Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3442

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
23-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
01/860261-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een motorrijtuig door een rood verkeerslicht gereden, waardoor de auto van verdachte in aanrijding is gekomen met een door groen verkeerslicht rijdende vrachtauto. Een inzittende van de auto van verdachte is ten gevolge van deze aanrijding overleden.

Uit de bewijsmiddelen blijkt dat het voor verdachte geldende verkeerslicht reeds een zeer aanzienlijke tijdspanne (32 seconden) rood licht uitstraalde en verdachte bij het naderen en passeren van dat verkeerslicht niet voortdurend zicht hierop had. Sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank legt een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis op en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860261-16

Datum uitspraak: 23 juni 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1994,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 9 juni 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 10 mei 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Deurne als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Helmondsingel (N270), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg, Binderendreef, geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting (voor linksaf slaand verkeer) bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en/of (vervolgens) op die kruising linksaf te slaan (in de richting van die Binderendreef), op het moment dat een hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto zo dicht was genaderd dat (mede) daardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die vrachtauto, waardoor een ander (te weten een inzittende van dat door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 10 maart 2016 te Deurne als bestuurder van een voertuig (personenauto) op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Helmondsingel (N270), op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg, Binderendreef, geen gevolg heeft gegeven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting (voor linksaf slaand verkeer) bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen die door hem, verdachte, bestuurde personenauto en een op die kruising hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto, waarbij (dodelijk) letsel aan personen is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht;

(artikel 62 juncto 68 Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990)

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Inleiding.

Op donderdag 10 maart 2016 vond een ongeval plaats op de T-kruising N270 met de Helmondsingel en de Binderendreef te Deurne. Bij dit ongeval waren een personenauto, met als bestuurder verdachte, en een vrachtwagen betrokken. Bij dit ongeval kwam de moeder van de vriendin van verdachte, [slachtoffer] , die naast verdachte op de passagiersstoel zat, te overlijden.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gehandeld.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het aan verdachte ten laste gelegde feit. De raadsvrouwe heeft daartoe - kort gezegd – aangevoerd dat uit de feiten en omstandigheden niet is af te leiden dat er sprake is van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag en de bewustheid daarvan. Volgens de verdediging kan dan ook niet geconcludeerd worden dat verdacht zich schuldig heeft gemaakt aan het bepaalde in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De bewijsmiddelen. 1

de verklaring van verdachte.

Op 10 maart 2016 reed ik in de personenauto van mijn schoonvader, een Kia Sorento. Ik reed op de Helmondsingel in Deurne en naderde de T-kruising Helmondsingel-Binderendreef, komende vanuit de richting Venray. Ik was voornemens op deze kruising naar links van richting te veranderen en mijn weg over de Binderendreef, richting Vlierden, te vervolgen. Toen ik ongeveer 30 meter voor deze kruising reed meende ik dat het verkeerslicht voor linksaf op groen stond. Nagenoeg op datzelfde moment zag ik dat rechts voor mij, op de rijbaan voor het verkeer richting Helmond, een, voor mij, bekende auto reed. Ik zag dat de auto van een vriendin van mij was. Ik heb toen nog naar mijn vriendin gezwaaid. Ik was nog steeds van mening dat het verkeerslicht voor linksaf op groen stond. Ik sloeg vervolgens, met de door mij bestuurde auto, linksaf. Op het moment dat ik afsloeg en ik nog niet op de rijbaan voor het tegemoetkomende verkeer stond, zag ik uit tegenovergestelde richting een vrachtauto naderen. Ik reed dus gewoon door en op dat moment zag ik dat die vrachtauto niet stopte voor het verkeerlicht. Ik zag dat de vrachtauto steeds dichter bij kwam. Ik heb toen nog geremd maar het was te laat. Hierna is die vrachtauto in botsing gekomen met de auto waarvan ik de bestuurder was.2

Ik rij regelmatig op de kruising Helmondsingel-Binderendreef en ben dus best bekend met genoemde kruising.3 Ik heb tijdens het voorsorteren gezwaaid naar een bekende van mij die op de rijstrook voor recht doorgaand verkeer reed en zag dat het verkeerslicht voor recht doorgaand verkeer op groen stond. Ik was op dat moment in gesprek met de moeder van mijn vriendin die naast me zat op de passagiersstoel. 4

De verklaring van getuige.

Op 10 maart 2016 reed ik in een vrachtwagen, een Volvo, op de Helmondsingel te Deurne en reed in de richting van Venray. Ter hoogte van een benzinestation ligt een kruising met stoplichten. Op het moment dat ik daar aan kom rijden, staan er twee auto's voor mij. Deze auto's staan te wachten voor het rode verkeerslicht voor rechtdoor. Ik laat mijn vrachtwagen op dat moment uitrollen, omdat ik dacht dat ik ook zou moeten gaan stoppen. Na enkele seconden zie ik dat het verkeerslicht groen wordt. Op dat zelfde moment zie ik dat de twee auto's voor mij wegrijden bij het verkeerslicht. Ik trek mijn vrachtwagen op, om ook door te kunnen rijden. Op dat moment zit er tussen mijn vrachtwagen en de achterste auto ongeveer 25/30 meter. Ik zag op de baan voor het tegemoetkomend verkeer een aantal auto's staan. Er stonden twee auto's voorgesorteerd voor rechtdoor (richting Helmond) en één auto voor linksaf (richting het spoor). Op het moment dat de twee auto's die voor mij stonden wegreden, zag ik dat de twee auto's in tegengestelde richting ook wegreden. Ik denk dat de verkeerslichten voor rechtdoor tegelijkertijd op groen sprongen, voor zowel richting Deurne als richting Helmond. Op dat moment zie ik dat de auto, die voorgesorteerd stond voor linksaf, ook wegreed. Ik zag dat hij ineens gas gaf, ik dacht om achter die twee andere auto's aan te rijden. Dit zag ik doordat zijn auto ineens met snelheid naar voren reed, vanaf dat verkeerslicht. Ik zag op dat zelfde moment, eigenlijk in een fractie van een seconde, dat hij zijn auto naar links om gooide. Op het moment dat ik de auto zie draaien druk ik mijn rem helemaal in. Ik zie op dat moment dat de auto de bocht maakt, op het moment dat de auto horizontaal voor mij rijdt raak ik de rechterzij kant van de auto.5

De verklaring van getuige

Op 10 maart 2016 reed ik als bestuurder van mijn personenauto over de weg van Helmond naar Deurne, dat is de N270. Voor mij reed een blauwe personenauto, een Fiat Panda en daarvoor een vrachtauto. Op enig moment kom ik in Deurne aan op die weg. Daar stond het verkeerslicht op rood en stopten we allemaal. Ik stond dus stil achter die blauwe Fiat Panda met daarvoor die vrachtauto. Ik heb daar even stilgestaan waarna het verkeerslicht op groen sprong. Ik ben er bijna zeker van dat ik dit ook echt zo gezien heb. Ik zag dat de vrachtauto en de blauwe Fiat Panda optrokken en aanreden. Ook ik trok op en volgde mijn voorliggers. Tijdens deze actie en terwijl ik schakelde van de 1ste naar de 2e versnelling, zag ik dat vanuit tegenovergestelde richting een personenauto, ik meen grijs van kleur, over een voorsorteer vak, de kruising opreed en pardoes voor de vrachtauto linksaf reed. Ik kon dat zien omdat ik makkelijk links langs de vrachtauto kon kijken. Ik zag meteen dat het foute boel was en dat die personenauto en vrachtauto elkaar raakten. Ik meende namelijk dat die vrachtauto geen tijd had gehad om die afbuigende personenauto te ontwijken.6

Het relaas van verbalisant [verbalisant]

Op donderdag 10 maart 2016 omstreeks 12:00 uur heb ik een onderzoek ingesteld naar de werking van een verkeersregelinstallatie naar aanleiding van een verkeersongeval op die dag omstreeks 11:23 uur, had plaatsgevonden op het kruisingsvlak van de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de provinciale weg N270 (ter plaatse bekend als Helmondsingel) en de Binderendreef, beiden gelegen buiten de bebouwde kom van Deurne in de gemeente Deurne. Met betrekking tot de gedragingen van de bestuurder van de Volvo kan het volgende worden geconcludeerd dat op het moment dat hij de koplus verliet, de verkeerslantaarn 13 seconden groen licht uitstraalde. Met betrekking tot de gedragingen van de bestuurder van de Kia kan worden geconcludeerd dat door hem het rode licht werd genegeerd bij het oprijden van de kruising en dat dit verkeerslicht reeds geruime tijd, namelijk 32 seconden, rood licht uitstraalde.7

Verslag betreffende een niet natuurlijke dood

[slachtoffer] , geboren [geboortedatum 2] 1964, is op 10 maart 2016 overleden. [lijkschouwer] , lijkschouwer, verklaart dat [slachtoffer] als gevolg van een verkeersongeval is overleden.8

Het oordeel van de rechtbank.

De vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Dit betekent dat er sprake moet zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Een lichtere vorm van schuld is hiervoor onvoldoende. Niet elk tekortschieten, niet elke verkeersovertreding is voldoende voor het aannemen van schuld. Bij het vaststellen van een dergelijke onvoorzichtigheid gaat het om de vraag of de verdachte objectief gezien een ernstige fout heeft gemaakt dan wel zijn rijgedrag aanmerkelijk onder de maat is gebleven van wat van een automobilist wordt geëist. Bij de beoordeling van de schuldvraag komt het volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient het opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Op grond van de inhoud van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen staat voor de rechtbank vast dat verdachte op klaarlichte dag op een overzichtelijke T-kruising (Helmondsingel Binderendreef) een ten tijde van het passeren van de koplus al 32 seconden lang uitstralend rood verkeerslicht heeft genegeerd en aldus handelend zijn weg linksaf in de richting van de Binderendreef heeft vervolgd. De bestuurder van de vrachtwagen is de kruising opgereden op het moment dat het voor hem geldende verkeerslicht op groen stond. Het ongeval vond plaats bij daglicht en het zicht voor beide bestuurders was onbelemmerd. Bovendien heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de weg en deze kruising goed kende omdat hij er regelmatig reed. Verder verklaarde verdachte dat hij net voor het passeren van het verkeerslicht nog gezwaaid heeft naar een bekende die hij meende te herkennen in een voertuig dat voor rechtdoor gaand verkeer voorgesorteerd stond en dat hij heeft opgemerkt dat het verkeerslicht voor recht doorgaand verkeer groen licht uitstraalde. Gelijktijdig voerde verdachte een gesprek met de persoon die naast hem zat op de passagiersstoel, het latere slachtoffer [slachtoffer] . Uit deze bewijsmiddelen volgt dat het voor verdachte geldende verkeerslicht ten tijde van het verlaten van de koplus reeds een zeer aanzienlijke tijdspanne (32 seconden) rood licht uitstraalde en verdachte bij het naderen en passeren van dat verkeerslicht hier niet voortdurend zicht op heeft gehad, al dan niet als gevolg van het feit dat verdachte op dat moment zijn aandacht had gericht op het rechts van hem rijdende verkeer en zijn gesprekspartner op de bijrijderstoel.

Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook niet aannemelijk dat het ongeval een gevolg is geweest van een kort moment van onoplettendheid bij verdachte, zoals door de verdediging gesteld. Dit valt immers niet goed te rijmen met het feit dat het verkeerslicht op het moment waarop verdachte de stopstreep passeerde al geruime tijd (32 seconden) rood licht uitstraalde, waardoor geen sprake is van een kort moment van onoplettendheid en welke onoplettendheid mede redengevend is ter zake het verdachte in deze zaak te maken verwijt.

De rechtbank is van oordeel dat onder de concrete, hiervoor uiteengezette omstandigheden sprake is van een dusdanig ernstige verkeersfout dat gesproken kan worden van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag. Daarmee is er sprake van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

De rechtbank heeft in het strafdossier noch het verhandelde ter terechtzitting aanknopingspunten gevonden die maken dat aan de inhoud van die bewijsmiddelen behoort te worden getwijfeld.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder "de bewezenverklaring" nader zal worden omschreven.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 10 maart 2016 te Deurne als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, de Helmondsingel (N270), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend, op of ter hoogte van de kruising van die weg met de weg, Binderendreef, geen gevolg te geven aan een verkeersteken dat een gebod of verbod inhoudt, immers niet is gestopt voor een voor zijn rijrichting (voor linksaf slaand verkeer) bestemd driekleurig verkeerslicht dat rood licht uitstraalde, en vervolgens op die kruising linksaf te slaan in de richting van die Binderendreef, op het moment dat een hem, verdachte, tegemoetkomende vrachtauto zo dicht was genaderd dat mede daardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die vrachtauto, waardoor een ander (te weten een inzittende van dat door hem, verdachte, bestuurde, motorrijtuig, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist ter zake van het primair tenlastegelegde feit een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twaalf maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, heeft de verdediging bepleit dat ten voordele van verdachte moet meewegen dat verdachte werkzaam is als [beroep] bij de [bedrijf] te [gemeente] en hij zonder rijbewijs moeilijk zijn beroep zal kunnen uitoefenen. Daarnaast verzoekt de verdediging ten voordele van verdachte rekening te houden met het nagenoeg blanco strafblad van verdachte en met de impact die het ongeval op verdachte had en nog lang zal hebben. De verdediging verzoekt de geëiste taakstraf te matigen en acht met betrekking tot een eventuele rijontzegging een geheel voorwaardelijke rijontzegging passend en geboden.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Deze oriëntatiepunten nemen in het geval van het veroorzaken van een dodelijk verkeersongeval door een aanmerkelijke verkeersfout tot uitgangspunt een taakstraf van 240 uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen gedurende 1 jaar.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een verkeersongeval waarbij de moeder van zijn vriendin, [slachtoffer] , is overleden. Verdachte en de moeder van zijn vriendin kwamen van het [ziekenhuis] vandaan en reden op de Helmondsingel waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Bij dit ongeval is [slachtoffer] komen te overlijden. Het leed dat door het ongeval is aangericht aan de nabestaanden is onherstelbaar. De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met deze ingrijpende en onomkeerbare gevolgen van het door verdachte begane misdrijf.

Tegelijkertijd houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met de omstandigheid dat hij zelf ook een goede bekende, de moeder van zijn vriendin, is verloren en dat hij verder moet leven met de wetenschap dat hij schuld heeft aan de dood van de moeder van zijn vriendin. Verder houdt de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat uit zijn proceshouding, ook naar de nabestaanden toe, blijkt dat hij inziet dat hij een fout heeft begaan en dat hem dat bijzonder spijt. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met het feit dat verdachte blijkens zijn justitiële documentatie d.d. 10 mei 2017 niet eerder terzake de Wegenverkeerswet veroordeeld is geweest.

Gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden ziet de rechtbank aanleiding in het voordeel van verdachte af te wijken van voornoemde oriëntatiepunten waarbij de rechtbank net als de officier van justitie rekening zal houden met de omstandigheid dat verdachte werkzaam is als [beroep] bij de [bedrijf] . De rechtbank acht een volledige voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid echter, gelet op de ernst van het feit en de gevolgen, niet aan de orde. De rechtbank volstaat met een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis, met daarnaast een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De rechtbank is van oordeel dat haar straf recht doet aan de feiten en omstandigheden zoals hiervoor weergegeven.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 14a, 14b, 14c,

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

BESLISSING:

Een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W.M. Weerkamp, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. B. Damen, leden,

in tegenwoordigheid van N.J.M. van Rooij, griffier,

en is uitgesproken op 23 juni 2017.

mr. B. Damen is buitens staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie, eenheid Oost-Brabant, District Helmond, Basisteam Peelland, registratienummer PL2100-2016054530.

2 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 11 maart 2016 (p. 11/12/13)

3 Proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] d.d. 29 maart 2016 (p. 14)

4 Verklaring verdachte ter terechtzitting d.d. 9 juni 2017

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 10 maart 2016 (p. 20/21/22/23)

6 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 11 maart 2016 (p. 18/19)

7 Analyse verkeersregelinstallatie d.d. 11 mei 2016 (p. 103/104)

8 Rapport van schouwarts d.d. 10 maart 2016