Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3545

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-06-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
17_334
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De rechtbank overweegt ambtshalve dat verweerder niet heeft onderkend dat op 1 januari 2017 de wijziging Boetebesluit socialezekerheidswetten (Staatsblad 2016, 342) van 19 september 2016 in werking is getreden. Op grond hiervan is per 1 januari 2017 de verplichting een vastgestelde boete naar boven af te ronden op een veelvoud van € 10,00, vervallen. Ook bij verandering van wetgeving nadat de overtreding is begaan moeten de voor de overtreder meest gunstige bepalingen worden toegepast. In het Besluit van 19 september 2016 is niet voorzien in overgangsrecht. De wijziging heeft dus onmiddellijke werking. Nu het bestreden besluit is genomen na 1 januari 2017 heeft verweerder het bedrag van de boete ten onrechte naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,00. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het bedrag van de boete naar boven is afgerond op € 900,00. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een boete opleggen van € 891,86. De rechtbank acht een zodanige boete in dit geval evenredig, passend en geboden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/334

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedag] 1967, eiser, en

[eiseres] , geboren op [geboortedag] 1971, eiseres
woonachtig te [woonplaats] ,

tezamen aan te duiden als: eisers

(gemachtigde: mr. S.J.L.M. van den Reek),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, verweerder

(gemachtigde: mr. D. Slegers).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan eisers een bestuurlijke boete opgelegd ter hoogte van € 1.350,00.


Bij besluit van 10 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder – conform het advies van de bezwaarschriftencommissie – het bezwaar van eisers gegrond verklaard, het primaire besluit (gedeeltelijk) herroepen en de boete verlaagd tot een bedrag van € 900,00.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eisers zijn niet verschenen, maar vertegenwoordigd door hun gemachtigde. Verweerder is verschenen bij gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1.

Eisers ontvangen een uitkering ingevolge de Participatiewet (Pw) naar de norm voor gehuwden, met toepassing van de kostendelersnorm in verband met de inwoning van een meerderjarig kind.

1.2.

Bij besluit van 21 november 2013 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers herzien over de maanden mei en juni 2013. Eiser heeft volgens verweerder de inlichtingenplicht geschonden omdat hij in die periode werkzaamheden heeft verricht zonder daarvan opgave te doen aan verweerder. Hierdoor hebben eisers teveel uitkering ontvangen, namelijk € 89,25. Dit bedrag is van eisers teruggevorderd. Voort is aan eisers in dit verband bij besluit van 23 januari 2014 een bestuurlijke boete opgelegd van € 150,00. Dit bedrag is in mindering gebracht op de uitkering van eisers.

1.3.

Bij besluit van 14 juni 2016 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eisers herzien voor de maand december 2015 omdat eisers in die maand van hun (schoon)vader een bedrag van € 2.750,00 hadden ontvangen zonder hiervan melding te maken aan verweerder. Daarmee hebben eisers de inlichtingenplicht geschonden. De teveel verleende bijstand is tot een bedrag van € 1.191,82 bij dit besluit teruggevorderd van eisers.

2. Bij het bestreden besluit is verweerder voor de bepaling van de hoogte van de boete uitgegaan van 100% van het benadelingsbedrag in verband met gewone verwijtbaarheid, vermeerderd met 50% vanwege recidive, ofwel € 1.787,73. De boete bedraagt 50% van dat bedrag, ofwel € 891,86. Dit bedrag is afgerond naar boven op € 900,00. Verweerder is voorts uitgegaan van een fictieve draagkracht van eisers van 10% van de toepasselijke bijstandsnorm, hetgeen in het geval van eisers neerkomt op € 120,98 per maand. Omdat de termijn waarbinnen de boete moet worden kunnen afgelost maximaal twee jaar bedraagt bij “normale verwijtbaarheid”, bestaat geen aanleiding de boete te matigen. De draagkracht van eisers is voldoende om de boete binnen 8 maanden af te lossen.

3. Eisers hebben in beroep, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 25 oktober 2016 (ECLI:NL:RBGEL:2016:6170), gesteld dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de factoren die de beslagvrije voet verhogen. Verweerder heeft aldus niet onderkend dat eisers geen afloscapaciteit hebben. De boete had moeten worden gematigd tot nihil wegens het ontbreken van financiële draagkracht.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1.

Niet in geschil is dat eisers de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw, hebben geschonden als gevolg waarvan zij tot een te hoog bedrag aan bijstand hebben ontvangen. Ook is niet in geschil dat sprake is van recidive als bedoeld in artikel 18a, vijfde lid. Aldus is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 18a, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 18a, eerste lid, van de Pw.

4.2.

Verweerder was dus gehouden eisers een bestuurlijke boete op te leggen.

4.3.

Blijkens de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1816) moet in het kader van de vaststelling van de hoogte van de bestuurlijke boete voor de bepaling van de fictieve (minimum) draagkracht bij personen met een inkomen op bijstandsniveau in beginsel steeds 10% van de toepasselijke bijstandsnorm worden aangehouden. Zou dat principe worden verlaten dan zou dat er in veel gevallen toe leiden dat in het geheel geen boete meer zou kunnen worden opgelegd of vastgesteld. Een dergelijke verstrekkende consequentie acht de CRvB in strijd met de tekst en strekking van artikel 18a van de Pw en het Boetebesluit socialezekerheidswetten. Daarbij is van belang dat de draagkracht slechts één van de in aanmerking te nemen factoren is die tot (verdere) matiging van een evenredig vast te stellen boete kunnen leiden, dat daarbij uit een oogpunt van praktische en eenvormige rechtstoepassing enigszins wordt geabstraheerd van individuele situaties en voorts dat een betrokkene kan verzoeken een betalingsregeling te treffen, waarbij rekening wordt gehouden met diens financiële draagkracht.

4.4.

Uit deze uitspraak blijkt – en dit is tussen partijen blijkens het verhandelde ter zitting ook niet meer in geschil – dat de grief van eisers faalt.

5. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt.

5.1.

Blijkens de artikelen 5:46, tweede en vierde lid, 8:69 en 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in samenhang, moet de rechtbank een boete vernietigen indien sprake is van feiten die het oordeel rechtvaardigen dat die boete ten onrechte is opgelegd. Het is dan aan de rechtbank om met inachtneming van de op dat moment voor hem aannemelijk geworden feiten opnieuw in de zaak te voorzien. Indien het opleggen van een boete onverminderd geboden is, zal de rechtbank de boete vaststellen op het bedrag dat naar haar oordeel wel passend is. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de CRvB van 11 december 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:4214), rechtsoverweging 7.2.

5.2.

Ter zitting heeft verweerders gemachtigde er op gewezen dat de bestreden boete overeenkomstig artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals dit artikel luidde tot 1 januari 2017, naar boven is afgerond op een veelvoud van € 10,00. Verweerder heeft bij het bestreden besluit echter niet onderkend dat op 1 januari 2017 het Besluit van 19 september 2016, houdende wijziging van het Boetebesluit socialezekerheidswetten in verband met de mogelijkheid van een waarschuwing en een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (Staatsblad 2016, 342), in werking is getreden. Op grond van artikel I, aanhef en onder A, van dit besluit is per 1 januari 2017 de verplichting, een vastgestelde boete naar boven af te ronden op een veelvoud van € 10,00, vervallen. Verweerder heeft de rechtbank verzocht de boete vast te stellen op een bedrag van € 891,86.

5.3.

Eisers gemachtigde heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

5.4.

Ingevolge artikel 5:46, eerste en vierde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, moeten ook bij verandering van wetgeving nadat de overtreding is begaan de voor de overtreder meest gunstige bepalingen worden toegepast.

5.5.

In het Besluit van 19 september 2016 is niet voorzien in overgangsrecht. De wijziging van artikel 2, tweede lid, van het Boetebesluit socialezekerheidswetten heeft dus onmiddellijke werking.

5.6.

Nu het bestreden besluit is genomen na 1 januari 2017 heeft verweerder het bedrag van de boete ten onrechte naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,00.

5.7.

De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen voor zover het bedrag van de boete naar boven is afgerond op € 900,00. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72a van de Awb een boete opleggen van € 891,86. De rechtbank acht een zodanige boete in dit geval evenredig, passend en geboden.

5.8.

Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). De rechtbank bepaalt voorts dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht vergoedt.

6. Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De rechtbank

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de boete is vastgesteld op € 900,00;

  • -

    legt eisers een boete op van € 891,86 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten in beroep tot een bedrag van € 990,-;

  • -

    bepaalt dat verweerder aan eisers het betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. C.T.C. Wijsman en mr. J.J. Janssen, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.