Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3642

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-07-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
01/192240-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Voor beschadiging van een auto [slaan met een hamer tegen de auto] wordt verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie dagen. De gebruikte hamer wordt verbeurd verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Locatie 's-Hertogenbosch

Team

strafrecht

Parketnummer: 01/192240-16

Datum uitspraak: 7 juli 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[Verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [Eindhoven] , [adres]

thans uit anderen hoofde

gedetineerd in de P.I. Vught, Nieuw Vosseveld 2 HvB Regulier.

Dit vonnis is op tegenspraak

gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht

.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 22 mei 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 18 september 2016 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte

op 18 september 2016 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [kenteken] ), geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft beschadigd.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs.

Uit de beschikbare bewijsmiddelen volgt dat zowel aangever als getuige [getuige] verklaren dat verdachte de in de tenlastelegging omschreven personenauto heeft beschadigd door met een hamer er tegen aan te slaan. De door de aangever omschreven schade aan voornoemd personenauto is kort na het incident ook waargenomen door verbalisant [verbalisant] . Verdachte heeft bij de politie, maar ook ter terechtzitting verklaard dat hij met een hamer in de richting van voornoemd personenauto is gelopen, maar hiermee niet te hebben geslagen. De enkele ontkennende verklaring van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank – gegeven de beschikbare belastende bewijsmiddelen – van onvoldoende gewicht om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van de aangever, de getuige alsmede aan de bevindingen van de verbalisant.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en bijkomende straf.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd om aan verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 1 week met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende ten nadele van verdachte in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan beschadiging van een personenauto. Door aldus te handelen heeft verdachte er blijk van gegeven van een gebrek aan respect voor het andermans eigendom en daarmee schade en overlast veroorzaakt. De rechtbank rekent het de verdachte bovendien aan dat hij het bewezenverklaarde na een verkeersconflict heeft begaan tegen zijn medeweggebruiker.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte in Nederland niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat – gelet op de aard en ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit heeft plaatsgevonden – een gevangenisstraf een passende strafmodaliteit. Ter zake van het bewezenverklaarde feit heeft verdachte drie dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Alles afwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van drie dagen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht passend en geboden.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat – zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit een voorwerp is met behulp van welke het feit is begaan en dit voorwerp ten tijde van het begaan van het feit aan verdachte toebehoorde.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 33, 33a en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straf en bijkomende straf:

- een gevangenisstraf voor de duur van 3 dagen met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- verbeurdverklaring van de inbeslaggenomen goederen, te weten een hamer (goednummer PL2100-2016208835-1067328).

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. E.C.P.M. Valckx leden,

in tegenwoordigheid van Ş. Altun, griffier,

en is uitgesproken op 7 juli 2017.