Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3491

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-06-2017
Datum publicatie
10-07-2017
Zaaknummer
17_271
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2481, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schending van artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb. Vast is komen te staan dat de Raad voor Rechtsbijstand niet is uitgenodigd voor de hoorzitting, en overigens steevast niet wordt uitgenodigd.

De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de werkwijze van de bezwaarschriftencommissie om het bestuur niet uit te nodigen voor de hoorzitting in strijd is met de Awb. Gegrond beroep, met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

Zaaknummer: SHE 17/271

Uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.J.M. Boot),

en

het bestuur van de raad voor rechtsbijstand, verweerder

(gemachtigde: mr. P.S.J. de Koning).

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een toevoeging voor rechtsbijstand afgewezen.

Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juni 2017. Eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

Eiser heeft op 14 juli 2016 een toevoeging aangevraagd voor het indienen van een bezwaarschrift tegen het besluit van verweerder van 1 juni 2016 waarbij, naar aanleiding van een hercontrole van het inkomen, de eigen bijdrage van eiser voor een verleende toevoeging werd verhoogd van € 77,00 tot € 744,00, door eiser aan verweerder te betalen.

Bij het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag om toevoeging afgewezen, omdat het vastgestelde inkomen de wettelijke vastgestelde financiële grenzen overschrijdt en omdat bezwaar wordt gemaakt tegen een negatieve beslissing van de Raad die eiser zelf of met behulp van het juridisch loket kan afhandelen.

2. Verweerder heeft bij het bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard, op grond van het bepaalde in artikel 12, tweede lid aanhef en onder g, en artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Aldus heeft verweerder het standpunt gehandhaafd dat eiser het bezwaar zelf, of met behulp van het juridische loket, kon afhandelen. In een dergelijke situatie wordt slechts bij uitzondering een toevoeging verstrekt. De zaak dient daartoe zodanig feitelijk en/of juridisch complex te zijn dat bijstand van een advocaat noodzakelijk is. Daarvan is niet gebleken. Eiser kan alle relevante informatie over zijn inkomenspositie van toen en nu zelfstandig naar voren brengen. Het niet spreken van de Nederlandse taal, het niet beschikken over juridische kennis of een slechte gezondheid van indiener maakt niet dat er een noodzaak bestaat tot juridische bijstand, aldus verweerder.

3.1

Eiser voert allereerst aan dat artikel 7:13, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is geschonden omdat de Raad voor Rechtsbijstand niet is opgeroepen voor de hoorzitting en daarvan ook niet op de hoogte was. Verweerder wordt overigens steevast niet uitgenodigd voor hoorzittingen. Eiser had belang bij oproeping van verweerder, omdat hij dan de gelegenheid zou hebben gehad te reageren op de te geven toelichting op het bestreden besluit.

3.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat artikel 7:13 van de Awb, noch enig ander artikel, een verplichting schept voor een bestuursorgaan om ter zitting bij de commissie van bezwaar aanwezig te zijn. Verweerder was op de hoogte van de hoorzitting, maar heeft gelet op hetgeen reeds in de voorfase naar voren was gebracht, afgezien van het bijwonen ervan.

3.3

Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb bepaalt dat, voordat een bestuursorgaan op het bezwaar beslist, het de belanghebbende in de gelegenheid dient te stellen te worden gehoord. Ingevolge artikel 7:6, eerste lid, van de Awb worden belanghebbenden in elkaars aanwezigheid gehoord. Op grond van artikel 7:13, derde lid, van de Awb geschiedt het horen door een commissie. Ingevolge artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb wordt een vertegenwoordiger van het bestuursorgaan voor het horen uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld een toelichting op het standpunt van het bestuursorgaan te geven.

3.4

De rechtbank oordeelt onder verwijzing naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 26 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5700), zoals herhaald bij diens uitspraak van 10 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:706), dat eiser terecht heeft aangevoerd dat de werkwijze van de bezwaarschriftencommissie om het bestuur niet uit te nodigen voor de hoorzitting, wat ook in dit geval is nagelaten, in strijd is met de Awb. Het beroep tegen het bestreden besluit moet daarom gegrond worden verklaard en dat besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:13, vijfde lid, van de Awb.

3.5

De rechtbank ziet vervolgens ampel reden om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten, reeds omdat eiser en zijn gemachtigde er -om hen moverende redenen- voor hebben gekozen niet ter zitting van de rechtbank te verschijnen. Gelet op zijn staat van dienst in rechtsbijstandszaken veronderstelt de rechtbank de gemachtigde van eiser bekend met verweerders werkwijze, en diens gewoonte om niet op de hoorzitting, doch wel ter zitting van de rechtbank te verschijnen. Mocht (de gemachtigde van) eiser het inhoudelijke debat hebben willen voeren, dan heeft hij de gelegenheid daartoe zelf laten passeren.

3.6

Overigens vermag de rechtbank voorshands niet in te zien wat een inhoudelijk debat had kunnen toevoegen, gelet op het navolgende.

4.1

Materieel voert eiser verder aan dat hij juridische bijstand nodig heeft, omdat het probleem juridisch complex is. Eiser stelt daartoe dat hij niet is gewaarschuwd voor een eventuele hercontrole op grond waarvan hij met terugwerkende kracht niet meer in aanmerking zou komen voor de toegekende gefinancierde rechtsbijstand, en evenmin dat zijn eigen bijdrage kon worden verhoogd. Dit stond wellicht in de bijlage van de verstrekte toevoeging vermeld, maar deze heeft eiser niet ontvangen. Verder treedt de hercontrolebeslissing in de plaats van de eerder afgegeven beslissing. De Raad had de mogelijkheid moeten bieden tot peiljaarverlegging zoals de rechtbank Den Haag in een andere zaak terecht heeft aangenomen. Indien dat was toegestaan dan zou de hercontrolebeslissing geen stand meer kunnen houden.

4.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de aangevraagde toevoeging ziet op een bezwaarprocedure bij de Raad inzake een besluit als gevolg van hercontrole van het inkomen. De gemachtigde van eiser heeft daarover meerdere keren geprocedeerd bij de rechtbank en de Afdeling. De Afdeling heeft in zijn uitspraken van 5 augustus 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2500), 10 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:282) en 21 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:355) telkens geoordeeld dat het om een belang gaat dat door de rechtzoekende zelf behartigd kan worden en waarbij er geen noodzaak tot juridische bijstand bestaat. Verweerder ziet geen aanleiding om hiervan in deze zaak af te wijken.

Het gegeven dat er in een (andere) procedure bij de rechtbank Den Haag argumenten zijn aangevoerd die eiser eveneens wenste aan te voeren, maakt niet dat de zaak als complex valt aan te merken en er een toevoeging verstrekt zou moeten worden. Eiser kan in eigen bewoordingen aangeven dat zijn financiële situatie in het jaar van aanvraag een stuk lager was dan ten tijde van het peiljaar en er derhalve sprake is van zwaarwegende omstandigheden. De Raad verwijst daarbij naar het bijgevoegde dossier, waaruit blijkt dat namens eiser in het bezwaarschrift een beroep is gedaan op zwaarwegende omstandigheden omdat zijn financiële situatie nog steeds zodanig is dat hij de kosten niet kan betalen. Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift is er telefonisch contact met gemachtigde geweest en zijn inkomensgegevens over het jaar 2013 toegezonden. Op grond van deze stukken is afgezien van invordering van de bij het hercontrole opgelegde hogere bijdrage.

4.3.1

Ingevolge artikel 12, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wrb wordt rechtsbijstand niet verleend, indien het een belang betreft, waarvan de behartiging redelijkerwijze aan de aanvrager zelf kan worden overgelaten, zo nodig met rechtsbijstand van een andere persoon of instelling, van wie, onderscheidenlijk waarvan, de werkzaamheden niet binnen de werkingssfeer van deze wet vallen.

4.3.2

Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder c, van Wrb kan het bestuur de toevoeging weigeren indien de aanvraag een rechtsprobleem betreft dat naar het oordeel van het bestuur eenvoudig afgehandeld kan worden.

4.4

Verweerder heeft zijn beleid op grond van deze artikelen voor aanvragen om toevoeging voor een bezwaarprocedure tegen de Raad nader uitgewerkt in de interne werkinstructie B010, gepubliceerd op http://kenniswijzer.rvr.org. Daaruit volgt dat voor een bezwaarprocedure tegen de Raad geen toevoeging wordt verleend in verband met de zelfredzaamheid van een rechtzoekende. Bij wijze van uitzondering kan toevoeging verleend worden indien sprake is van een juridisch en of feitelijk complexe procedure.

4.5

De toevoeging is aangevraagd voor het maken van bezwaar tegen de hercontrolebeslissing waarbij een hogere eigen bijdrage is opgelegd. Voor het maken van bezwaar tegen een beslissing van verweerder wordt volgens verweerders werkinstructie B010 in beginsel geen toevoeging verstrekt. Het is aan eiser, als aanvrager van de toevoeging, om aannemelijk te maken dat in de procedure waarvoor de toevoeging is aangevraagd niet slechts feitelijke gronden moeten worden aangevoerd, maar ook juridisch verweer moet worden gevoerd. Eiser heeft in de aanvraag van de toevoeging niet gemotiveerd waarom sprake is van een feitelijk en/of juridisch complexiteit die het verstrekken van een toevoeging zou rechtvaardigen. Ook overigens is de rechtbank niet gebleken dat het maken van bezwaar in dit geval zodanig complex was dat eiser daarvoor bijstand nodig had van een advocaat. Gezien de inhoud van de beslissing van 1 juni 2016 moet eiser in staat worden geacht om, eventueel met behulp van een ander dan een advocaat, aan te voeren dat zijn financiële situatie in het jaar van aanvraag een stuk lager was dan ten tijde van het peiljaar en er derhalve sprake is van zwaarwegende omstandigheden. Het verstrekken van gegevens over het inkomen is in juridisch opzicht niet dermate complex dat daarvoor juridische bijstand nodig is. Dat de gemachtigde van eiser een juridisch verweer had willen inbrengen inzake peiljaarverlegging maakt nog niet dat het een juridisch en of feitelijk complexe procedure is en dat bijstand in deze fase van het geschil noodzakelijk is. Verweerder heeft gehandeld overeenkomstig gepubliceerd beleid, dat door de rechtbank niet onredelijk wordt bevonden.

5. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen moet het beroep gegrond worden verklaard, maar zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand laten.

6. Dit brengt mee dat er aanleiding bestaat voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling voor verleende rechtsbijstand in beroep ter hoogte van € 495,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank bepalen dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,00 vergoedt.

Beslissing

De rechtbank

-verklaart het beroep gegrond;

-vernietigt het bestreden besluit;

-bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

-draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 495,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.D. Streefkerk, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.M.C. van Og, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.