Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3661

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
10-07-2017
Datum publicatie
15-08-2017
Zaaknummer
16_1075
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep niet-ontvankelijk vanwege misbruik van recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1075

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J. van Gemert),

en

de Burgemeester van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder.

(gemachtigde: mr. E.B.A.M. Gerritse).

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2015 heeft verweerder het verzoek van eiser van

29 oktober 2015 om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) toegewezen onder verwijzing naar de website www.overheid.nl.

Op 9 november 2015 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 3 november 2016.

Bij brief van 22 maart 2016 heeft verweerder de door eiser bedoelde gegevens alsnog aan hem verstrekt.

Bij besluit van 29 maart 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, en een proceskostenvergoeding toegekend van € 248 (te weten 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, € 496 per punt en wegingsfactor 0,5 (“licht”).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 augustus 2016. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft in hetgeen door verweerder ter zitting is verklaard aanleiding gezien om, onder toepassing van het bepaalde in artikel 8:64, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), het onderzoek ter zitting te schorsen, teneinde eiser op te roepen om in persoon op de zitting te verschijnen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 30 maart 2017. Eiser is wederom niet verschenen. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder zijn wel verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:68,

eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek heropend. Eiser is

wederom opgeroepen om in persoon ter zitting te verschijnen.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 29 juni 2017. Eiser is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Oproeping van eiser in persoon

1. Ten aanzien van de oproeping van eiser om in persoon ter zitting te verschijnen overweegt de rechtbank als volgt.

2. Bij de behandeling van de zaak op de zitting van 25 augustus 2016 bleek dat op het adres [adres] , welk adres door eiser vermeld was onder het Wob-verzoek en op de zich in het dossier bevindende, door eiser ondertekende, machtigingen van 18 mei 2015 en 27 oktober 2015, niemand stond ingeschreven met eisers naam ( [eiser] ). Onderzoek in de Basisregistratie personen (Brp) wees uit dat op dit adres wel (onder andere) stond ingeschreven mevrouw [naam] , die zeer waarschijnlijk in familiaire relatie staat tot J. van Gemert, de gemachtigde van eiser (hierna: Van Gemert). Het voorgaande gaf de rechtbank aanleiding te twijfelen aan de identiteit van eiser, aan de rechtsgeldigheid van de machtiging en daarmee aan de bevoegdheid van Van Gemert om namens eiser beroep in te stellen. De rechtbank heeft daarom besloten om eiser, met toepassing van artikel 8:27 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), op te roepen om in persoon ter zitting te verschijnen.

3. De rechtbank heeft de oproeping aanvankelijk aan het door eiser opgegeven adres [adres] gezonden. Op de nadere zitting van 30 maart 2017 is eiser echter niet verschenen. Van Gemert heeft op deze zitting aangegeven dat eiser inmiddels stond ingeschreven op het adres [adres] . Verweerder heeft de rechtbank er vervolgens op gewezen dat op het adres [adres] wederom een naamgenoot van Van Gemert woonachtig is en dat de [adres] bovendien op zeer korte afstand van het kantooradres van Van Gemert is gelegen. Verweerder heeft de geloofwaardigheid (en daarmee de goede trouw) van eiser en Van Gemert in twijfel getrokken.

4. Voorgaande informatie heeft de rechtbank aanleiding gegeven de Brp te controleren, en eiser nogmaals op te roepen, ditmaal op het adres [adres] , alwaar eiser inderdaad inmiddels per 14 oktober 2016 stond ingeschreven, om in persoon ter zitting te verschijnen. Het is de rechtbank daarbij tevens gebleken dat op het adres [adres] , zoals verweerder terecht had opgemerkt, inderdaad een mevrouw [naam] woonachtig was. Ook heeft de rechtbank kunnen vaststellen dat het kantooradres van Van Gemert zich op zeer korte afstand van het huidige woonadres van eiser bevind.

5. Op de nadere zitting van 29 juni 2017 is eiser in persoon verschenen. De rechtbank ziet dan ook niet langer aanleiding te twijfelen aan het bestaan van eiser. Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat aan de in artikel 6:5 van de Awb genoemde vereisten aan een beroepschrift is voldaan. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding meer te twijfelen aan de rechtsgeldigheid van de machtiging en zij gaat er dan ook vanuit dat Van Gemert in zoverre bevoegd was het beroep namens eiser in te stellen.

Misbruik van recht

6. De rechtbank ziet zich vervolgens, gelet op hetgeen door verweerder ter zitting is aangevoerd, voor de vraag gesteld of sprake is van misbruik van recht. Zij overweegt daartoe als volgt.

7. Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) eerder heeft overwogen (uitspraak van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129), kan ingevolge artikel 13, gelezen in verbinding met artikel 15, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen niet worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst, en bieden een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist, die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw.

8. Zoals de ABRvS eveneens eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van

18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:426), laat artikel 3, derde lid, van de Wob, ingevolge welke bepaling de indiener van een Wob-verzoek geen belang bij zijn verzoek hoeft te stellen, onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een Wob-verzoek met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel een ieder kennis kan nemen van overheidsinformatie. Nu misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

9. Hoewel in onderhavige zaak nog enkel in geschil is of verweerder in het bestreden besluit terecht heeft geoordeeld dat het gewicht van de zaak in bezwaar een wegingsfactor van 0,5 rechtvaardigt, zal de rechtbank het onderliggende materiële geschil in ogenschouw moeten nemen om te kunnen beoordelen of sprake is van misbruik van recht. Indien dit het geval is, dan zal die omstandigheid (ook) in onderhavige procedure tot niet-ontvankelijkheid leiden. Het onderliggende geschil, dat is aangevangen met een Wob-verzoek, en de thans bij de rechtbank gevoerde procedure om de vergoeding van de proceskosten, zijn in dat opzicht naar het oordeel van de rechtbank onlosmakelijk met elkaar verbonden.

10. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar de uitspraken van de ABRvS van (onder meer) 14 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3302/ 3303/ 3306), 7 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3225/ 3226/ 3227/ 3244) en 13 juli 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1947/ 1950/ 1957/ 1987), als volgt.

11. Van Gemert maakt veelvuldig gebruik van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, zoals hij ook in dit geval heeft gedaan. Deze machtiging vormt in dit geval, gezien de hierna vermelde omstandigheden, een aanwijzing voor misbruik van recht. Volgens deze machtiging is Van Gemert immers bevoegd om namens eiser bedragen aan te nemen ‘zoals vergoedingen voor proceskosten, griffierechten e.d., een en ander in de ruimste zin van het woord’. Dit maakt dat Van Gemert rechtstreeks gebaat is bij een veroordeling van het bestuursorgaan tot betaling van een proceskostenvergoeding aan eiser.

12. De rechtbank stelt vast dat Van Gemert als rechtsbijstandverlener grote aantallen procedures voert over (onder andere) verkeersboetes, het niet tijdig nemen van besluiten, dat hij veelvuldig informatieverzoeken doet met een beroep op de Wob en bestuursorganen veelvuldig in gebreke stelt vanwege het niet tijdig beslissen, om te bewerkstelligen dat verweerder een dwangsom betaalt. Bij de Wob-procedures wordt veelvuldig gebruik gemaakt van vrijwel identiek geformuleerde informatieverzoeken, zonder verder onderscheidend kenmerk, van zeer algemeen geformuleerde machtigingen, en van vaag geformuleerde (Wob-)verzoeken. Deze vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het doel waartoe zij beweerdelijk zijn ingediend en maakt de op de verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures.

13. Ook in onderhavig geval is sprake van een dergelijk vaag geformuleerd Wob-verzoek. Eiser heeft immers verzocht om alle documenten die verband houden met verweerders beslissingen om coffeeshops te sluiten in 2015, zonder nader toe te lichten wat voor documenten hij wilde ontvangen. Nadat verweerder op zijn verzoek had beslist, is door Van Gemert binnen een week een bezwaarschrift ingediend waarin eisers Wob-verzoek nader werd gespecificeerd. Dat eiser niet (zelf) contact heeft opgenomen met verweerder om uit te leggen op welke stukken zijn verzoek betrekking had, zonder daartoe meteen een bezwaarschrift in te dienen, is naar het oordeel van de rechtbank eveneens een aanwijzing voor misbruik van recht. Immers, als eiser met zijn Wob-verzoek daadwerkelijk de openbaarmaking van overheidsinformatie had beoogd, dan zou een dergelijke handelwijze (meer) voor de hand hebben gelegen. De ruime kennis en ervaring van Van Gemert met dergelijke procedures wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat het een bewuste keuze is geweest om, nadat het vaag geformuleerde Wob-verzoek niet naar tevredenheid was ingewilligd, terstond een bezwaarprocedure op te starten, zodat een proceskostenvergoeding in het verschiet zou liggen, die, gelet op de formulering van de machtiging waarvan Van Gemert gebruik maakt, aan Van Gemert zou worden uitbetaald. Ook het feit dat beide machtigingen in het dossier dateren van vóór de datum van het ingediende Wob-verzoek, wijst er naar het oordeel van de rechtbank op dat het een vooropgezet plan is geweest om een vaag geformuleerd Wob-verzoek te gebruiken om tot een bezwaar- en beroepsprocedure en uiteindelijk een proceskostenvergoeding te komen. De verklaring van Van Gemert ter zitting dat dit machtigingen zijn, die getekend zijn in andere procedures dan onderhavige, overtuigt de rechtbank niet.

14. Eiser is er bovendien niet in geslaagd de rechtbank te overtuigen van het feit dat het adres dat hij onder zijn Wob-verzoek en op de machtigingen heeft vermeld, daadwerkelijk zijn woonadres is geweest in de betreffende periode. Wel staat vast dat op het opgegeven adres, zo is de rechtbank gebleken, de zus van Van Gemert woonachtig was. Bovendien heeft eiser zich eerst in de Brp ingeschreven, nádat vragen over zijn identiteit gerezen zijn bij deze rechtbank. Het adres waarop hij zich vervolgens heeft ingeschreven, is gelegen in een complex waar wederom een zus van Van Gemert woont. Ter zitting is daarnaast nog gebleken dat het bedrijf van eiser, dat hij recent heeft opgericht, gevestigd is naast het kantoor van Van Gemert. Ten slotte wijst de rechtbank erop dat de combinatie [eiser] – Van Gemert niet alleen bij deze rechtbank, maar ook bij andere rechtbanken geen onbekende is in procedures als de onderhavige. De rechtbank wijst in dat kader nog op een uitspraak van deze rechtbank van 13 juni 2017, ECLI:NL:RBOBR:2017:3217, waarin eveneens geoordeeld is dat eiser en Van Gemert in het beroep konden worden ontvangen vanwege misbruik van recht. Voorgaande feiten en omstandigheden maken dat de rechtbank uitgaat van een zekere gelieerdheid tussen eiser en Van Gemert, die op zichzelf genomen onvoldoende zou zijn voor het aannemen van misbruik van recht, maar die op zijn minst, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, daarvoor een sterke aanwijzing vormt.

15. De rechtbank oordeelt dat uit alle hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, volgt dat eiser de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw. Hij heeft misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt evenzeer voor het gebruik van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nadat alsnog in voor eiser positieve zin was beslist, teneinde een hogere proceskostenvergoeding te verkrijgen. Zoals de rechtbank hiervoor onder 9 reeds heeft overwogen, kan deze procedure immers niet los worden gezien van het doel waarvoor hij de Wob heeft gebruikt, danwel misbruikt. Hetgeen eiser ter zitting nog heeft aangevoerd over de websites waarop hij de verzochte informatie publiceert, doet geen afbreuk aan hetgeen hiervoor is overwogen, nu dit de feiten en omstandigheden die aanwijzingen voor misbruik van recht opleveren niet anders maakt.

16. De rechtbank is van oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is, nu sprake is van misbruik van recht.

17. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, rechter, in aanwezigheid

J.F. Gommers, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.