Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:350

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
25-01-2017
Datum publicatie
25-01-2017
Zaaknummer
01/879372-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor poging tot doodslag, diefstal en diefstal met geweld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van voorarrest. De rechtbank gelast dat verdachte ter beschikking wordt gesteld met bevel tot verpleging.

De rechtbank veroordeelt verdachte tevens tot het betalen van een schadevergoeding aan het slachtoffer van ruim 58000 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/879372-16
V.I. zaaknummer: 99/000320-24

Datum uitspraak: 25 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,

thans gedetineerd te: [verblijfadres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 juli 2016, 28 september 2016, 7 december 2016 en 11 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 2 juni 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 28 september 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 21 februari 2016 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet,

- meermalen, althans eenmaal met een mes, althans een scherp en/of puntig

voorwerp, in de nek/hals, althans het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en/of

- meermalen, althans eenmaal, met een klauwhamer, althans met een (hard) voorwerp op/tegen het (achter)hoofd/gezicht en/of lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2. hij op of omstreeks 21 februari 2016 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk en (al dan niet) met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet,

- de woning van die [slachtoffer] ( [woonadres] ) 7 - 8, althans meerdere uren na de geweldspleging jegens deze [slachtoffer] (opnieuw) is binnen gegaan, alwaar deze [slachtoffer] zwaar gewond, bebloed en/of buiten bewustzijn op de grond lag en/of

- ( vervolgens) heeft waargenomen dat deze [slachtoffer] in deze deplorabele toestand nog ademde en/of - (vervolgens) de woning opnieuw heeft verlaten en aldus die [slachtoffer] (adequate en/of tijdige) (medische) hulp heeft onthouden en/of in hulpeloze toestand heeft achter gelaten en/of onvoldoende zorg voor heeft gedragen dat die [slachtoffer] (adequate en/of tijdige) (medische) hulp ontving en/of onderging

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

art 287, 289 Wetboek van Strafrecht

art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht

3. hij op een of meer tijdstippen op of omstreeks 21 februari 2016 te Helmond in/uit een woning gelegen aan de [woonadres] en/of op een voor nachtrust bestemd tijdstip met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een (gouden) ketting en/of sieraden, in elk geval enig goed geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte: - de (gouden) ketting van de nek/hals van die [slachtoffer] heeft getrokken terwijl die [slachtoffer] zwaargewond en/of buiten bewustzijn op de grond lag en/of

- de sieraden, in elk geval enig goed, heeft gepakt terwijl die [slachtoffer] zwaargewond en/of buiten bewustzijn op de grond lag;

art 312 lid 1, lid 2 sub 1° Wetboek van Strafrecht

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

De zaak met v.i. zaaknummer 99/000320-24 is aangebracht bij schriftelijke vordering van 5 april 2016.

Deze vordering heeft betrekking op de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van 487 dagen gevangenisstraf van de gevangenisstraf van vier jaren, opgelegd bij vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van [geboortedatum] 2013.

De veroordeelde is - volgens de schriftelijke vordering: per 10 november 2015, volgens de officier van justitie ter terechtzitting: per 11 november 2015 - voorwaardelijke invrijheidstelling verleend onder onder meer de (algemene) voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De ingangsdatum van de voorwaardelijke invrijheidstelling is daarna - als gevolg van de executie van een andere gevangenisstraf - uitgesteld met drie maanden, derhalve tot 10 of 11 februari 2016.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 1.

Inleiding. 1

Verdachte2 heeft ter zitting verklaard dat hij in de nacht van 21 februari 2016 in de woning van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) te Helmond ruzie heeft gekregen met die [slachtoffer] . Verdachte heeft erkend dat hij toen en daar vervolgens [slachtoffer] meermalen met een mes in de nek/hals heeft gestoken en/of gesneden en dat hij [slachtoffer] daarna meermalen met een klauwhamer op/tegen het hoofd heeft geslagen. Daarna heeft verdachte de woning verlaten.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag. Alleen al uit de uitvoeringshandelingen blijkt het opzet van verdachte op het van het leven beroven van [slachtoffer] .

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Conclusie van de rechtbank.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte als onder “inleiding” verwoord3, het proces-verbaal van bevindingen van de politie betreffende het aantreffen van [slachtoffer]4 alsmede het omschreven letsel5 van [slachtoffer] acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Wellicht ten overvloede merkt de rechtbank op dat het, gelet op de aard van de door verdachte verrichte handelingen voor de rechtbank vast staat dat verdachte het opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Daarnaast heeft verdachte zelf ook verklaard dat hij zowel bij het steken als bij het slaan met de hamer de intentie had om [slachtoffer] van het leven te beroven.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 2.

Inleiding.

Zoals hiervoor overwogen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de nacht van 21 februari 2016 heeft gepoogd om [slachtoffer] , in diens woning van het leven te beroven door hem met een mes in de nek/hals te steken/snijden en met een klauwhamer op/tegen het hoofd te slaan.

Na het plegen van dit feit heeft verdachte de woning van [slachtoffer] verlaten.

Op een later tijdstip, in de loop van de ochtend van 21 februari 2016, is verdachte naar de woning van [slachtoffer] teruggekeerd. Daar aangekomen constateerde verdachte, waar hij aanvankelijk dacht dat [slachtoffer] zou zijn overleden ten gevolge van het door hem toegepaste geweld, dat [slachtoffer] nog ademde.

Vervolgens heeft verdachte een gouden ketting van de hals van [slachtoffer] getrokken en andere sieraden van [slachtoffer] gestolen en heeft hij opnieuw de woning van [slachtoffer] verlaten6.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot moord.

Verdachte heeft nagelaten om in te grijpen en hulp in te roepen voor de levensgevaarlijk gewonde [slachtoffer] en daardoor is sprake van een strafbaar begin van uitvoering van moord. In de onderhavige zaak was hulp niet aanstaande en waren de verwondingen zeer ernstig, zodat zonder meer sprake was van een deugdelijke poging.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft primair aangevoerd dat verdachte heeft voldaan aan hetgeen feitelijk in de tenlastelegging is verwoord, maar dat dit niet te kwalificeren is als een “poging tot moord”, zodat verdachte van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beoordeling van de vraag of het onder 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard stelt de rechtbank voorop dat bij gebrek aan aanknopingspunten om daaraan te twijfelen zij uitgaat van de juistheid van de verklaring van verdachte dat hij bij zijn vertrek uit de woning van [slachtoffer] eerder die dag, na het incident zoals onder 1 aan verdachte tenlastegelegd, in de veronderstelling verkeerde dat [slachtoffer] was overleden en dat hij pas na terugkeer naar de woning in de ochtend bemerkte dat [slachtoffer] nog in leven was.

Wat verdachte onder 2 wordt verweten komt erop neer dat hij, na terugkeer naar de woning van [slachtoffer] , passief is gebleven, terwijl van hem werd gevergd dat hij actief had opgetreden door [slachtoffer] hulp te bieden en/of hulp van derden in te roepen.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of dit moreel verwerpelijke gedrag van verdachte ook het ten laste gelegde feit oplevert. Het passief blijven van verdachte kan slechts dan als poging tot moord of doodslag worden aangemerkt wanneer er van de zijde van verdachte een plicht bestond tot ingrijpen.

Een plicht tot ingrijpen kan onder meer bestaan als de verdachte in een bijzondere rechtsrelatie staat tot het slachtoffer, zoals bijvoorbeeld de relatie tussen echtgenoten onderling of tussen een ouder en zijn minderjarig kind. De rechtbank verwijst daarbij ook naar het bepaalde in artikel 255 van het Wetboek van Strafrecht. Dat in dit geval sprake was van een dergelijke bijzondere rechtsrelatie tussen verdachte en [slachtoffer] is niet gesteld en ook overigens niet aan de rechtbank gebleken.

De officier van justitie heeft betoogd dat ondanks het ontbreken van een bijzondere rechtsrelatie op verdachte in dit geval toch een plicht tot ingrijpen rustte. De officier van justitie heeft er daarbij op gewezen dat door handelingen van verdachte zelf eerder die dag [slachtoffer] in een deplorabele toestand is gebracht en heeft voorts verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 12 december 2000, ECLI:NL:HR:2000, AA8966.

Naar het oordeel van de rechtbank is echter geen sprake van een situatie die vergelijkbaar is aan de situatie als aan de orde in het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad. Een verschil is dat in dit geval, anders dan in de door de Hoge Raad beoordeelde zaak, geen sprake is van een voltooid delict, maar van een poging. Om een strafbare poging te kunnen aannemen dient sprake te zijn van een - van de onder 1 bewezenverklaarde poging te onderscheiden - begin van uitvoering. Daaraan ontbreekt het in dit geval. Verdachte heeft immers niets meer of anders gedaan dan hij reeds had gedaan toen hij de eerste keer de woning verliet, te weten het slachtoffer in een deplorabele toestand achterlaten. Het enige nieuwe element is dat verdachte na zijn terugkeer bemerkte dat [slachtoffer] , anders dan hij eerder dacht, nog in leven was. Dit enkele verschil in wetenschap bij verdachte maakt echter niet dat van een (nieuw) begin van uitvoering kan worden gesproken. Dit is ook wezenlijk anders dan de in de door de Hoge Raad beoordeelde zaak. In die laatste zaak werd het slachtoffer nadat hij eerder door de verdachte in een deplorabele toestand was gebracht, vervolgens aangevallen door een derde persoon. Tegen die aanval van die derde persoon had de verdachte in die zaak het slachtoffer moeten beschermen. In de onderhavige zaak is echter uit niets gebleken van, na terugkeer van verdachte naar de woning van [slachtoffer] , een aanval op [slachtoffer] door een of meer derden of van andere handelingen van derden die de gezondheid van [slachtoffer] negatief zouden (kunnen) beïnvloeden.

Ook voor het overige bestond naar het oordeel van verdachte na terugkeer naar de woning van [slachtoffer] geen in dit verband juridisch relevante plicht tot ingrijpen. Gelet hierop zal verdachte bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Bewijsvraag ten aanzien van feit 3.

Inleiding.

Gelet op de inhoud van het dossier en de bekennende verklaring van verdachte, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat verdachte, na een nachtelijke ruzie waarbij hij het slachtoffer met een mes en een klauwhamer levensgevaarlijk verwond heeft, in de ochtend van 21 februari 2016 naar de woning van het slachtoffer is teruggekeerd.

Aldaar heeft hij de gouden ketting die het zwaargewonde, buiten bewustzijn verkerende en op de grond liggende slachtoffer droeg, van diens nek/hals getrokken en zich wederrechtelijk toegeëigend.

Ook heeft hij andere in de woning liggende sieraden van het slachtoffer gestolen.

Hierna heeft verdachte de woning van [slachtoffer] verlaten7.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren, dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met geweld ten aanzien van de gouden ketting en aan diefstal van de overige sieraden.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich aangesloten bij hetgeen de officier van justitie ten aanzien van een bewezenverklaring van feit 3 heeft verwoord.

Het oordeel van de rechtbank.

Gelet op de bekennende verklaring van verdachte8 als hiervoor onder “inleiding” vermeld en de verklaring van [getuige 1]9 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd,

, met dien verstande dat alleen het trekken van de ketting van de hals van [slachtoffer] als geweld in de zin van artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht kan worden aangemerkt. Voor de overige door verdachte weggenomen goederen zal de rechtbank de diefstal zonder dat deze is voorafgegaan of vergezeld van geweld of bedreiging met geweld bewezen verklaren.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 21 februari 2016 te Helmond ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven met dat opzet,

- meermalen met een mes in de nek/hals van voornoemde [slachtoffer] heeft gestoken en/of gesneden en

- meermalen met een klauwhamer op/tegen het hoofd van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

3. op 21 februari 2016 te Helmond uit een woning gelegen aan de [woonadres] met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

een gouden ketting en sieraden, toebehorende aan [slachtoffer] ,

welke diefstal van voornoemde ketting werd vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte: - de gouden ketting van de nek/hals van die [slachtoffer] heeft getrokken terwijl die [slachtoffer] zwaargewond en buiten bewustzijn op de grond lag;

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het onder feit 1 bewezen verklaarde en de strafbaarheid van verdachte.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat aan verdachte een beroep op noodweerexces toekomt. Hiertoe heeft hij aangevoerd dat verdachte getriggerd werd door het feit dat het slachtoffer een mes in zijn handen had waarmee hij verdachte aanviel en hem aan diens vinger verwonde. Hierna is verdachte door het lint gegaan. Indien de rechtbank zou oordelen dat verdachte door zo te handelen de grenzen van de noodzakelijke verdediging te buiten is gegaan, heeft de raadsman aangevoerd dat het gedrag van verdachte het onmiddellijke gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging veroorzaakt door de vermeende aanranding. Verdachte dient, aldus de verdediging, van alle rechtsvervolging ontslagen te worden.

Het standpunt van [het openbaar ministerie] .

De officier van justitie heeft - kort gezegd - zich primair op het standpunt gesteld dat een noodweersituatie niet aannemelijk is gemaakt. Het beroep op noodweerexces kan derhalve niet slagen.

Het oordeel van de rechtbank.

Voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) is vereist dat er sprake moet zijn geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed, waarbij de verdediging noodzakelijk en proportioneel moet zijn.

Verdachte heeft desgevraagd verklaard dat hij tijdens de ruzie met [slachtoffer] niet is weggelopen waar hij dat wel steeds kon. De rechtbank is van oordeel dat verdachte wel had behoren weg te lopen en niet, zoals verdachte heeft verklaard, bewust de confrontatie aan te gaan. Reeds hierom is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake geweest van een noodweersituatie als bedoeld in artikel 41 van het Wetboek van Strafrecht.

Nu niet is gebleken van een noodweersituatie, faalt het beroep op noodweerexces eveneens.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het onder 1 of 3 ten laste gelegde of van de verdachte uitsluiten.

De feiten zijn dus strafbaar een ook de verdachte is strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht (8) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. Voorts dient aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met verpleging van overheidswege te worden opgelegd, te ondergaan na ommekomst van twee derde van de aan hem op te leggen gevangenisstraf.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie te hoog is. Daarnaast verzoekt de raadsman de rechtbank om, indien naast een gevangenisstraf ook TBS met verpleging van overheidswege wordt opgelegd, op grond van artikel 37b, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht in de uitspraak als advies op te nemen dat de TBS zal ingaan na ommekomst van een derde van de aan hem op te leggen gevangenisstraf..

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag, diefstal en diefstal met geweld.

Verdachte heeft tijdens een ruzie zijn slachtoffer meerdere malen met een mes in de nek/hals gesneden/gestoken en hem meerdere malen met een hamer op het hoofd geslagen, waardoor het slachtoffer levensgevaarlijk gewond is geraakt. Hierna heeft verdachte de woning verlaten en het slachtoffer, zo geeft verdachte ook zelf aan, voor dood achter gelaten. Reeds dit feit is van een buitengewone ernst en rechtvaardigt een zware strafrechtelijke reactie.

Op een later tijdstip is verdachte echter zelfs nog een keer teruggekeerd naar de woning van het slachtoffer. Ook hierna heeft verdachte, terwijl hij heeft waargenomen dat het slachtoffer toen nog in leven was, de woning vervolgens ook weer verlaten zonder voor het slachtoffer enige vorm van hulp te bieden of in te roepen. In plaats daarvan heeft verdachte toen met geweld een ketting van de hals van het slachtoffer getrokken en het slachtoffer ook van andere sieraden beroofd. Verdachte heeft zich aldus ook na zijn terugkeer naar de woning niet bekommerd om het slachtoffer, maar zich kennelijk enkel laten leiden door hebzucht. Dit gedrag is bijzonder stuitend te noemen. Weliswaar heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, maar geen rechtsregel staat eraan in de weg om de omstandigheid dat verdachte ook na zijn terugkeer naar de woning geen hulp voor het slachtoffer heeft geboden of ingeroepen bij de strafoplegging in voor verdachte negatieve zin mee te wegen. De rechtbank zal dit dan ook doen. Dit maakt ook dat de rechtbank indien het onder 2 tenlastegelegde wel bewezen zou zijn verklaard, de rechtbank niet tot een andere, zwaardere, straf zou zijn gekomen dan thans zal worden opgelegd.

Verdachte heeft zijn slachtoffer onherstelbaar fysiek en psychisch leed aangedaan.

Het zeer gewelddadig karakter van het door verdachte gepleegde strafbare feit laat zien dat verdachte er niet voor terugschrikt om zwaar geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich bij zijn strafbaar handelen niet bekommerd om de gevolgen daarvan voor het slachtoffer. Aangever heeft in totaal ongeveer veertien uur zwaargewond en hulpeloos in zijn woning gelegen voordat hij werd ontdekt. Wat aangever in dat tijdsbestek moet hebben doorgemaakt valt haast niet voor te stellen.

Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar psychisch gezien vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is. Daarnaast, zo blijkt eveneens uit de slachtofferverklaring, alsmede uit de bij de vordering benadeelde partij gevoegde stukken, zijn ook de lichamelijke gevolgen voor het slachtoffer groot. Naast blijvende littekens op zijn hals en schedel is sprake van ernstig hersenletsel. Als gevolg van het hersenletsel heeft het slachtoffer ook thans nog te kampen met beperkingen in spraak, lezen, schrijven, het herkennen van cijfers en het geheugen en is sprake van verminderde mentale belastbaarheid.

Hierdoor zal het slachtoffer levenslang hulpafhankelijk blijven.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank ten nadele van verdachte rekening met de omstandigheid dat verdachte in 2007 en in 2013 voor soortgelijke feiten als onder 1 bewezen verklaard, werd veroordeeld tot forse straffen, de laatste maal tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar..

Verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten bovendien gepleegd tijdens de hem verleende voorlopige invrijheidstelling van deze eerder aan hem opgelegde gevangenisstraf van vier jaar.

Verdachte verkeerde tijdens het plegen van de feiten onder invloed van alcohol en verdovende middelen waarvan hij de (gecombineerde) negatieve werking op zijn gedrag kende. Desondanks heeft hij die stoffen toch gebruikt.

De rechtbank weegt in het voordeel van verdachte mee dat uit een omtrent de geestvermogens van verdachte uitgebracht rapport door het Pieter Baan Centrum van 26 november 2016 blijkt, dat de door hem gepleegde strafbare feiten in verminderde mate aan hem kunnen worden toegerekend. De rechtbank neemt dit advies over en maakt dit tot het hare.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf van lange duur.

De rechtbank zal evenwel een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf. Daarbij heeft de rechtbank met name meegewogen dat aan verdachte, zoals hierna te melden, tevens de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd, terwijl te verwachten valt dat de duur van deze maatregel aanzienlijk zal zijn. Daarnaast zal, zoals eveneens hierna te melden, de rechtbank de vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel toewijzen, hetgeen betekent dat verdachte op grond hiervan ook nog ongeveer zestien maanden gevangenisstraf dient te ondergaan.

Met betrekking tot de door de officier van justitie gevorderde oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege overweegt de rechtbank als volgt.

De deskundigen van het Pieter Baan Centrum hebben in hun rapport van 29 november 2016 onder meer - verkort en zakelijk weergegeven - geconcludeerd en geadviseerd:

Uit het onderhavige onderzoek blijkt dat bij betrokkene sprake is van zowel een ziekelijke stoornis als van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. De beschreven persoonlijkheidsstoornis manifesteert zich bij betrokkene onder andere door een gebrekkige impulscontrole en een verstoorde agressiehuishouding. Daarnaast houdt betrokkene zich nauwelijks bezig met de gevolgen van zijn gedrag. Betrokkene is snel geneigd om fysieke agressie in te zetten. Hij houdt geen rekening met de eventuele gevolgen van het geweld voor anderen en/of zichzelf. Middelengebruik heeft een negatieve invloed op de frustratietolerantie en leidt er toe dat de drempel om tot agressie te komen verder wordt verlaagd. Alles overwegend adviseren ondergetekenden betrokkene te beschouwen als verminderd toerekeningsvatbaar voor de hem ten laste gelegde feiten (indien bewezen).

Alles overwegend wordt het risico op recidive als hoog geschat.

Gezien de ernst van de stoornissen, de hoge kans op recidive en het benodigde beveiligingsniveau, adviseren ondergetekenden betrokkene de maatregel tbs met bevel tot verpleging op te leggen.

De rechtbank neemt ook de bovenstaande conclusies en adviezen over. Met de deskundigen

- maar overigens ook met de verdachte - is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling noodzakelijk maakt.

De rechtbank overweegt voorts dat is voldaan aan de formele voorwaarden om de maatregel van terbeschikkingstelling op te leggen. De hierna te kwalificeren feiten betreffen misdrijven waarop naar wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Voorts merkt de rechtbank op dat het misdrijven betreffen die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De totale duur van de maatregel kan daarom een periode van vier jaar te boven gaan.

Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank verdachte ter beschikking stellen. De rechtbank zal voorts bevelen dat verdachte van overheidswege verpleegd wordt.

De rechtbank zal, in weerwil van het daartoe strekkende verzoek van de verdediging, een advies als bedoeld in artikel 37b lid 2 Sr niet geven. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen dat verdachte zich thans voor een derde keer heeft schuldig gemaakt aan een ernstig geweldsmisdrijf. Ook overigens acht de rechtbank geen termen aanwezig om een dergelijk advies te geven en de terbeschikkingstelling eerder te laten aanvangen dan volgens de algemeen geldende regels ter zake.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle opgevoerde materiële kosten rechtstreeks voortvloeien uit hetgeen bewezen kan worden verklaard, exclusief de parkeerkosten à € 99,70, die door de advocaat van benadeelde ter terechtzitting zijn ingetrokken..

Voor wat betreft de immateriële schade verzoekt de officier van justitie de rechtbank om deze te matigen tot een bedrag van € 50.000,=.

Toewijsbaar is derhalve een bedrag van € 64.233,28, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor dit bedrag.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de gevorderde reis- en parkeerkosten geen rechtstreekse schade van het slachtoffer betreffen zodat deze posten niet kunnen worden toegewezen. Een en ander uitzoeken zou een onevenredige belasting van het strafproces met zich brengen.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade stelt de verdediging zich op het standpunt dat een bedrag van € 50.000,= redelijk en billijk is, voor toewijzing van een hoger bedrag bestaat onvoldoende grond. Voor het overige heeft de verdediging de gegrondheid van de vordering niet weersproken.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten:

immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 50.000,=, als onbetwist en kennelijk niet onredelijke of ongegrond en

materiële schadevergoeding (posten "daggeldvergoeding", "kleding/schoenen", "horloges", "ketting" en "kosten opvragen medische informatie”).

Het bedrag ten aanzien van de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag ten aanzien van de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de schadeposten “reiskosten” aangezien in zoverre kennelijk geen sprake is van door de benadeelde partij, maar van door derden geleden schade. Voor vergoeding daarvan in het kader van een door de benadeelde partij in het strafproces ingediende vordering bestaat geen ruimte.

De rechtbank zal de post ‘parkeerkosten’ verder onbesproken laten, vanwege de intrekking daarvan door de advocaat van de benadeelde partij ter terechtzitting.

De rechtbank zal de benadeelde partij eveneens niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de overige gevorderde immateriële schade. Van dit gedeelte van de vordering is niet eenvoudig vast te stellen of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaard feit is toegebracht. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering in zoverre zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van dit deel van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met behulp van welke de feiten zijn begaan en/of omdat deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan de rechthebbende, zijnde [slachtoffer] , nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Motivering van de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling 99/000320-24.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

In hetgeen ter terechtzitting aan de orde is gekomen en in de persoon van de veroordeelde, ziet de rechtbank geen aanleiding om niet tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling over te gaan, dan wel de vordering slechts voor een gedeelte toe te wijzen. Daarbij is met name van belang geweest de aard en ernst van de thans bewezenverklaarde strafbare feiten. De verdediging heeft ter zake van de vordering overigens ook geen verweer gevoerd. De rechtbank zal daarom de vordering geheel toewijzen en gelasten dat verdachte aldus nog dient te ondergaan een gevangenisstraf voor de duur van 487 dagen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 15g, 24c, 27, 36b, 36c, 36d, 36f, 37a, 37b, 45, 57, 287, 312.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart het onder feit 1 en feit 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1: Poging tot doodslag Ten aanzien van feit 3: Diefstal en Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregelen.

Ten aanzien van feit 1 en feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging.

Maatregel van schadevergoeding van € 58.454,74 subsidiair 313 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 58.454,74 (zegge: achtenvijftigduizend vierhonderdvierenvijftig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 313 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 50.000,= immateriële schadevergoeding en een bedrag van € 8.454,74 materiële schadevergoeding (posten "daggeldvergoeding", "kleding/schoenen", "horloges", "ketting" en "kosten opvragen medische informatie").

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het bedrag ten aanzien van de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (21 februari 2016) tot aan de dag der algehele voldoening. Het bedrag ten aanzien van de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering (29 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 50.000,= betreffende immateriële schadevergoeding en een bedrag van

€ 8.454,74 betreffende materiële schadevergoeding (posten "daggeldvergoeding", "kleding/schoenen", "horloges", "ketting" en "kosten opvragen medische informatie").

Het bedrag ten aanzien van de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (21 februari 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Het bedrag ten aanzien van de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het indienen van de vordering (29 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (overige gevorderde immateriële schade en de schadepost "reiskosten") niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten de op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen met de nummers 1, 2, 3, 4 en 6.

Teruggave inbeslaggenomen goederen, te weten de op de aan dit vonnis gehechte lijst van inbeslaggenomen voorwerpen genoemde voorwerpen met de nummers 5 en 7 tot en met 15 aan [slachtoffer] .

De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling met v.i-zaaknummer 99/000320-24.

Wijst de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toe. Gelast dat de vrijheidsstraf die als gevolg van de toepassing van de regeling voorwaardelijke invrijheidsstelling niet ten uitvoer is gelegd, alsnog moet worden ondergaan, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 487 dagen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. T. van de Woestijne, voorzitter,

mr. C.A. Mandemakers en mr. M.J. Smit, leden,

in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Wentholt, griffier,

en is uitgesproken op 25 januari 2017.

Mr. Smit is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Districtsrecherche Helmond, onderzoek “Castrop” met onderzoeksnummer OB3R016010, afgesloten d.d. 19 september 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 476, alsmede een daarbij horend proces-verbaal Forensisch Onderzoek, afgesloten d.d. 8 maart 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 454 (hierna: pv F.O.)

2 Verklaring verdachte ter terechtzitting 11 januari 2017

3 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 januari 2017

4 Proces-verbaal van bevindingen blz. 33-53

5 Forensisch Geneeskundig onderzoek door het NFI d.d. 22 juli 2016 en Forensisch Radiologisch onderzoek door Maastricht UMC d.d. 4 mei 2016

6 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 januari 2017

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 januari 2017

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 11 januari 2017

9 Verklaring [getuige 1] blz. 143