Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:367

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
26-01-2017
Zaaknummer
16_3748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De burgemeester heeft de woning van verzoekers, een vader en volwassen zoon, gesloten omdat er voor de tweede keer een handelshoeveelheid hennep is gevonden. De eerste keer is de woning drie maanden gesloten geweest, dit maal zes maanden. Verzoekers zeggen dat de hennep die nu gevonden is, enkel bestaat uit restanten van de eerste keer die de politie toen vergeten is mee te nemen. Dat gelooft de voorzieningenrechter niet. Het is in tegenspraak met een proces-verbaal van de politie waarin staat dat de zolder destijds grondig is doorzocht en dat er geen hennep is achtergebleven. Verder heeft verzoeker op de zitting iets anders verklaard over de volgens hem achtergebleven hennep dan dat zijn gemachtigde in het bezwaarschrift heeft gezegd. De voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/3748 en 16/3749

uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 januari 2017 op de verzoeken om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker 1] , verzoeker 1,

en

[verzoeker 2] , verzoeker 2, beiden te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. R. Janssen),

en

de burgemeester van de gemeente Valkenswaard, de burgemeester

(gemachtigde: mr. S. Looijmans).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 8 december 2016 (de bestreden besluiten) heeft de burgemeester verzoekers op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat het erf en de aanwezige bebouwing aan de [adres] , bekend onder sectie B nummer 4001, gedurende zes maanden wordt gesloten, ingaande op 22 december 2016 tot 22 juni 2017.

Verzoekers hebben tegen de primaire besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 20 december 2016 heeft de voorzieningenrechter de primaire besluiten met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten zitting geschorst en heeft bepaald dat partijen worden uitgenodigd om op 12 januari 2017 ter zitting te verschijnen om te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 8:87, eerste lid, van de Awb.

Het onderzoek op de zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2017. [verzoeker 1] is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. [verzoeker 2] heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Verzoekers zijn vader en zoon. Ze zijn samen eigenaar van de woning aan de [adres] (de woning). Die woning is van 3 mei 2016 tot 3 augustus 2016 door de burgemeester gesloten op grond van artikel 13b van de Opiumwet, nadat er op 1 maart 2016 een in werking zijnde hennepdrogerij was aangetroffen door de politie. Tegen dat besluit (genomen op 30 maart 2016) hebben verzoekers destijds geen bezwaar gemaakt.

2. Verzoeker 2 is op 7 oktober 2016 door de strafrechter bij verstek veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet.

3. Op 12 oktober 2016 zijn opnieuw drugs aangetroffen in de woning. Daarvan is door de politie op 14 november 2016 een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Verweerder heeft vervolgens de bestreden besluiten genomen en besloten de woning dit keer zes maanden te sluiten. Dat besluit is gebaseerd op het beleid dat de burgemeester voert (het Damoclesbeleid).

4. Verzoekers voeren in deze procedure aan dat de op 12 oktober 2016 aangetroffen drugs geen ‘nieuwe’ drugs zijn, maar restanten die zijn blijven liggen na de eerste keer dat de politie de woning doorzocht op 1 maart 2016. Verzoeker 1 heeft de dag na die doorzoeking de woning samen met zijn vrouw gefatsoeneerd, omdat de politie heel veel resten hennepgruis en -toppen had achtergelaten, terwijl verzoeker 1 en zijn vrouw de volgende dag de verjaardag van hun kleinkind in de woning wilden vieren. Ze hebben de resten bij elkaar geveegd en op zolder achtergelaten. Ook een aantal droogrekken en een koolstoffilter die niet door de politie zijn meegenomen, hebben ze op zolder achtergelaten. Verzoekers vinden dat de woning niet twee keer voor hetzelfde vergrijp kan worden gesloten.

5. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

5.1.

Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Awb). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81 van de Awb. In dat artikel is verwoord dat wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de bodemzaak (in dit geval de beslissing op bezwaar). De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

5.2.

Verzoekers stellen dus dat de aangetroffen hennep ‘oude’ hennep is die al tijdens de eerste doorzoeking in maart 2016 in de woning aanwezig was en die de politie niet heeft gevonden, althans heeft verzuimd af te voeren. Daarmee betwisten ze in feite dat de drugs ‘daartoe’ aanwezig waren in de zin van artikel 13b van de Opiumwet. Dat artikel luidt als volgt: “De burgemeester is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.”

5.3.

De voorzieningenrechter gelooft niet dat de op 12 oktober 2016 aangetroffen drugs bestaan uit restanten die de politie tijdens de eerdere doorzoeking niet heeft meegenomen. Uit de bestuurlijke rapportage van 14 november 2016 blijkt dat er op 12 oktober 2016 op zolder drie plastic zakken met in totaal 7445 gram hennepgruis en henneptoppen met een gewicht van 136,32 gram zijn aangetroffen. Dat is nog meer dan de 5949 gram die er tijdens de doorzoeking op 1 maart 2016 is aangetroffen en meegenomen door de politie. De politie heeft in een aanvullend proces-verbaal van 1 december 2016 het volgende verklaard:

“Op dinsdag 1 maart 2016 werd de woning aan de [adres] (…) doorzocht. Tijdens deze doorzoeking werd alle door ons aangetroffen hennep in beslag genomen en afgevoerd. Door ons werd in het totaal5,949 kilogram hennep in beslag genomen. De zolder van de woning is is zeer grondig doorzocht. De zolder is twee keer doorzocht. Een keer door collega (…) en (…) en een keer door mij (…) en (…). Bij de doorzoeking bleek dat op de zolderverdieping een aantal vloerdelen ontbraken. Door mij (…) en collega’s (…) en (…) werden de ruimten tussen de vloerdelen, waar een vloerdeel ontbrak, bekeken. Door ons werd niets aangetroffen. Op de zolder werd door ons hennep en hennepgerelateerde goederen aangetroffen. Alle aangetroffen hennep werd door ons in beslag genomen. Het is zeer onwaarschijnlijk dat op zolder meer hennep aanwezig is geweest, dan dat door ons is aangetroffen en in beslag genomen. (…) Tijdens deze doorzoeking werden een tweetal koolstoffilter in beslag genomen en afgevoerd. Tijdens de doorzoeking werden geen andere koolstoffilters aangetroffen.

Op woensdag 12 oktober 2016 werd de woning (…) wederom doorzocht. In de woning werd in het totaal 12,937 kilogram hennep aangetroffen (…). Tevens werd op de zolderverdieping een koolstoffilter en droogrekken aangetroffen en in beslag genomen.”

Gelet op deze door de politie geschetste gang van zaken acht de voorzieningenrechter het verhaal van verzoekers zoals gezegd niet geloofwaardig. Verzoeker 1 heeft op de zitting overigens iets anders verteld dan wat zijn gemachtigde in het bezwaarschrift heeft opgenomen als verklaring voor de gevonden hennep. Op de zitting meldde verzoeker 1 dat hij, tijdens het opruimen van de woning na de eerste doorzoeking in maart 2016, géén hennep of hennepresten heeft aangetroffen, maar alleen hennepgerelateerde spullen (droogrekken, koolstoffliter). Die spullen heeft hij op zolder gezet. De hennep die de politie vervolgens op 12 oktober 2016 op zolder heeft gevonden, moet daar dus al die tijd hebben gelegen, ook tijdens en na de eerste doorzoeking in maart 2016. De voorzieningenrechter heeft op de zitting gevraagd aan verzoeker 1 om dat verhaal nader toe te lichten en daarbij wees verzoeker 1 op een foto (die is gemaakt door de politie tijdens de doorzoeking op 12 oktober 2016) waarop een slaapzak te zien was en waaronder volgens hem de hennep waarschijnlijk al die tijd heeft gelegen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze tegenstrijdigheid tussen wat in het bezwaarschrift is opgenomen en wat op de zitting is verteld, niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid van verzoekers stellingen over de herkomst van de in oktober 2016 aangetroffen hennep.

5.4.

Gelet op dit alles was de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan. Verzoekers hebben geen gronden aangevoerd over de duur van de sluiting of over bijzondere omstandigheden op grond waarvan de burgemeester had moeten afzien van sluiting. De burgemeester heeft dus ook in redelijkheid van zijn bevoegdheid gebruik kunnen maken.

5.5.

In het aanvulend proces-verbaal van 1 december 2016 is ook nog vermeld dat de garage en de gedemonteerde auto die daar stond, minder grondig zijn doorzocht en dat de mogelijkheid bestaat dat de hennep die daar op 12 oktober 2016 is gevonden, daar op 1 maart 2016 al lag. De voorzieningenrechter vindt daarom dat de daar gevonden hoeveelheid hennep (het gaat volgens dat proces-verbaal om 2861 gram) niet aan verzoekers kan worden tegengeworpen in die zin, dat de sluiting mede daarop wordt gebaseerd. Het vormt echter geen reden om de voorlopige voorziening toe te wijzen, nu dit gebrek kan worden hersteld bij het te nemen besluit op bezwaar en nu de wel in de woning aangetroffen hennep de in het beleid genoemde maximaal toegestane hoeveelheid (30 gram) ruimschoots overschrijdt.

5.6.

Verzoekers hebben nog aangevoerd dat de manier waarop de sluiting kenbaar is gemaakt, namelijk via een persbericht, diffamerend werkt en in strijd is met het beleid dat de burgemeester voert. De voorzieningenrechter vindt voor dat standpunt vooralsnog geen aanwijzingen, maar laat de stelling hier verder buiten beschouwing omdat de (voorlopige) beoordeling van dit standpunt niet kan bijdragen tot een andere uitkomst. Met andere woorden: al zou het verspreiden van een persbericht in strijd zijn met het beleid, dan nog maakt dat niet dat de burgemeester niet bevoegd was tot sluiten. Reden voor toewijzing van een voorlopige voorziening kan een eventueel gebrek op dat punt dus niet opleveren.

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lie, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.C.T. Rabou-Coort LLB, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2017.

De griffier is verhinderd voorzieningenrechter

de uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.