Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3303

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
16_2968
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

In de bezwaarfase sluiten belanghebbenden een compromis met de heffingsambtenaar en geven daarbij aan geen beroep in te stellen. De gestelde gemachtigde komt in beroep. De machtigingen die de gestelde gemachtigde overlegt dateren echter van voor de fiscale compromissen. Ook worden niet nieuwe machtigingen overgelegd, nadat de rechtbank de gestelde gemachtigde de gelegenheid daartoe heeft gegeven. Beroepen niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1611
V-N 2017/51.18.10
FutD 2017-1733
NLF 2017/1660 met annotatie van -
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/2968 en SHE 16/3221

uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juni 2017 in de zaak tussen

[eisers 1] te [woonplaats 1] , [eisers 2] , te [woonplaats 2] , hierna gezamenlijk te noemen: eisers

(gestelde gemachtigde: A. Öztürk, hierna: Öztürk),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Sint Anthonis, verweerder

(gemachtigde: mr. J.F. van Dongen).

Procesverloop

Bij afzonderlijke beschikkingen van 31 januari 2016, vervat in op die datum gedagtekend aanslagbiljetten, heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken de waarden van de onroerende zaken, plaatselijk bekend als [adres 1] te [woonplaats 1] en [adres 2] te [woonplaats 2] (hierna: de woningen), per waardepeildatum 1 januari 2015, voor het kalenderjaar 2016, vastgesteld op respectievelijk € 359.000 en

€ 187.000. Tevens zijn de aanslagen onroerende-zaakbelastingen voor het kalenderjaar 2016 bekend gemaakt, verenigd met de beschikkingen in afzonderlijke geschriften.

Op 15 september 2016 heeft verweerder met eisers afzonderlijk een fiscaal compromis gesloten. Bij brieven van 19 september 2016 is dit bevestigd aan eisers, alsmede aan hun gemachtigde.

Namens eisers is tegen de brieven van 19 september 2016 afzonderlijk beroep ingesteld.

Verweerder heeft afzonderlijke verweerschriften ingediend.

Öztürk heeft na het verweerschrift nadere stukken ingediend.

Bij aangetekende brief van 10 mei 2017 heeft de rechtbank partijen er op gewezen dat bij de behandeling van het beroep op de zitting van 16 mei 2017 allereerst de ontvankelijkheid van het beroep aan de orde zal worden gesteld. Uit onderzoek van de griffier is gebleken dat deze brief Öztürk heeft bereikt.

De rechtbank heeft de zaken gevoegd behandeld op de zitting van 16 mei 2017. Öztürk en eisers zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Özturk als gestelde gemachtigde is door de griffier bij aangetekende brief van 20 april 2017, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om bij de zitting van 16 mei 2017 aanwezig te zijn. Omdat Öztürk, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet ter zitting is verschenen, heeft de griffier onderzocht of de aangetekende brief Öztürk heeft bereikt. Gebleken is dat de brief op 22 april 2017 is afgehaald en dat voor ontvangst is getekend. Hiermee staat genoegzaam vast dat de uitnodiging Öztürk heeft bereikt.


Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Hoewel uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelet op de daarin gebezigde begrippen ‘belanghebbende’ en ‘besluit’, voortvloeit dat in afzonderlijke uitspraken op de beroepen van belanghebbenden moet worden beslist, zal de rechtbank haar beslissingen vastleggen in één uitspraak, gelet op de sterke samenhang tussen de beroepen (vlg. ECLI:NL:HR:2015:71 en ECLI:NL:GHARL:2015:7652).

2. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve gesteld voor de vraag of sprake is van ontvankelijke beroepen, nu het instellen van het beroep door Öztürk heeft plaatsgevonden nadat door eisers in bezwaar compromissen zijn gesloten met verweerder over de waarden van hun woningen, en in die compromissen expliciet is vermeld dat geen beroep zal worden ingesteld. In dat kader is het navolgende relevant.

3. Bij brieven van 4 maart 2016 en 12 februari 2016 heeft Öztürk van WOZ Raadslieden namens eisers bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikkingen betreffende de onroerende zaken [adres 1] te [woonplaats 1] en [adres 2] te [woonplaats 2] voor het kalenderjaar 2016 (waardepeildatum 1 januari 2015), met aanslagnummers [nummers] en gedagtekend 31 januari 2016. Daarbij heeft Öztürk machtigingen van eisers overgelegd, die zijn gedateerd op 1 maart 2016 en 9 februari 2016.

4. Op 15 september 2016 heeft verweerder met eisers in persoon afzonderlijk een fiscaal compromis gesloten, afzonderlijk door hen ondertekend. Bij brieven van 19 september 2016 is dit bevestigd aan eisers, alsmede aan hun gemachtigde, met vermelding van hetgeen tussen verweerder en eisers is overeengekomen. In deze brieven van 19 september 2016 is vermeld dat dit compromis inhoudt dat de waarde van de onroerende zaak wordt verminderd, dat aan gemachtigde proceskosten in bezwaar worden toegekend tot een hoogte van € 246 (per zaak) en dat geen taxatiekosten worden vergoed, omdat geen opdracht tot het uitvoeren van een taxatie is verstrekt.

5. Öztürk is als (gestelde) gemachtigde tegen de brieven van 19 september 2016 in beroep gekomen. Hij heeft daarbij als bijlage de machtigingen gevoegd die hij eerder in bezwaar heeft overgelegd. Daarnaast heeft Öztürk later in de procedure nog laten weten dat hij op

20 september 2016 telefonisch contact heeft gehad met eisers en dat eisers toen mondeling hebben ingestemd met de beroepsprocedure.

6. Op grond van artikel 8:1, eerste lid, van de Awb kan een belanghebbende tegen een besluit beroep instellen bij de rechtbank. Op grond van artikel 8:24, eerste lid, van de Awb kunnen partijen zich laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de rechtbank van de gemachtigde een schriftelijke machtiging kan verlangen. Op grond van artikel 6:6 van de Awb kan het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

7. De rechtbank stelt vast dat Öztürk in beide zaken een machtiging heeft overgelegd. Deze machtigingen dateren echter van vóór het fiscaal compromis dat verweerder in de bezwaarfase heeft gesloten met beide eisers. De machtigingen voldoen, gelet daarop, niet zonder meer voor de beroepsfase. Daarbij heeft ook meegewogen dat in de compromissen expliciet is vermeld dat eisers niet in beroep gaan. Vanwege de ontstane twijfel bij de rechtbank over de vraag of Öztürk (nog) wel gemachtigd was om namens eisers beroep in te stellen, heeft de rechtbank, met gebruikmaking van de aan haar ingevolge artikel 8:24, tweede lid, van de Awb toekomende bevoegdheid, bij brief van 10 mei 2017 Öztürk de gelegenheid geboden om ofwel een schriftelijke verklaring ofwel een recente machtiging te overleggen, afgegeven door de hierboven genoemde eisers, waaruit volgt dat zij ieder afzonderlijk Öztürk machtigen tot het instellen van de beroepen. In de brief van 10 mei 2017 is Öztürk er verder op gewezen dat indien niet uiterlijk voor aanvang van de zitting aan dit verzoek wordt voldaan, de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk kan verklaren.

8. Voorafgaand aan de zitting heeft de rechtbank van Öztürk geen stukken ontvangen. Öztürk is bovendien, ondanks het feit dat hij per aangetekende brief op de hoogte is gesteld van de datum en het tijdstip van de behandeling van de zaak op zitting, niet ter zitting verschenen. Nu Öztürk het door de rechtbank geconstateerde, in rechtsoverweging 7 omschreven, verzuim niet heeft hersteld, terwijl hij daarvoor wel door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld, verklaart de rechtbank de beroepen niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Soeteman, voorzitter, en mr. F.M. Rijnbeek en

mr. F.J.H.L. Makkinga, leden, in aanwezigheid van drs. H.A.J.A. van de Laar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juni 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.