte 1] dat “hij” er aan komt. [medeverdachte 1] zegt dan tegen verdachte dat ze straks nog wel even contact hebben. Rond 17.00 uur hebben verdachte en [betrokkene] een ontmoeting in de koffiebar van het hotel. [betrokkene] vertrekt rond 17.30 uur bij het hotel en hij komt rond 19.22 uur weer bij het hotel terug. Rond 19.27 uur stappen zowel verdachte als [betrokkene] in het voertuig met het [kentekennummer] , waarna rond 19.29 uur [betrokkene] met het voertuig wordt gezien in de plaats Plano. [betrokkene] heeft het voertuig rond 21.53 uur weer op de parkeerplaats van het hotel geparkeerd en afgesloten, waarna hij het hotel binnen is gegaan. Het voertuig is derhalve vanaf het hotel, met [betrokkene] als bestuurder, bijna twee en een half uur elders geweest. Verdachte is in die tijd in het hotel gebleven. [medeverdachte 1] sms’t om 21.54 uur “Ok” naar verdachte. [betrokkene] heeft verdachte gebeld en hij heeft hem vervolgens rond 21.55 uur in de bar van het hotel ontmoet. Om 21.59 uur sms’t [medeverdachte 1] “Als ok” naar verdachte. Rond 22.35 uur vertrekt [betrokkene] in zijn eigen auto vanaf het hotel. Verdachte vertrekt vervolgens de volgende dag, op 7 januari 2015 te 07.51 uur, met het voertuig vanaf het hotel, waarna de Kroatische politie hem rond 08.29 uur dus staande houdt.

[betrokkene] heeft bij de rechter-commissaris ook verklaard dat hij degene is geweest die het busje heeft opgehaald en later weer heeft teruggebracht en die, met medeweten van verdachte, de wapens in het busje heeft verstopt.

Verdachte heeft verklaard dat hij twee keer in opdracht van [medeverdachte 1] met een door verdachte bij [garage] gehuurd voertuig, een Peugeot Boxer met het [kentekennummer] , naar Kroatië is gereden, te weten in de periode van 14 december 2014 tot en met 17 december 2014 en in de periode van 5 januari 2015 tot en met 7 januari 2015. Verdachte heeft verklaard dat hij in Kroatië keukenapparatuur ging afleveren bij [betrokkene] . Verdachte kent zowel [medeverdachte 1] als [betrokkene] . Verdachte ontkent echter dat hij wist dat hij wapens en/of munitie vanuit Kroatië terug naar Nederland heeft vervoerd.

Op basis van de bewijsmiddelen, zoals opgesomd in de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] de organisator van de ten laste gelegde wapentransporten is geweest en dat verdachte als chauffeur van de transporten is opgetreden. Voor de beantwoording van de vraag of verdachte al dan niet wist dat er bij deze transporten wapens en/of munitie in de bestelbus verstopt waren, neemt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking.

[betrokkene] heeft bij de rechter-commissaris ten aanzien van het op 7 januari 2015 onderschepte wapentransport verklaard dat hij met verdachte had afgesproken dat hij de bestelbus op zou halen, wapens in de bestelbus zou stoppen en de bestelbus terug zou brengen, waarna verdachte terug zou rijden. Volgens [betrokkene] was dat het plan van verdachte en was dat ook zijn plan.

De verklaring van [betrokkene] , waaruit kan worden afgeleid dat verdachte wist dat het op
7 januari 2015 onderschepte transport een illegaal wapentransport betrof – en dus niet slechts een transport van keukenapparatuur zoals verdachte heeft verklaard – vindt steun in de gesprekken die verdachte kort daarvoor met zijn partner voerde. Op 5 januari 2015 om 00.03 uur belt verdachte met zijn [partner] , waarbij hij tegen haar zegt dat ze nu gewoon vrij kunnen bellen en vrij dingen tegen elkaar kunnen zeggen. Zijn partner reageert daarop door te zeggen: “Nou dat denk ik dus niet”. De rechtbank overweegt dat uit dit gesprek valt op te maken dat zowel verdachte als zijn partner rekening houdt met de mogelijkheid dat hun gesprek wordt afgeluisterd en zij daarom niet vrijuit kunnen spreken over de telefoon. Dit bevestigt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte kennelijk op de hoogte was van het illegale karakter van het transport. Op 5 januari 2015 om 10.43 uur belt verdachte opnieuw met zijn [partner] , waarbij hij tegen haar zegt dat ze gewoon het verhaal moet aanhouden dat hij naar Italië is, dat ze het zo dikwijls moet vertellen dat ze het dadelijk gewoon zelf denkt dat hij in Italië zit en dat ze gelooft dat hij daar aan het skiën is. Op het moment dat [partner] tijdens het verhoor bij de rechter-commissaris over dit gesprek bevraagd wordt, antwoordt zij dat het de woorden van verdachte zijn die zij verder niet kan verklaren. De rechtbank overweegt dat uit dit gesprek valt op te maken dat verdachte en zijn partner kennelijk met elkaar hebben afgesproken richting anderen geen openheid van zaken te geven over de rit van verdachte naar Kroatië. Ook hierin ziet de rechtbank bevestiging van het feit dat verdachte kennelijk op de hoogte is van het illegale karakter van het transport. De rechtbank ziet niet in waarom verdachte dergelijke gesprekken met zijn partner zou voeren indien het slechts een (legaal) transport van keukenapparatuur betrof zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte en [partner] uiteenlopende verklaringen hebben afgelegd over de bedragen die waren gemoeid met het transport van de keukenapparatuur.

De raadsman heeft in zijn pleidooi gesteld dat de opmerkingen over de skivakantie in Italië moeten worden gezien in het kader van “keeping up appearances”. Verdachte zou tegenover zijn sociale omgeving en zakenrelaties de schone schijn willen ophouden en er niet eerlijk voor willen uitkomen dat hij na zijn faillissement genoodzaakt was om met een lading witgoed naar Kroatië te rijden. De rechtbank stelt vast dat noch verdachte noch zijn echtgenote dit hebben gesteld als verklaring voor voornoemde gesprekken.

De echtgenote zou volgens de raadsman hebben gezegd dat zij niet vrijuit konden praten, omdat zij bang was dat verdachte zou worden aangehouden omdat hij zonder vrachtbrief reed. Ook hier geldt dat noch de echtgenote van verdachte noch verdachte zelf dit hebben verklaard. De rechtbank verwerpt dan ook deze verweren.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat er in de periode van 14 december 2014 tot en met 7 januari 2015 diverse contacten hebben plaatsgevonden, zowel fysiek als telefonisch, tussen [medeverdachte 1] en [betrokkene] , alsmede tussen [medeverdachte 1] en verdachte. [medeverdachte 1] heeft op 6 januari 2015, rond de afwezigheid van de bestelbus bij het hotel in Kroatië – het moment dat [betrokkene] de wapens in de bestelbus verstopte – sms-contact gehad met verdachte en in die periode hebben verdachte en [betrokkene] ook contact gehad. Daarbij maakten [medeverdachte 1] , [betrokkene] en verdachte in die periode gebruik van nieuwe telefoons die enkel werden gebruikt voor hun onderlinge communicatie, dus het contact tussen [medeverdachte 1] , [betrokkene] en verdachte. Ook in deze omstandigheden, te weten de intensieve contacten tussen de betrokkenen bij de wapentransporten – [medeverdachte 1] als organisator, verdachte als chauffeur en [betrokkene] als degene die de wapens in de bestelbus verstopte – in de periode dat de wapentransporten daadwerkelijk plaatsvonden en de zogenaamde werktelefoons waar deze betrokkenen in diezelfde periode gebruik van maakten, vindt de rechtbank steun voor het feit dat verdachte wist dat hij bij beide transporten wapens en/of munitie vanuit Kroatië terug naar Nederland vervoerde.

Tenslotte neemt de rechtbank in aanmerking dat verdachte de bestelbus op 16 december 2014, na zijn terugkomst uit Kroatië, bij het bedrijf van [medeverdachte 1] in Den Bosch heeft geparkeerd. Hij heeft de bestelbus op 17 december 2014 weer opgehaald bij [medeverdachte 1] en de bus teruggebracht naar de verhuurder, [garage] in Poppel. Verdachte verklaart desgevraagd dat hij de bestelbus bij het bedrijf van [medeverdachte 1] heeft neergezet om het voertuig te laten poetsen na de lange rit naar Kroatië. De eigenaar van [garage] verklaart hierover dat het bedrijf zelf de bus aan de buitenkant schoonmaakt en dat enkel de binnenkant door de klant wordt schoongemaakt. Voor het poetsen van de bus aan de buitenkant hoefde verdachte het voertuig derhalve niet bij het bedrijf van [medeverdachte 1] te stallen. Op basis van de bewijsmiddelen, zoals opgesomd in de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage, stelt de rechtbank vast dat de in de bestelbus verstopte wapens tijdens het stallen van de bus bij het bedrijf van [medeverdachte 1] uit de bestelbus verwijderd zijn. Nu verdachte geen aannemelijke verklaring heeft afgelegd over de vraag waarom hij na de rit uit Kroatië de bestelbus bij [medeverdachte 1] heeft gestald, vindt de rechtbank ook hierin steun voor het feit dat verdachte wist van de wapens die in de bestelbus waren verstopt.

Gelet op de hierboven genoemde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte moet hebben geweten van de wapens en/of munitie die bij beide transporten in de bestelbus verstopt waren. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1:

in de periode 14 december 2014 tot en met 17 december 2014 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, zonder consent wapens van categorie II, te weten

- twintig handgranaten en

- een automatisch geweer

heeft doen binnenkomen vanuit Kroatië;

ten aanzien van feit 2:

in de periode van 18 december 2014 tot en met 7 januari 2015 in Nederland en/of Kroatië, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf, om tezamen en in vereniging

met anderen, zonder consent wapens en munitie van categorie II en/of III,

te weten

- zes draagbare granaatwerpers (type RPG en/of RBR) en

- vier automatische geweren (type CZ M70 en/of AK47) en

- twee machinegeweren (type M53 en/of M72) en

- drie pistolen (type CZ M88 en/of Baretta) en

- een geweerstandaard (voor machinegeweer M53) en

- vijf patroonhouders (met patronen voor machinegeweer M53) en

- drie patroonhouders (voor automatisch geweer M70) en

- elfhonderdzestien patronen (kaliber 7,62 mm en/of 7,9 mm en/of 9 mm) en

- vijf detonators (type 6 en/of type 8)

te doen binnenkomen vanuit een ander land,

met een of meer in Nederland en/of Kroatië verblijvende personen afspraken heeft gemaakt over de aankoop en/of het transport van die wapens en/of munitie en

- meerdere betaling(en) heeft verricht en heeft laten verrichten ten behoeve van de aankoop (in Kroatië) van die wapens en munitie, en

- bovengenoemde wapens en munitie heeft verborgen in verholen (berg)ruimten van een bestelauto (Peugeot, type Boxer) en

- die met bovenbedoelde wapens en munitie geladen bestelauto heeft overgenomen van een (contact)persoon en

- (vervolgens) met die bestelauto (vanuit Split / Kroatië) richting Nederland is gereden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

zulks terwijl hij en zijn mededaders van het in strijd met de wet verhandelen van wapens en munitie een beroep of een gewoonte heeft gemaakt.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert ten aanzien van feit 1 en feit 2 een gevangenisstraf van 24 maanden, met aftrek van de duur van het voorarrest en teruggave van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen genoemde goederen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte, in het geval het Openbaar Ministerie ontvankelijk wordt geacht in de vervolging, een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf kan worden opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan internationale wapenhandel en een poging daartoe.

Verdachte heeft wapens in de Nederlandse samenleving in omloop gebracht en hij heeft een poging gedaan een grote hoeveelheid wapens en munitie in de Nederlandse samenleving te brengen. Bij verdachte zijn de ingevoerde wapens niet aangetroffen, zodat het ervoor moet worden gehouden dat deze wapens zich in het illegale circuit bevinden. Daarmee heeft verdachte in ernstige mate bijgedragen aan het verboden wapenbezit in Nederland. Het gevolg hiervan is dat de Nederlandse samenleving onveiliger is geworden. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens verhoogt immers ook het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Het betreft hier zware vuurwapens: automatische vuurwapens en machinegeweren met zeer veel munitie, granaatwerpers en handgranaten. Wapens die bijvoorbeeld kunnen worden gebruikt door de georganiseerde criminaliteit voor ernstige geweldsdelicten zoals ramkraken, gewapende overvallen op banken of geldtransporten of voor liquidaties. De rechtbank neemt dit verdachte kwalijk.

Verdachte heeft de door hem gepleegde strafbare feiten gepleegd in georganiseerd verband.

Verdachte is planmatig te werk gegaan. Hij heeft de door hem gepleegde strafbare feiten begaan na een periode van voorbereiding en overeenkomstig een door hem welbewust opgesteld plan. Verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en vervulde bij het plegen van de strafbare feiten de rol van transporteur van de wapens en munitie vanuit Kroatië naar Nederland.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat sinds het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken, terwijl verdachte, voor zover nu bekend, in deze periode geen nieuwe strafbare feiten heeft gepleegd. Verdachte is zelf ook getroffen door de gevolgen van de door hem gepleegde strafbare feiten, in die zin dat verdachte voor het voorhanden hebben van de wapens en munitie in het busje waarmee hij vanuit Kroatië onderweg was naar Nederland door de rechtbank in Kroatië is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. Verdachte heeft zijn straf in Kroatië geheel uitgezeten. De rechtbank gaat er vanuit dat in Kroatië aanzienlijk andere, zwaardere, omstandigheden gelden wat betreft de detentie. De rechtbank houdt hiermee, meer dan de officier van justitie heeft gedaan, rekening bij het bepalen van de hoogte van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van achttien maanden. De rechtbank zal deze gevangenisstraf voor een gedeelte ter grootte van negen maanden voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De raadsman heeft verzocht aan verdachte een taakstraf en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank is echter van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een (gedeeltelijk voorwaardelijke) gevangenisstraf. Een taakstraf zou geen recht doen aan de aard en ernst van het bewezen verklaarde.

De rechtbank zal echter een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt en de rechtbank meer dan de officier van justitie rekening houdt met de gevangenisstraf die verdachte reeds in Kroatië ter zake van het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie heeft ondergaan.

Beslag.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 27, 47, 57

Wet wapens en munitie art. 14, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 en onder feit 2 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder feit 1 en onder feit 2 meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

ten aanzien van feit 1:

medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

poging tot medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II, meermalen gepleegd, en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd, en van het in strijd met de wet verhandelen van wapens een beroep of gewoonte maken

en

poging tot medeplegen van:

handelen in strijd met artikel 14, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en van het in strijd met de wet verhandelen van munitie een beroep of gewoonte maken.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf.

Ten aanzien van feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 9 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

Teruggave in beslag genomen goederen aan verdachte:

- een nota Radisson Hotel 16.12.2014, G246439;

- diverse bonnetjes van bancka Zagrebancka, G246434;

- vier gele briefjes met aantekeningen, G246428;

- een verscheurde nota van een hotelovernachting in Split, G246433.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. J.J.A. Donkersloot en mr. C.J. Sangers- de Jong, leden,

in tegenwoordigheid van M.J.H. Rijnbeek, griffier,

en is uitgesproken op 11 juli 2017.