Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3488

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
27-06-2017
Zaaknummer
01/865000-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor verkrachtingen van twee toevallig langsfietsende vrouwen, voor diefstal van een tas van een van die vrouwen en voor diefstal met geweld waarbij een derde vrouw slachtoffer is geworden. Toepassing jeugdstrafrecht.

Gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Ontkennende verdachte, geen advies over toerekeningsvatbaarheid.

Opgelegd wordt jeugddetentie voor de duur van 1 jaar en de PIJ-maatregel.

Verdachte dient schade te vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865000-17

Datum uitspraak: 23 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Helmond op [geboorte datum] 1997,

wonende te [adres] ,

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring te Grave.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 april 2017 en 9 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 14 maart 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 10 april 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 30 december 2016 te Schijndel althans in het arrondissement

Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer] , meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die heeft/hebben bestaan uit of mede heeft/hebben uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- meerdere, althans een, vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

(vervolgens) heen en weer bewogen en/of

- de borsten en/of billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] betast, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] van haar fiets heeft geschopt/getrapt, als gevolg waarvan die [slachtoffer] op de

grond is gevallen en/of

- ( vervolgens) op de be(e)n(en), in elk geval op het lichaam, van die [slachtoffer] is gaan zitten

en/of

- de rok en/of panty en/of onderbroek, in elk geval de kleding, van die [slachtoffer] naar beneden

heeft getrokken en/of naar boven heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of

geslagen tegen het/de be(e)n(en) althans het lichaam en/of

- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen

en/of

- ( met kracht) aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] in de sloot heeft geduwd en heeft achtergelaten;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 30 december 2016 te Schijndel, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer] ,

meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte:

- meerdere, althans een, vinger(s) tegen de anus van [slachtoffer] gehouden en/of

- de borsten en/of billen, in elk geval het lichaam van die [slachtoffer] betast, en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] van haar fiets heeft geschopt/getrapt, als gevolg waarvan die [slachtoffer] op de

grond is gevallen en/of

- ( vervolgens) op de be(e)n(en), in elk geval op het lichaam, van die [slachtoffer] is gaan zitten

en/of

- de rok en/of panty en/of onderbroek, in elk geval de kleding, van die [slachtoffer] naar beneden

heeft getrokken en/of naar boven heeft geduwd en/of

- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, (met geschoeide voet) heeft geschopt en/of

geslagen tegen het/de be(e)n(en) althans het lichaam en/of

- die [slachtoffer] meerdere malen, althans eenmaal, in/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen

en/of

- ( met kracht) aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer] in de sloot heeft geduwd en heeft achtergelaten;

2. hij op of omstreeks 26 oktober 2016 te Schijndel althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal, heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die heeft/hebben bestaan uit of mede heeft/hebben uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte, (telkens)

- meerdere, althans een, vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of met

zijn hand(en) de vagina van die [slachtoffer 2] betasten/of over die vagina gewreven en/of - zijn penis in/tegen/bij het gezicht, althans hoofd, van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

gehouden en/of

- ( vervolgens) in het haar, in elk geval op het hoofd van die [slachtoffer 2] geëjaculeerd en/of

- de borst(en) van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt en/of

- in de borst(en) van die [slachtoffer 2] geknepen

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer 2] op de grond heeft geduwd en/of

- zijn hand voor de mond van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 2] vast heeft gehouden en/of

- de rits(en) van de jas en/of trainingsjas van die [slachtoffer 2] heeft opengeritst, in elk geval

geopend en/of - de (broek)riem van die [slachtoffer 2] heeft kapotgetrokken en/of (vervolgens) de broek en/of

onderbroek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken en/of gebracht;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij, op of omstreeks 26 oktober 2016 te Schijndel, althans in het arrondissement Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, [slachtoffer 2] , meermalen, althans eenmaal heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte:

- meerdere, althans een, vinger(s) tegen de vagina van die [slachtoffer 2] gebracht/gehouden en/of

met zijn hand(en) de vagina van die [slachtoffer 2] betast en/of over die vagina gewreven en/of

- zijn penis in/tegen/bij het gezicht, althans hoofd, van die [slachtoffer 2] geduwd/gebracht en/of

gehouden en/of

- ( vervolgens) in het haar, in elk geval op het hoofd van die [slachtoffer 2] geëjaculeerd en/of

- de borst(en) van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt en/of

- in de borst(en) van die [slachtoffer 2] geknepen,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer 2] op de grond heeft geduwd en/of

- zijn hand voor de mond van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en/of

- het hoofd van die [slachtoffer 2] vast heeft gehouden en/of

- de rits(en) van de jas en/of trainingsjas van die [slachtoffer 2] heeft Opengeritst, in elk geval

geopend en/of

- de (broek)riem van die [slachtoffer 2] heeft kapotgetrokken en/of (vervolgens) de broek en/of

onderbroek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken en/of gebracht;

3. hij, op of omstreeks 26 oktober 2016 te Schijndel althans in het arrondissement

Oost-Brabant, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (hand)tas inhoudende (onder meer) een portemonnee (met inhoud) en/of een telefoon en/of een of meer sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

4. hij, op of omstreeks 04 december 2016 te Schijndel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas inhoudende (onder meer) een portemonnee met als inhoud (onder meer) een hoeveelheid geld en/of (een) bankpas(sen) en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- het portier van de auto van die [slachtoffer 3] heeft geopend en/of

- ( vervolgens) de nek van die [slachtoffer 3] (met kracht) vast heeft gepakt en/of gehouden en/of

- ( vervolgens) die [slachtoffer 3] (met kracht) in de richting van de bijrijdersstoel heeft geduwd en/of

- ( vervolgens) de tas van die [slachtoffer 3] heeft gepakt.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte bepleit vrijspraak van het onder 1 en onder 2 (telkens primair en subsidiair) en van het onder 3 en 4 tenlastegelegde. Voor zover echter de rechtbank feit 2 bewezen acht, refereert de raadsvrouwe voor wat betreft feit 3 zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Bronnen.

  1. Een eindproces-verbaal van de politie Eenheid Oost-Brabant, Zedenteam ’s-Hertogenbosch, met onderzoeknummer BHV 2016288296 Z, (onderzoek Abtenauer), afgesloten op 23 maart 2017, in totaal 585 doorgenummerde bladzijden (hierna: dossier);

  2. Een proces-verbaal van aanvullend onderzoek, proces-verbaalnummer OBRBC16144-128, afgesloten op 16 mei 2017, met bijlagen, aantal doorgenummerde bladzijden: 9.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage bij dit vonnis (blz. 18-26).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Bewijsoverwegingen.

Inleiding.

Op 26 oktober 2016 kwam bij de politie de melding binnen dat [slachtoffer 2] te Schijndel was aangerand door een man op een fiets. De man had haar tas uit haar fietstas gestolen. Nadat ze de man had achterhaald enhaar tas wilde terug pakken had de man haar gegrepen en misbruikt.

Op 30 december 2016 kwam bij de politie de melding binnen van mevrouw [slachtoffer] dat zij in Schijndel van haar fiets was getrapt door een man. Ze was gevallen en de man was met zijn knieën bovenop haar gaan zitten en had haar misbruikt. Zij is daarbij tijdens een worsteling in een sloot terecht gekomen.

Het signalement dat beide slachtoffers gaven van de dader kwam overeen en de feiten hadden plaatsgevonden op dicht bij elkaar gelegen locaties.

Naar aanleiding van dat signalement en het feit dat verdachte voor de verkrachting van 26 oktober 2016 ook al als mogelijke dader in beeld was, is verdachte op 30 december 2016 aangehouden.

Op 4 december 2016 deed mevrouw [slachtoffer 3] aangifte van het feit dat ze in Schijndel was beroofd van haar handtas. Bij een meervoudige fotoconfrontatie werd verdachte door haar als dader aangewezen.

Bewezenverklaring feit 1 primair.

Verdachte ontkent het tenlastegelegde en stelt dat hij op het moment van het delict aanwezig was op de schaatsbaan te Schijndel. Op het moment van het feit zou hij ook Whatts-app gesprekken hebben gevoerd waaruit zou kunnen blijken dat hij het delict niet kan hebben gepleegd.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Verdachte is op 30 december 2016 kort nadat aangeefster [slachtoffer] om 21.22 uur melding had gemaakt van het feit, aangehouden. Hij droeg kleding die overeenkwam met de door aangeefster beschreven kleding van de dader. Aangeefster verklaarde dat ze de dader in zijn vinger had gebeten. Bij zijn aanhouding was verdachte gewond aan zijn vinger. Ook was de broek van verdachte ter hoogte van de knieën besmeurd met zand, zat er vuil onder zijn nagels en waren verse wondjes zichtbaar op zijn hand.

Gelet op de tijdstippen van de door en met verdachte gevoerde Whatts-app gesprekken is niet uitgesloten dat verdachte op het moment van het delict dat plaatsvond tussen 21.00 uur en 21.22 uur op de plaats van het delict is geweest. Daarbij komt dat verdachte heeft verklaard dat hij fietsend op weg naar de schaatsbaan in Schijndel in botsing is gekomen met een fietsende vrouw rond 21.17 uur. Verdachte beschrijft bij zijn verhoor door de politie op 31 december 2016 dat deze vrouw een oranje jas droeg en gekleed was in een rok met zwarte panty.

De door verdachte beschreven kleding van de fietsster komt overeen met de kleding die aangeefster droeg op het moment van het delict. Dit betekent dat verdachte beschikt over daderwetenschap, nu hij op dat moment niet anders dan uit eigen wetenschap over de kleding van aangeefster kon verklaren. De rechtbank acht het hoogst onwaarschijnlijk dat een willekeurige andere man - die wat betreft signalement overeenkomt met verdachte - op nagenoeg hetzelfde moment als het moment waarop verdachte een vrouw met dezelfde kleding als aangeefster heeft aangereden, in de nabijheid het slachtoffer zou hebben verkracht.

Verdachte verklaart dat de verwondingen, bevuilde kleding en vieze handen een gevolg zijn van het zoeken naar en oprapen van zijn fietssleutel, die hij bij het naar huis gaan bij de schaatsbaan had laten vallen. Ook zou hij zijn handen hebben verwond aan een kapotte rem van zijn fiets en zou hij zich hebben gesneden aan een gebroken glas in de kantine van de schaatsbaan. Verdachte zegt dat hij bij de schaatsbaan door zijn vader werd gebeld dat hij naar huis moest komen omdat de politie hem wilde spreken en dat hij toen eerst nog zijn handen is gaan wassen en een pleister heeft gevraagd om op zijn vinger te plakken. Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank in het licht van het voorgaande en gelet op de reisafstand en de korte tijdspanne tussen het tijdstip waarop zijn vader hem belde (plm. 22.05 uur) en zijn thuiskomst (plm. 22.15 uur) niet geloofwaardig.

De rechtbank acht gelet op de genoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, het onder 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte aangeefster heeft verkracht.

Bewezenverklaring feit 2 primair en feit 3.

Verdachte ontkent het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Hij zegt op de plaats van het delict te zijn geweest toen hij van zijn werk naar huis fietste en zegt aangeefster te kennen maar haar niet te hebben gezien op de plaats van het delict. Op het moment van het plegen van het delict zou hij elders (thuis of onderweg naar familie) zijn geweest.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Aangeefster heeft verklaard dat zij op 26 oktober 2016 omstreeks 16.45 uur in Schijndel naar huis fietste toen een man op een fiets haar tas uit haar fietstas griste. Aangeefster is toen achter de man aangereden. De man zette zijn fiets in de bosjes neer. Aangeefster is afgestapt en wilde haar tas terugpakken. Daarna is zij door de man op de grond geduwd en misbruikt. Het signalement dat aangeefster van de dader geeft past bij het signalement van verdachte. Haar verhaal wordt ondersteund door de waarnemingen van [getuige] en [getuige 2] . [getuige] hoort omstreeks het tijdstip van het delict iemand roepen “Blijf van mijn tas af, geef mijn tas terug”. Ze ziet een manspersoon en een meisje fietsen. Getuige [getuige 2] ziet aangeefster fietsen en ziet en hoort dat zij overstuur is en huilt. Ze ziet ook dat zij iets plakkerigs in haar haren heeft en dat haar broekriem stuk is.

Op de plaats waar aangeefster is misbruikt, is sperma aangetroffen dat na onderzoek afkomstig blijkt te zijn van verdachte. Ook in het haar van aangeefster is sperma van verdachte aangetroffen. Verdachte heeft verklaard dat hij een blauw-witte koelbox bij zich had toen hij op die dag naar huis fietste. Ook dit gegeven past bij de herinnering van aangeefster over de dader.

Verdachte heeft verklaard dat hij de dader niet kan zijn omdat hij om half vijf die dag thuis was gekomen om te douchen en daarna naar zijn zus en vervolgens naar zijn jarige vader is gegaan.

Deze verklaring van verdachte wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier.

De zus van verdachte verklaarde dat ze verdachte pas om 17.15 uur heeft gezien. Uit onderzoek van de gsm gegevens van verdachte blijkt dat verdachte om 17.04 uur die dag naar zijn vriendin heeft ge-appt dat hij naar zijn zus onderweg was.

Het dossier bevat geen enkele vaststelling waaruit volgt dat verdachte niet op het tijdstip van het delict op de plaats van het delict aanwezig kan zijn geweest.

Bovendien heeft verdachte, zonder dat iemand hem daarover heeft bevraagd, bij zijn verhoor door de politie op 31 december 2016 (naar aanleiding van het onder feit 1 tenlastegelegde) te kennen gegeven dat hij eerder door de politie over een andere zedenzaak is benaderd. Verdachte verklaarde daarop de naam van dat slachtoffer te kennen.

Dat meisje, [slachtoffer 2] , zou daags erna tegen hem hebben verteld dat ze was aangerand en dat haar tas was gejat. Hij beschrijft dan de tas en de fiets van het slachtoffer. Verdachte verklaart dat hij toen de dader niet geweest is en noemt de naam van een andere jongen als dader.

De rechtbank stelt vast dat ook hier verdachte beschikt over daderkennis nu hij op dat moment niet anders dan uit eigen wetenschap over de diefstal van de tas, de fiets van het slachtoffer en haar naam kon verklaren. Daarbij komt dat het slachtoffer uitdrukkelijk heeft verklaard verdachte de dag na de verkrachting niet te zijn tegen gekomen en hem al jaren niet meer te hebben gesproken

Ter terechtzitting van 9 juni 2017 komt verdachte met zijn verklaring dat hij op 26 oktober 2016 terwijl hij van zijn werk naar huis fietste, op de plaats waar [slachtoffer 2] is misbruikt, zichzelf heeft bevredigd. Dat zou de aanwezigheid van zijn sperma ter plaatse verklaren. Hij zou dit eerder niet hebben willen verklaren omdat hij zich daarvoor schaamt.

Deze verklaring van verdachte acht de rechtbank volstrekt niet geloofwaardig. Die verklaring is niet alleen in strijd met de verklaring van aangeefster, maar ook met de overigens ook ongeloofwaardige eerdere verklaring van verdachte dat zijn sperma daar zou zijn achtergebleven toen hij op die plek een tijdje daarvoor seks had gehad met zijn vriendin.

De rechtbank acht gelet op de genoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, het onder 2 primair en 3 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte de tas van aangeefster heeft weggenomen en vervolgens aangeefster heeft verkracht.

Bewezenverklaring feit 4.

Verdachte ontkent het tenlastegelegde.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen het volgende vast.

Aangeefster heeft op 4 december 2016 aangifte gedaan van diefstal met geweld, gepleegd tussen 17.00 uur en 17.10 uur die dag in de parkeergarage achter de [winkel] te Schijndel en heeft daarbij de dader beschreven. Haar portemonnee met daarin bankbiljetten ten bedrage van € 250,00 werd daarbij weggenomen. Zij verklaart dat zij de dader die dag eerder heeft gezien ter hoogte van de [winkel] te Schijndel. Aan de hand van camerabeelden van de [winkel] is door verbalisanten vastgesteld dat op de camerabeelden om 17.01 uur een persoon is te zien die voldoet aan het signalement dat aangeefster gaf van de dader.

Bij een meervoudige fotoconfrontatie heeft aangeefster verdachte als dader herkend. Verdachte heeft ook verklaard dat hij toen daar voor de [winkel] aanwezig was.

Opvallend is dat verdachte bij zijn verhoor door de politie op 31 december 2016 verklaart over een diefstal van een tas van een oude vrouw in een parkeergarage te Schijndel, die zou zijn gepleegd door een andere jongen. Wederom, zo stelt de rechtbank vast, is verdachte aanwezig bij de plek waar het misdrijf is begaan en ontkent hij enige betrokkenheid daarbij terwijl het slachtoffer een duidelijke beschrijving geeft van het signalement van de dader.

De rechtbank acht gelet op de genoemde feiten en omstandigheden, bezien in onderling verband en samenhang met de overige bewijsmiddelen, het onder 4 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. op 30 december 2016 te Schijndel, door geweld [slachtoffer] , heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte,

- ( een) vinger(s) in de anus van die [slachtoffer] geduwd en

- het lichaam van die [slachtoffer] betast, en bestaande dat geweld hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer] van haar fiets heeft geschopt/getrapt, als gevolg waarvan die [slachtoffer] op de

grond is gevallen en

- ( vervolgens) op de benen van die [slachtoffer] is gaan zitten en

- de rok en panty en onderbroek van die [slachtoffer] naar beneden heeft getrokken of naar boven

heeft geduwd en

- die [slachtoffer] meerdere malen, met geschoeide voet tegen de benen heeft geschopt en

- die [slachtoffer] tegen het hoofd heeft geslagen en

- met kracht aan het lichaam van die [slachtoffer] heeft getrokken;

2. op 26 oktober 2016 te Schijndel door geweld [slachtoffer 2] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die mede hebben bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2] , immers heeft hij, verdachte,

- ( een) vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer 2] geduwd en met zijn hand de vagina van die

[slachtoffer 2] betast en/of over die vagina gewreven en - zijn penis tegen/bij het gezicht van die [slachtoffer 2] gebracht en gehouden en

- vervolgens in het haar van die [slachtoffer 2] geëjaculeerd en

- de borsten van die [slachtoffer 2] betast/aangeraakt en

- in de borsten van die [slachtoffer 2] geknepen

en bestaande dat geweld hierin dat verdachte:

- die [slachtoffer 2] op de grond heeft geduwd en

- zijn hand voor de mond van die [slachtoffer 2] heeft gehouden en

- het hoofd van die [slachtoffer 2] vast heeft gehouden en

- de ritsen van de jas en trainingsjas van die [slachtoffer 2] heeft opengeritst en

- de (broek)riem van die [slachtoffer 2] kapot heeft getrokken en vervolgens de broek en

onderbroek van die [slachtoffer 2] naar beneden heeft getrokken;

3. op 26 oktober 2016 te Schijndel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een (hand)tas met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 2] ;

4. op 04 december 2016 te Schijndel, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een tas inhoudende (onder meer) een portemonnee met als inhoud (onder meer) een hoeveelheid geld en een bankpas en een rijbewijs, toebehorende aan [slachtoffer 3] , welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken,

welk geweld hierin bestond dat hij, verdachte:

- het portier van de auto van die [slachtoffer 3] heeft geopend en

- vervolgens de nek van die [slachtoffer 3] met kracht vast heeft gepakt en gehouden en

- vervolgens die [slachtoffer 3] met kracht in de richting van de bijrijdersstoel heeft geduwd en

- vervolgens de tas van die [slachtoffer 3] heeft gepakt.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht. De officier van justitie vordert het opleggen van jeugddetentie voor de duur van een jaar, met aftrek van voorarrest, en de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte verzoekt in geval van schuldigverklaring verdachte te berechten volgens het jeugdstrafrecht en aan verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden reclasseringstoezicht en een ambulant hulpverleningstraject zoals door de deskundigen mw. G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater en mw. A.R. Kampkes-Meijer, GZ-psycholoog, geadviseerd in hun rapporten van respectievelijk 10 maart 2017 en 16 maart 2017.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf en maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Toepassing jeugdstrafrecht.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het sanctierecht voor volwassenen of jeugdigen toegepast dient te worden. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht is het mogelijk om het jeugdstrafrecht toe te passen op jongeren in de leeftijd van achttien tot drieëntwintig jaar als de rechter daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Met de officier van justitie, de verdediging en de deskundigen is de rechtbank van oordeel dat de persoonlijkheid van verdachte aanleiding geeft tot toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank verwijst in dit verband naar hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd. Derhalve zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

Bij het jeugdstrafrecht gelden andere, veelal lagere uitgangspunten voor straftoemeting. Bij de strafoplegging wordt meegewogen wat de straf betekent voor de persoonlijke ontwikkeling van de jeugdige. Er wordt meer dan bij volwassenen rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verdachten.

De omtrent de persoon van verdachte uitgebrachte rapportages.

Op 10 maart 2017 heeft G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, een rapport

omtrent psychiatrisch onderzoek bij verdachte uitgebracht. De deskundige concludeert,

zakelijk weergegeven onder meer het volgende:

Bij verdachte is geen sprake van een ziekelijke stoornis, wel van een gebrekkige

ontwikkeling van de geestvermogens. Verdachte functioneert cognitief op

zwakbegaafd niveau en er zijn achterstanden in zijn sociaal emotionele ontwikkeling.

Vragen met betrekking tot de invloed op het tenlastegelegde, de toerekeningsvatbaarheid en

het recidivegevaar kunnen niet worden beantwoord gelet op de ontkennende houding van

verdachte voor wat betreft het tenlastegelegde.

Het advies van de deskundige is om aan verdachte in het kader van een deels

voorwaardelijke vrijheidsstraf verplicht reclasseringscontact en een behandeling met

betrekking tot seksualiteitsbeleving bij een forensische psychiatrische polikliniek zoals “De

Waag” op te leggen.

Ter zitting is door de psychiater een toelichting gegeven op haar rapport. Er is geen stoornis

in engere zin vastgesteld zodat in eerste instantie niet een pij-maatregel is geadviseerd.

De psychiater wil oplegging van een pij-maatregel evenwel niet uitsluiten, maar zegt de

noodzaak daarvan moeilijk te kunnen onderbouwen.

Op 16 maart 2017 is een psychologisch rapport uitgebracht door A.R. Kampkes-Meijer,

GZ-psycholoog. De deskundige concludeert, zakelijk weergegeven onder meer het

volgende:

Er is bij verdachte een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin

van zwakbegaafdheid vastgesteld. Er is sprake van een achterblijvende intellectuele, ego-

en sociaal-emotionele ontwikkeling. Er is tevens sprake van een zorgelijke en

gestagneerde persoonlijkheidsontwikkeling, waarbij in het gedrag voornamelijk narcistische

en antisociale gedragskenmerken worden gezien.

Vragen met betrekking tot de invloed van de gebrekkige ontwikkeling van de

geestvermogens op het tenlastegelegde en de toerekeningsvatbaarheid kunnen niet worden

beantwoord gelet op de ontkennende houding van verdachte ten aanzien van de

tenlastegelegde feiten. Op basis van statische factoren kan worden gesteld dat het

recidivegevaar matig-hoog is.

Geadviseerd wordt om het jeugdstrafrecht toe te passen. Behandeling in een forensische

psychiatrische polikliniek is geïndiceerd. Gedacht kan worden aan “De Catamaran” dan wel

“De Waag”, gericht op seksualiteitsbeleving en seksualiteitsontwikkeling. Geadviseerd

wordt een verplicht ambulant hulpverleningstraject als bijzondere voorwaarde bij een

(deels) voorwaardelijke straf, met langdurig reclasseringstoezicht.

Ter zitting heeft de psycholoog aangegeven dat het moeilijk is te adviseren gelet op de

beperkingen van verdachte en zijn ontkenning. Zowel ambulante behandeling van de

verdachte als het opleggen van een pij-maatregel zijn passend gelet op zijn situatie.

Beide deskundigen hebben ter zitting aangegeven dat de voor verdachte benodigde

behandeling ook beschikbaar is binnen het kader van een PIJ-maatregel.

Uit het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 20 maart 2017 betreffende

verdachte blijkt onder meer, zakelijk weergeven:

Het recidiverisico wordt ingeschat als matig. Geadviseerd wordt een (gedeeltelijk)

voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen met als bijzondere voorwaarden: begeleiding

door de jeugdreclassering en een ambulante behandeling, gericht op seksualiteitsbeleving en

-ontwikkeling en verdieping van de onderliggende diagnostiek. Een behandeltraject kan

mogelijk worden gestart bij De Catamaran. Ter zitting is nog aangegeven dat een intake op

4 juli a.s. bij De Catamaran tot de mogelijkheden behoort.

Verdere strafmaatoverwegingen.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich binnen ongeveer twee maanden schuldig gemaakt aan verkrachtingen van twee toevallig langsfietsende vrouwen en aan een diefstal met geweld in een parkeergarage waarbij het slachtoffer ook vrouwelijk was. Bij gelegenheid van een van de verkrachtingen heeft hij zich ook schuldig gemaakt aan diefstal van een tas.

Verkrachtingen en gewelddadige diefstallen veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers.

Verdachte heeft door zijn daden een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de slachtoffers en hun lichamelijke integriteit aangetast. Het door verdachte toegepaste geweld en de seksuele handelingen moeten een grote indruk op hen en hun naasten hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan. Uit de toelichting op de vorderingen van de benadeelde partijen en de slachtofferverklaring van mevrouw [slachtoffer] ter zitting blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte de ernst van het door hem aan zijn slachtoffers aangedane leed kennelijk niet inziet en verdachte niet of onvoldoende bereid is zijn gedrag te veranderen. Door de feiten ‘tegen de klippen op’ te ontkennen, neemt verdachte geen enkele verantwoordelijkheid voor zijn daden.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank acht uit een oogpunt van vergelding en ter beveiliging van de maatschappij een vrijheidsbeneming van lange duur op zijn plaats.

Voor een deels voorwaardelijke jeugddetentie ziet de rechtbank geen ruimte. De omvang en ernst van de gepleegde zedendelicten en het daardoor ontstane leed van de slachtoffers is daarvoor te groot.

Alles overwegende is de rechtbank tot de volgende straf gekomen. Gelet op de ernst van de feiten legt de rechtbank aan verdachte op een jeugddetentie voor de duur van een jaar, met aftrek als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Oplegging van de Pij-maatregel.

De rechtbank zal voorts de PIJ-maatregel aan verdachte opleggen. Gelet op de bijzondere ernst van de gepleegde feiten, de inhoud van de voornoemde rapportages van de psychiater, psycholoog en reclassering en de toelichting daarop ter zittingis de rechtbank van oordeel dat oplegging van de PIJ-maatregel het meest passend is om verdachte verder te kunnen vormen in zijn ontwikkeling, om invloed te kunnen uitoefenen op het gedrag van verdachte en te kunnen bewerkstelligen dat recidive wordt voorkomen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient er op grond van de bevindingen van de gedragsdeskundigen en de reclassering rekening mee gehouden te worden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. De psychologe heeft die kans als matig tot hoog ingeschat.

De rechtbank stelt vast dat de gepleegde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De misdrijven zijn begaan in een korte periode van twee maanden. De verkrachtingen betreffen zeer ernstige inbreuken op de lichamelijke integriteit van de slachtoffers. Op grond van hetgeen de deskundigen hebben gerapporteerd, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij verdachte ten tijde van het begaan van de misdrijven een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond. Daarnaast eist de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de PIJ-maatregel. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte.

De rechtbank is er gezien de ernst van de feiten, de hardnekkige ontkenning hiervan door verdachte, de beperkte medewerking van verdachte aan het gedragskundig onderzoek, de onbetrouwbaarheid van zijn uitlatingen over zijn seksuele belevingen en de vastgestelde problematiek bij verdachte, niet van overtuigd dat een ambulante behandeling zoals in eerste instantie door de deskundigen geadviseerd en door de raadsvrouw bepleit, toereikend zal zijn om verdachtes ontwikkeling en de kans op recidive wezenlijk te verbeteren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte er ter terechtzitting ook geen blijk van gegeven gemotiveerd te zijn voor een ambulante behandeling.

De vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer] en [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert de gehele toewijzing van elk van de vorderingen van de benadeelde partijen, met toepassing van de maatregel tot schedevergoeding en toekenning van de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe van verdachte verzoekt de benadeelde partijen in geval de rechtbank tot vrijspraak komt, niet ontvankelijk te verklaren in hun vordering. In geval van bewezenverklaring verzoekt zij bij elke vordering de toekenning van immateriële schadevergoeding te matigen en [slachtoffer 2] tevens niet ontvankelijk te verklaren voor wat betreft de gevorderde vergoeding voor een haarkrultang.

Beoordeling. De rechtbank acht de vorderingen in het geheel toewijsbaar, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van het delict tot de dag der algehele voldoening, met uitzondering van de door [slachtoffer 2] gevorderde vergoeding voor een stijltang ter waarde van € 24,99 omdat in zoverre geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit ontstane schade.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partijen tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor de toegewezen bedragen tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan de slachtoffers bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van het delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen komen te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen, daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de Staat komen te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 27, 36f, 77c, 77i, 77l, 77s, 242, 310, 312.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3 en feit 4 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 primair: verkrachting. T.a.v. feit 2 primair: verkrachting. T.a.v. feit 3: diefstal. T.a.v. feit 4: diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt verdachte de volgende straf en maatregel op:

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4:plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

T.a.v. feit 1 primair, feit 2 primair, feit 3, feit 4:jeugddetentie voor de duur van 1 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van hetWetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1 primair:maatregel van schadevergoeding van € 3.787,61 subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] , van een bedrag van € 3.787,61

(zegge: drieduizend zevenhonderd en zevenentachtig euro en éénenzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag betreft een vergoeding van € 3.000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 787,61 voor materiële schade. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (30 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. feit 2 primair, feit 3:maatregel van schadevergoeding van € 3.094,95 subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , van een bedrag van € 3.094,95

(zegge: drieduizend vierennegentig euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag betreft een vergoeding van € 3.000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 94,95 voor materiële schade. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (26 oktober 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

T.a.v. feit 4:maatregel van schadevergoeding van € 574,35 subsidiair 10 dagen vervangende jeugddetentie.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] , van een bedrag van € 574,35

(zegge: vijfhonderdvierenzeventig euro en vijfendertig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 dagen jeugddetentie. Het bedrag betreft een vergoeding van € 500,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 74,35 voor materiële schade. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op. Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (4 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van een bedrag van € 3.787,61 (zegge: drieduizend zevenhonderd en zevenentachtig euro en éénenzestig eurocent). Het bedrag betreft een vergoeding van € 3.000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 787,61 voor materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (30 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] van een bedrag van € 3.094,95 (zegge: drieduizend vierennegentig euro en vijfennegentig eurocent). Het bedrag betreft een vergoeding van € 3000,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 94,95 voor materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (26 oktober 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering voor zover deze een bedrag van € 94,95 terzake materiële schade te boven gaat.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van een bedrag van € 574,35 (zegge: vijfhonderdvierenzeventig euro en vijfendertig eurocent).

Het bedrag betreft een vergoeding van € 500,00 voor immateriële schade en een vergoeding van € 74,35 voor materiële schade.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict (4 december 2016) tot aan de dag der algehele voldoening.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. J.G. Vos, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 23 juni 2017.