Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3531

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
16_2908
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Sluiting woning woningstichting op grond van artikel 13b van de Opiumwet. De woningstichting heeft voldoende gemotiveerd gesteld dat de in de Beleidsregels voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b van de Opiumwet 2015 vermelde doelen in dit concrete geval zijn verwezenlijkt en sluiting van de woning in dit geval geen toegevoegde waarde meer heeft. De woningstichting heeft haar zogenoemde zero tolerancebeleid toegepast, waarbij:

- de huurovereenkomst is beëindigd;

- de huurder is vertrokken en de sleutels zijn ingeleverd;

- de woning leeg en ontruimd is;

- de huurder op de sanctie- en kansenlijst is geplaatst; en

- de indruk dat de hennepkwekerij nog steeds zou bestaan, wordt voorkomen.

Ook heeft de woningstichting vijf informanten meegenomen naar de zitting om verklaringen af te leggen over hun ervaringen met het bestaan van een “loop” bij henneppanden en de risico’s voor toekomstige bewoners van een henneppand. Vier van hen zijn politieagent in de regio met meer dan tien jaar ervaring. Zij hebben allemaal verklaard in hun werk nooit te hebben meegemaakt dat nieuwe huurders van een woning waarin eerder een hennepkwekerij was aangetroffen, meldingen deden van overlast die gerelateerd was aan die ontmantelde hennepkwekerij. X, wijkagent in Eindhoven-Zuid met 35 jaar ervaring, heeft meer specifiek ook nog verklaard dat hij geen extra aanloop van drugsgerelateerde personen ziet bij woningen waar een hennepkwekerij is aangetroffen en dat er op het moment dat er een nieuwe huurder in het pand komt, net zo veel risico bestaat als bij elk ander pand. Ook heeft hij verklaard dat de buurt heel snel weet dat de kwekerij weg is; er is de hele dag bedrijvigheid bij de ontmanteling van een kwekerij.

Het standpunt van de burgemeester dat bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs een verstoring van de openbare orde mag worden verondersteld en hij bevoegd is om een woning te sluiten, is op zichzelf juist. Als echter wordt gesteld en onderbouwd dat sluiting van een woning in een concreet geval geen toegevoegde waarde meer heeft omdat de met de Beleidsregel te dienen doelen al zijn verwezenlijkt zoals hier aan de orde, zal de burgemeester nader moeten onderbouwen waarom in dit concrete geval die doelen nog niet zijn verwezenlijkt en sluiting toch is aangewezen. Motiveringsgebrek in het bestreden besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2908

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

Stichting Woonbedrijf, te Eindhoven, eiseres

(gemachtigden: mr. M.E.W.M. Pals - Reiniers en mr. B. Poort),

en

de burgemeester van de gemeente Geldrop - Mierlo, de burgemeester

(gemachtigden: mr. M.P.H. Gofers en B.A. Brugman).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft de burgemeester gelast dat de woning, de bijbehorende schuur en het bijbehorende erf aan de [de woning] (de woning) voor de duur van drie maanden wordt gesloten, met ingang van 8 augustus 2016 tot 8 november 2016.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit op grond van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) rechtstreeks beroep ingesteld.

De burgemeester heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek op de zitting van de enkelvoudige kamer van deze rechtbank heeft plaatsgevonden op 13 januari 2017, waar namens eiseres is verschenen [persoon] , bijgestaan door haar gemachtigden. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Hierna heeft de rechtbank de zaak heropend en verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De burgemeester heeft een nader verweerschrift ingediend.

De zaak is, samen met de zaken die geregistreerd zijn onder de nummers SHE 16/2774, SHE 16/2838 en SHE 16/2775, gevoegd behandeld op de zitting van 6 april 2017, waar namens eiseres zijn verschenen [personen] , bijgestaan door de gemachtigden van eiseres. De burgemeester heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Ook zijn op de zitting gehoord als informant/getuige [personen] (allen werkzaam bij de politie Oost-Brabant) en [persoon] (werkzaam bij de gemeente Eindhoven).

De zaken zijn voor de uitspraken weer gesplitst.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiseres is een woningcorporatie en eigenaar/verhuurder van de woning.

Op 29 maart 2016 heeft de politie Oost-Brabant in de woning een hennepkwekerij met 294 hennepplanten aangetroffen. De politie heeft naar aanleiding hiervan een bestuurlijke rapportage opgesteld.

Vervolgens heeft de burgemeester op 4 april 2016 aan zowel de toenmalige bewoners als aan eiseres het voornemen kenbaar gemaakt om de woning te sluiten. Eiseres heeft op 15 april 2016 haar zienswijze ingediend.

Eiseres heeft de verhuur van de woning met ingang van 18 april 2016 beëindigd.

Tijdens de hier aan de orde zijnde beroepsprocedure heeft eiseres een verzoek om voorlopige voorziening ingediend bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank. Het verzoek is afgewezen bij uitspraak van 31 oktober 2016 (SHE 16/2871, niet gepubliceerd).

De woning is gesloten geweest van 8 augustus 2016 tot en met 8 november 2016.

2. In het bestreden besluit heeft de burgemeester zich, onder verwijzing naar de Beleidsregel voor de bestuurlijke handhaving van artikel 13b van de Opiumwet 2015 (de Beleidsregel), op het standpunt gesteld dat hij bevoegd was tot sluiting van de woning. Dat eiseres een woningcorporatie is die naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij de huurovereenkomst met de toenmalige bewoners heeft ontbonden en de bewoners op een zogenoemde sanctie- en kansenlijst heeft geplaatst, maakt niet dat de burgemeester niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken. Volgens de burgemeester kunnen de door eiseres aangevoerde omstandigheden niet worden aangemerkt als dermate bijzonder dat van de Beleidsregel zou moeten worden afgeweken en de woning niet gesloten zou moeten worden. De burgemeester heeft er daarbij op gewezen dat hij de noodzaak om herhaling van de verstoring van de openbare orde te voorkomen, mag laten meewegen en dat hij er rekening mee mag houden dat er nog enige tijd aanloop vanuit het drugscircuit blijft bestaan. Ook heeft de burgemeester de belangen van toekomstige huurders in zijn afweging betrokken. Volgens de burgemeester kan het niet of alleen voor een korte tijd onttrekken van een pand aan het drugscircuit (de loop eruit halen) leiden tot risico’s voor de volgende bewoners van het pand.

3. Eiseres heeft aangevoerd dat de burgemeester ten onrechte gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om de woning te sluiten. Sluiting van de woning had op het moment van sluiting niet meer het karakter van een herstelsanctie in de zin van artikel 5:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, maar van een punitieve sanctie. Eiseres heeft naar aanleiding van het aantreffen van de hennepkwekerij in de woning haar zogenoemde zero tolerancebeleid toegepast. De overtreding was beëindigd, herhaling van de overtreding werd voorkomen en de gevolgen van die overtreding werden weggenomen of beperkt. Toepassing van dit zero tolerancebeleid heeft er volgens eiseres toe geleid dat:

- de huurovereenkomst al is beëindigd;

- de huurder is vertrokken en de sleutels zijn ingeleverd;

- de woning leeg en ontruimd is;

- de huurder op de sanctie- en kansenlijst is geplaatst; en

- de indruk dat de hennepkwekerij nog steeds zou bestaan, wordt voorkomen.

Sluiting van de woning had volgens eiseres daarom geen toegevoegde waarde meer. De doelen die in de Beleidsregel worden genoemd, zijn in dit geval al verwezenlijkt. Eiseres heeft betwist dat de “loop” uit het pand moet worden gehaald en dat er een risico zou zijn voor toekomstige bewoners van de woning. Volgens eiseres is bij henneppanden geen sprake van een “loop”, omdat die activiteiten juist in het grootste geheim plaatsvinden. Handel vindt daar niet plaats en er is dus geen aantrekkingskracht op handelaren en gebruikers. De burgemeester heeft onvoldoende gemotiveerd dat de risico’s voor toekomstige bewoners daadwerkelijk bestaan en dat de doelen van de Beleidsregel nog niet zijn verwezenlijkt.

De sluiting heeft volgens eiseres nadelige gevolgen die onevenredig zijn ten opzichte van het doel van die sluiting, waarbij mede van belang is dat de vervulling van de wettelijke taakstelling van eiseres als woningcorporatie bij de huisvesting van statushouders en urgente woningzoekenden ernstig wordt bemoeilijkt.

4. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat de burgemeester de bevoegdheid heeft om op grond van artikel 13b van de Opiumwet de woning te sluiten. Ook zijn partijen het erover eens dat als de doelen van de Beleidsregel al zijn verwezenlijkt, sluiting van de woning geen doel meer dient en dus achterwege moet worden gelaten. Waar partijen het niet over eens zijn, is of de doelen van de Beleidsregel zijn verwezenlijkt en dus of de burgemeester in dit geval gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om de woning te sluiten.

4.1

In de Beleidsregel is vermeld dat doel van de Beleidsregel is:

- te realiseren dat geconstateerde overtredingen van artikel 13b van de Opiumwet opgevolgd worden door een reactie die qua intensiteit zo goed mogelijk aansluit bij de aard en de ernst van de overtreding (proportionaliteit en subsidiariteit);

- te bewerkstelligen dat er door de gekozen maatregel een einde komt aan de verboden situatie;

- te bewerkstelligen dat door de gekozen maatregel het drugspand uit het drugscircuit wordt verwijderd, de loop uit het drugspand te halen en de bekendheid als verkooppunt te verminderen;

- te bewerkstelligen dat herhaling van de overtreding wordt voorkomen;

- door het treffen van de gekozen maatregel de negatieve effecten van handel in en het gebruik van drugs zoveel mogelijk te beheersen;

- kenbaar te maken aan de burger welke maatregelen hij van de overheid kan verwachten na een overtreding van artikel 13b Opiumwet;

- de handhavingsactiviteiten van politie, openbaar ministerie en gemeente op elkaar af te stemmen en complementair te laten zijn.

4.2

Uit wat hiervoor onder overweging 2 is vermeld en uit wat op de zitting is besproken, blijkt dat volgens de burgemeester in dit geval de in de Beleidsregel omschreven doelen nog niet allemaal zijn verwezenlijkt, omdat niet valt uit te sluiten dat de woning nog een rol speelt in het criminele circuit en dat er nog sprake kan zijn van een “loop”, overlast, aantasting van de openbare orde of een risico voor nieuwe bewoners van de woning. Daarbij heeft de burgemeester gesteld dat in algemene zin kennis van de aanwezigheid van een drugspand bij drugs gebruikende en in drugs handelende personen aangenomen mag worden. Daarom is een sluiting nodig. Een verstoring van de openbare orde door drugshandel hoeft door de burgemeester niet aangetoond te worden. Uit de parlementaire geschiedenis en de jurisprudentie blijkt dat bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs mag worden verondersteld dat de bescherming van de openbare orde in het geding is.

4.3

Het standpunt van de burgemeester dat bij de aanwezigheid van een handelshoeveelheid drugs een verstoring van de openbare orde mag worden verondersteld en hij bevoegd is om een woning te sluiten, is op zichzelf juist. Als echter wordt gesteld en onderbouwd dat sluiting van een woning in een concreet geval geen toegevoegde waarde meer heeft omdat de met de Beleidsregel te dienen doelen al zijn verwezenlijkt en de burgemeester het hier niet mee eens is, zal de burgemeester nader moeten onderbouwen waarom in dit concrete geval die doelen nog niet zijn verwezenlijkt en sluiting toch is aangewezen. Partijen zijn het er immers over eens dat als de doelen van de Beleidsregel wel zijn verwezenlijkt, sluiting niet meer aan de orde is.

4.4

Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat de algemeen geformuleerde redenen om tot sluiting over te gaan, in dit geval aan de orde zijn. Zij heeft gewezen op de maatregelen die zij heeft getroffen, waardoor volgens haar de doelen van de Beleidsregel al zijn verwezenlijkt.

Als onderbouwing van haar betoog dat die doelen al zijn verwezenlijkt, heeft eiseres naast wat zij in haar schriftelijke stukken uitvoerig heeft uiteengezet, vijf informanten meegenomen naar de zitting om verklaringen af te leggen over hun ervaringen met het bestaan van een “loop” bij henneppanden en de risico’s voor toekomstige bewoners van een henneppand. Vier van hen zijn politieagent in de regio met meer dan tien jaar ervaring. Zij hebben allemaal verklaard in hun werk nooit te hebben meegemaakt dat nieuwe huurders van een woning waarin eerder een hennepkwekerij was aangetroffen, meldingen deden van overlast die gerelateerd was aan die ontmantelde hennepkwekerij. [wijkagent] , wijkagent in Eindhoven-Zuid met 35 jaar ervaring, heeft meer specifiek ook nog verklaard dat hij geen extra aanloop van drugsgerelateerde personen ziet bij woningen waar een hennepkwekerij is aangetroffen en dat er op het moment dat er een nieuwe huurder in het pand komt, net zo veel risico bestaat als bij elk ander pand. Ook heeft hij verklaard dat de buurt heel snel weet dat de kwekerij weg is; er is de hele dag bedrijvigheid bij de ontmanteling van een kwekerij.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres hiermee voldoende gemotiveerd gesteld dat de in de Beleidsregels vermelde doelen in dit concrete geval zijn verwezenlijkt. De burgemeester had in het bestreden besluit nader moeten onderbouwen dat in dit concrete geval de doelen van de Beleidsregel nog niet zijn verwezenlijkt. De burgemeester heeft op de zitting nog gesteld dat het doel van de Beleidsregel dat aan de burger kenbaar wordt gemaakt welke reactie hij van de overheid kan verwachten bij overtreding van artikel 13b van de Opiumwet, niet wordt verwezenlijkt zonder sluiting. De rechtbank is echter van oordeel dat dit doel is gericht op generale preventie van overtredingen en niet zozeer op herstel in het concrete geval. De sluiting kan niet alleen op dat doel worden gebaseerd omdat zij dan een punitief karakter zou krijgen. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN6187) waarin is overwogen dat de toepassing van bestuursdwang er in een geval als daar aan de orde slechts toe mag strekken overtredingen van de Opiumwet zoals door de burgemeester geconstateerd op grond van artikel 13b, eerste lid, van deze wet te beëindigen en te voorkomen. Een verdergaande uitoefening van deze bevoegdheid zou tot gevolg hebben dat de sanctie niet enkel meer het karakter van herstelmaatregel heeft maar een leedtoevoegend karakter krijgt.

4.6

De burgemeester heeft dus onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting van de woning aangewezen is, gelet op de gemotiveerde stelling van eiseres dat sluiting van de woning geen toegevoegde waarde meer heeft, omdat met de door haar getroffen maatregelen de doelen van de Beleidsregel al zijn verwezenlijkt en sluiting van de woning daardoor een punitief karakter krijgt. De beroepsgrond slaagt.

5. Het beroep is reeds hierom gegrond. De overige beroepsgronden worden daarom niet besproken. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien. De burgemeester zal een nieuw besluit moeten nemen, waarin hij motiveert of de doelen van de Beleidsregel in dit concrete geval zijn verwezenlijkt of niet. Meer concreet zal de burgemeester daarbij moeten motiveren waarom volgens hem sprake is van een “loop” vanuit het criminele circuit en dat risico’s bestaan voor toekomstige bewoners, gelet op de verklaringen van de informanten op de zitting.

6. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat de burgemeester aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

7. De rechtbank veroordeelt de burgemeester tot betaling aan eiseres van de door haar gemaakte proceskosten. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), zodat zij de samenhangende zaken van eiseres, geregistreerd onder de nummers SHE 16/2908, SHE 16/2774, SHE 16/2838 en SHE 16/2775, als één zaak ziet. De proceskosten stelt zij op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.227,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen op de zitting van 13 januari 2017, 0,5 punt voor de schriftelijke uiteenzetting na heropening van het onderzoek, 0,5 punt voor het verschijnen op de nadere zitting van 6 april 2017 met een waarde per punt van € 495,– en, gelet op het bepaalde in de bijlage bij het Bpb, onder C2, een wegingsfactor 1,5). Het totaal door de burgemeester te vergoeden bedrag van € 2.227,50 wordt gelijkelijk verdeeld over deze vier zaken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,– aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 2.227,50, gelijkelijk te verdelen over de zaken SHE 16/2908, SHE 16/2774, SHE 16/2838 en SHE 16/2775 en te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski-Kelders, voorzitter, en
mr. J. Lie en mr. M.J.H.M. Verhoeven, leden, in aanwezigheid van mr. E.C.J. Kohl, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

De griffier is verhinderd de voorzitter

uitspraak te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.