Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:3211

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
23-06-2017
Zaaknummer
16_3679
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende. Eiser woont op 300 meter afstand van een inrichting. Hij ondervindt gevolgen van enige betekenis van de inrichting maar ziet het trafohuisje niet en dat ligt ook niet in de onmiddellijke nabijheid. De betrokken vergunning ziet op meerdere activiteiten maar de bouw en het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het trafohuisje hangen niet onlosmakelijk samen met de werkzaamheden ten behoeve waarvan de milieuneutrale wijziging is aangevraagd. Het beroep ziet evenmin op de milieuneutrale wijziging van de inrichting. Eiser heeft er op de zitting nog op gewezen dat het trafohuisje wel onderdeel uitmaakt van de inrichting. De rechtbank is echter van oordeel dat de vraag of iemand belanghebbende is, niet per inrichting maar per omgevingsvergunning en dan vervolgens per besluitonderdeel van die omgevingsvergunning moet worden beoordeeld. Nu het beroep niet ziet op een besluitonderdeel dat onlosmakelijk is verbonden met een ander besluitonderdeel waarvoor omgevingsvergunning is verleend, heeft eiser niet langer een rechtstreeks betrokken belang. De rechtbank merkt hierbij wel op dat eiser in bezwaar ook nog opkwam tegen de verleende toestemming voor de bouw van de silo’s. Die kan eiser zien vanuit zijn woning en daarom heeft verweerder eiser terecht ontvankelijk geacht in zijn bezwaren.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/3679

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juni 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. E.H.E.J. Wijnen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sint Anthonis, verweerder

(gemachtigde: J.M.A. van der Burgt-Willems).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Cleanergy B.V., te Wanroij, vergunninghoudster.

Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder aan vergunninghoudster een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een biofilter, vier voersilo’s en een trafohuisje en het milieuneutraal veranderen van de inrichting op het perceel [adres 1] .

Bij besluit van 26 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 mei 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Namens de derde-partij is [persoon 1] verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.
Op 6 maart 2012 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (verder: GS) aan Cleanergy een oprichtingsvergunning op grond van de Wet milieubeheer verleend voor het vergisten van een mengsel van dierlijke meststoffen en cosubstraten. Deze is gewijzigd bij besluit van 4 februari 2013. In het besluit van 4 februari 2013 is de vergunning voor de eerder vergunde uitbreidingen ingetrokken en is de capaciteit van de inrichting tot 36.000 ton per jaar aan dierlijke mest en cosubstraten beperkt. Verder zijn gewijzigde voorschriften verbonden aan de milieuvergunning van 6 maart 2012. Tot de inrichting, zoals deze in werking is na de gedeeltelijke intrekking en wijziging van de vergunning, behoort geen IPPC-installatie. De gewijzigde vergunning is onherroepelijk sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 19 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:555).

2. Eiser heeft in het verleden om handhaving van, onder meer een aantal voorschriften van de beide milieuvergunningen, verzocht. De hieruit voortvloeiende procedure heeft geleid tot de uitspraak van deze rechtbank van 3 februari 2015 (ECLI:NL:RBOBR:2015:547). Hierin heeft de rechtbank vastgesteld dat voor de op 12 januari 2007 gebouwde silo’s, het biofilter, het laad- en losdock en het trafohuis een omgevingsvergunning is vereist voor het bouwen èn het afwijken van het bestemmingsplan. De milieuvergunning van 6 maart 2012, gewijzigd op 4 februari 2013, ziet wel op deze onderdelen.

3. Op 19 november 2015 heeft vergunninghoudster een aanvraag om omgevingsvergunning ingediend voor de activiteiten bouwen van een bouwwerk en het milieuneutraal veranderen van haar inrichting. De aanvraag voor bouwen betreft de plaatsing van een biofilter, vier voersilo’s en het trafohuisje. De aanvraag voor een milieuneutrale verandering van de inrichting betreft het in gebruik hebben van het geplaatste biofilter en het bijplaatsen van twee voersilo’s bij de twee bestaande silo’s.

4. Eiser woont op het adres [adres 2] en heeft vanuit zijn woning zicht op het terrein van de inrichting. Hij woont op circa 300 meter afstand. Het trafohuisje is 1.60 meter hoog en ligt (vanuit eiser gezien) aan de andere kant van de inrichting en is vanuit zijn huis niet zichtbaar.

5. Desgevraagd heeft eiser ter zitting bevestigd dat zijn beroep uitsluitend ziet op de omgevingsvergunning voor zover deze is verleend voor het bouwen en afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het trafohuisje. Zijn beroep richt zich niet tegen de andere onderdelen.

6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser wel ontvankelijk is. Het staat buiten kijf dat eiser de gevolgen van de inrichting van Cleanergy ondervindt. Zijn beroep ziet echter niet op de milieuneutrale wijziging van de inrichting maar op het trafohuisje.

7. Volgens de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2011 (ECLI:NL:RVS: 2011:BQ1081) dient, indien een bestreden omgevingsvergunning meer dan één toestemming als bedoeld in artikel 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) bevat, per toestemming te worden bepaald of degene die een rechtsmiddel heeft aangewend belanghebbende is. Deze regel lijdt uitzondering voor zover de betrokken vergunning ziet op een activiteit als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, van de Wabo, die behoort tot verschillende categorieën activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1 en 2.2.

8. In dit geval ziet de betrokken vergunning op meerdere activiteiten maar hangen de bouw en het afwijken van het bestemmingsplan ten behoeve van het trafohuisje niet onlosmakelijk samen met de werkzaamheden ten behoeve waarvan de milieuneutrale wijziging is aangevraagd. Het beroep ziet evenmin op de milieuneutrale wijziging van de inrichting. Eiser heeft er op de zitting nog op gewezen dat het trafohuisje wel onderdeel uitmaakt van de inrichting. De rechtbank is echter van oordeel dat de vraag of iemand belanghebbende is, niet per inrichting maar per omgevingsvergunning en dan vervolgens per besluitonderdeel van die omgevingsvergunning moet worden beoordeeld. Dit volgt ook uit de hierboven genoemde uitspraak van de Afdeling. Eisers uitleg zou ertoe leiden dat bijvoorbeeld bij een bouwkundige wijziging van een bedrijfswoning (die wel onderdeel maakt van de inrichting maar niet een wijziging van de werking van de inrichting omvat) de gevolgen van enige betekenis van de inrichting bepalend zouden zijn voor de vraag of iemand belanghebbende is en niet het nabijheidscriterium. Dat is niet zo. Nu het beroep niet ziet op een besluitonderdeel dat onlosmakelijk is verbonden met een ander besluitonderdeel waarvoor omgevingsvergunning is verleend, heeft eiser niet langer een rechtstreeks betrokken belang. De rechtbank merkt hierbij wel op dat eiser in bezwaar ook nog opkwam tegen de verleende toestemming voor de bouw van de silo’s. Die kan eiser zien vanuit zijn woning en daarom heeft verweerder eiser terecht ontvankelijk geacht in zijn bezwaren.

9. De rechtbank verklaart het beroep van eiser niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.G.M. Willems, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juni 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.