Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3478

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-06-2017
Datum publicatie
11-08-2017
Zaaknummer
16_3428
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“Gezien de psychogeriatrische aandoening waaraan eiser lijdt (Alzheimer), de ruis in zijn oren en de uit de buikholte verwijderde tumor, gaat de rechtbank er van uit dat de door het CIZ afgegeven AWBZ-indicatie voor persoonlijke verzorging verband houdt met een somatische of psychogeriatrische aandoening, hoewel dat niet met zoveel woorden uit de indicatie blijkt. Daaruit volgt dat eisers aanspraak op persoonlijke verzorging onder de Zvw valt en dat zijn beroep op het overgangsrecht faalt. T.a.v. de stelling dat persoonlijke verzorging onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt, nu de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding, bestaande uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, overweegt de rechtbank als volgt. Indien de behoefte aan PV thans geen verband zou houden met eisers somatische en/of psychogeriatrische aandoeningen, hetgeen de rechtbank overigens niet aannemelijk voorkomt, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser een aanvraag zou moeten indienen onder de Zvw. Redengevend daarvoor is dat bij eiser, gegeven de te verwachten ontwikkeling van eisers ziektebeeld, sprake is van een hoog risico op behoefte aan geneeskundige zorg zoals bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit Zorgverzekering.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/3428

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E. van der Maal),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.C.N. van Dijk).

Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) aan eiser voor de periode van 1 oktober 2015 tot en met 1 oktober 2016 een maatwerkvoorziening toegekend voor individuele begeleiding voor 12 uur in de week in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb).

Bij besluit van 4 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en de ingangsdatum van de geboden voorziening vervroegd naar 1 januari 2015. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Aan eiser is bij besluit van 11 oktober 2011 van het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) met ingang van diezelfde datum zorg toegekend op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), bestaande uit persoonlijke verzorging (klasse 2 = 2 tot 6,9 uur per week) en begeleiding groep (klasse 4 = 4 dagdelen per week). Eiser ontving deze zorg in de vorm van een pgb. Deze indicaties hadden een looptijd tot 10 oktober 2016 respectievelijk 31 december 2015.
In oktober 2015 heeft een medewerker van WIJ-Eindhoven met eiser een zogenaamd keukentafelgesprek gevoerd, waarna eiser op 15 december 2015 een aanvraag heeft ingediend voor een voorziening op grond van de Wmo 2015.
WIJ-Eindhoven heeft vervolgens het – niet in een rapportage vervatte – advies uitgebracht om eiser in aanmerking te brengen voor 12 uur individuele begeleiding per week op grond van de Wmo 2015. Verweerder heeft dit advies van WIJ-Eindhoven overgenomen en het primaire besluit genomen.

1.2

In afzonderlijke besluitvormingstrajecten is aan eiser al een pgb voor huishoudelijke hulp toegekend en aan eisers partner een pgb voor begeleiding. Voor zover de begeleiding van eiser zich uitstrekt over hulp bij de administratie, is dit geregeld in het bewindvoeringstraject. Deze voorzieningen vormen in deze procedure geen onderwerp van geschil.

1.3

Eiser heeft in bezwaar aangevoerd dat verweerder hem – gezien de indicatie van het CIZ - in aanmerking had moeten brengen voor zestien uur begeleiding in plaats van twaalf. Verder heeft verweerder hem ten onrechte geen voorziening geboden ten behoeve van persoonlijke verzorging (PV). Verweerder heeft in de bezwaarprocedure eiser op 25 maart 2016 gehoord.

1.4

Vervolgens heeft verweerder op 18 april 2016 TriviumPlus verzocht eiser geneeskundig te onderzoeken en verweerder te adviseren inzake de op grond van de Wmo 2015 toegekende individuele begeleiding aan eiser. Daarbij heeft verweerder de volgende vraag gesteld aan TriviumPlus:
“Kunt u aangeven of het aantal uren pgb dat belanghebbende aan begeleiding per week nodig zal moeten hebben met 12 uur per week voldoende is of dient dit meer te zijn?”
Op 8 juli 2016 heeft TriviumPlus medisch advies uitgebracht aan verweerder.

Uit dit advies, voor zover hier van belang, blijkt dat eiser een 76-jarige man is die met zijn echtgenote een niet-aangepaste woning in Eindhoven bewoont. Eiser is bekend met een zich ontwikkelende psychogeriatrische aandoening (Alzheimer), gekenmerkt door vergeetachtigheid en een afnemende zelfredzaamheid. Eiser wordt behandeld met medicatie, voorgeschreven door een geriater. Eiser is voorts bekend met een ruis in zijn oren en bij hem is in 2015 een goedaardige tumor uit de buikholte verwijderd. Als gevolg van bovenstaande aandoeningen heeft eiser stoornissen in het lichamelijk en psychisch functioneren. Hierdoor zijn er beperkingen op het gebied van de zelfredzaamheid en sociale participatie. Eiser kan steeds minder goed voor zichzelf zorgen en er is regelmatig sturing en controle nodig.
Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft TriviumPlus positief geadviseerd voor de toekenning van een pgb voor begeleiding in verband met het houden van toezicht en aansturing bij de uitvoering van diverse eenvoudige taken en de ondersteuning bij praktische vaardigheden. Er is echter geen reden voor ophoging van de individuele begeleiding tot boven de 12-13 uur per week, aldus TriviumPlus.
In het advies wordt verder opgemerkt dat eiser hulp nodig heeft bij PV, maar dat dit geen begeleiding in de zin van de Wmo 2015 is. Desgewenst kan eiser zich voor de PV wenden tot de zorgverzekeraar, aldus TriviumPlus.

2. Op 4 oktober 2016 heeft verweerder het bestreden besluit genomen, onder verwijzing naar het advies van TriviumPlus. In het bestreden besluit is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en is aan eiser met ingang van 1 januari 2015 een pgb toegekend voor individuele begeleiding voor 12 uur per week. Ten aanzien van het aantal uren begeleiding en de toekenning van PV heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Ten aanzien van de PV heeft verweerder in het bestreden besluit daarbij aangegeven, onder verwijzing naar artikel 2.10 van het Besluit Zorgverzekering, dat deze zorg vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) ook verleend kan worden aan verzekerden bij wie nog geen sprake is van een ziekte, aandoening of beperking, maar die wel een hoog risico hierop hebben zoals ouderen met een lichamelijke aandoening of beperking of met dementie of, in het algemeen, mensen bij wie de gezondheidssituatie snel kan veranderen en verslechteren en die dikwijls al (intensief) te maken hebben met huisartsenzorg of ziekenhuiszorg.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen hij heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover van belang – nader worden ingegaan.

3.1

Ter zitting heeft eiser zijn beroepsgronden laten vallen voor zover die betrekking hebben op het toegekende pgb voor individuele begeleiding. Ten aanzien van de grond dat het toegekende pgb te laat zou zijn uitbetaald heeft eiser ter zitting erkend dat dit op zichzelf geen reden voor vernietiging van het bestreden besluit oplevert. Deze punten behoeven daarom geen bespreking meer.

Eiser heeft ter zitting wel volhard in zijn standpunt dat hij aanspraak kan maken op een voorziening voor PV. In dit verband stelt eiser dat, omdat er geen indicatie op grond van de Wet langdurige zorg is verleend, het overgangsrecht op zijn situatie van toepassing is tot 1 juli 2017. Verweerder is daarom verantwoordelijk voor zorg en ondersteuning.

4. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de PV waarop eiser aanspraak wil maken niet wordt geboden vanuit de Wmo 2015, maar de Zvw. Verweerder acht zich dan ook niet gehouden een voorziening daarvoor te treffen.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De door het CIZ afgegeven indicatie voor PV liep tot 10 oktober 2016. Ingevolge artikel 8.3, eerste lid van de Wmo 2015, houdt een persoon ten aanzien van wie een AWBZ-indicatiebesluit is afgegeven dat tot en met 2015 of 2016 doorloopt en waarin is vastgesteld dat hij is aangewezen op AWBZ-zorg, recht op dezelfde zorg van verweerder tot uiterlijk 31 december 2015, afhankelijk van de einddatum van de indicatie.

5.2

Uitgaande van voornoemd artikel 8.3 van de Wmo 2015 zou eiser ook na 1 januari 2015 aanspraak maken op PV jegens verweerder. Artikel 8.1 van de Wmo 2015 – voor zover hier van belang – bepaalt echter dat met ingang van 1 januari 2015 de aanspraken op AWBZ-zorg niet langer mede PV omvatten, anders dan in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening/beperking of een lichamelijke beperking.
Met andere woorden, eisers AWBZ-aanspraken mochten dan nog wel doorlopen na 1 januari 2015, maar tot deze AWBZ-aanspraken behoorde in beginsel niet langer PV.

5.3

Voor zover voorts de PV waarvoor eiser onder de AWBZ was geïndiceerd betrekking heeft op (extramurale) PV in verband met een somatische of psychogeriatrische aandoening/beperking of een lichamelijke beperking, heeft te gelden dat deze zorg onder de werking van de Zvw is gebracht.
De rechtbank verwijst daartoe naar de wetsgeschiedenis, waarin is geschreven:
“De regering heeft in de brief van 6 november 2013 aangegeven dat overwegingen van zorginhoudelijke aard doorslaggevend zijn geweest bij de keuze de persoonlijke verzorging niet onder te brengen in dit wetsvoorstel, maar in de Zvw.”
en
“De afbakening van de verantwoordelijkheden en taken van gemeenten vindt, zoals hiervoor al aangegeven, niet alleen plaats in de opdracht voor gemeenten en de uitwerking daarvan, maar ook in de beschrijving van de groepen van personen die een beroep kunnen doen op het voorstel van Wet langdurige zorg (Wlz), de Jeugdwet en de (nieuwe) aanspraak thuisverpleging in de Zorgverzekeringswet (Zvw). Uitgangspunt van dit wetsvoorstel is dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de maatschappelijke ondersteuning van hun ingezetene tot aan het moment dat deze een indicatie heeft voor zorg op grond van de (nieuwe) Wlz. Op dat moment is immers langs de weg van objectieve, in het wetsvoorstel Wlz op te nemen, criteria vastgesteld dat de beperkingen van dien aard zijn dat iemand recht op zorg en verblijf krijgt ten laste van de Wlz. (…) Voorts hebben mensen duidelijk afgebakende aanspraken op zorg als omschreven in de Zvw. Vanuit de nieuwe aanspraak thuisverpleging worden verpleging en verzorging in samenhang geleverd aan mensen met voornamelijk lichamelijke aandoeningen waarbij over het algemeen sprake is van medische problematiek. Ook mensen met dementie worden onder de aanspraak wijkverpleging gepositioneerd.”

en
“Het wetsvoorstel houdt in dat de AWBZ-aanspraken begeleiding, kortdurend verblijf, vervoer, persoonlijke verzorging, beschermd wonen en doventolkzorg (dat is de zorg door een doventolk bij een gesprek in de leefsituatie) met ingang van 1 januari 2015 komen te vervallen. Cliënten die behoefte hebben aan enige vorm van ondersteuning ten behoeve van hun zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang daarvoor op grond van het wetsvoorstel en met inachtneming van de daarin opgenomen regels, zijn aangewezen op ondersteuning door de gemeente. Wat persoonlijke verzorging betreft, zij opgemerkt dat verzorging die wordt geleverd aan cliënten met lichamelijke aandoeningen bij wie in de regel sprake is van medische problematiek, met ingang van 2015 wordt geleverd op grond van de nieuwe aanspraak wijkverpleging ingevolge de zorgverzekering. Dit geldt ook voor de verzorging voor mensen met dementie.” (Tweede Kamer, vergaderjaar 2013-2014, 33 841, nr. 3, p. 4, 14-15 en 78)

5.4

Gezien de psychogeriatrische aandoening waaraan eiser lijdt (Alzheimer), de ruis in zijn oren en de uit de buikholte verwijderde tumor, gaat de rechtbank er van uit dat de door het CIZ afgegeven indicatie voor PV verband houdt met een somatische of psychogeriatrische aandoening, hoewel dat niet met zoveel woorden uit de indicatie blijkt. Daaruit volgt gezien het voorgaande dat eisers aanspraak op PV onder de Zvw valt.

5.5

Eisers beroep op het overgangsrecht faalt gezien het bovenstaande.

5.6

Eiser stelt verder dat de PV wel degelijk valt onder de reikwijdte van de Wmo 2015, nu de behoefte aan persoonlijke verzorging samenhangt met de behoefte aan begeleiding. PV op grond van de Wmo 2015 kan dan bestaan uit hulp bij de algemene dagelijkse levensverrichtingen, aldus eiser.

5.7

Indien de behoefte aan PV thans geen verband zou houden met eisers somatische en/of psychogeriatrische aandoeningen, hetgeen de rechtbank overigens niet aannemelijk voorkomt, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank eveneens terecht op het standpunt gesteld dat eiser een aanvraag zou moeten indienen onder de Zvw. Redengevend daarvoor is dat bij eiser, gegeven de te verwachten ontwikkeling van eisers ziektebeeld, sprake is van een hoog risico op behoefte aan geneeskundige zorg zoals bedoeld in artikel 2.10 van het Besluit Zorgverzekering.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.T.C. Wijsman, voorzitter, en mr. A.F.C.J. Mosheuvel en mr. J.J. Janssen, leden, in aanwezigheid van H.J. Renders, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.