Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:314

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
08-02-2017
Zaaknummer
16_1878
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij de hoge voorgrondbelasting vanwege de naburige veehouderij heeft mogen betrekken en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de woning van eiser geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat eiser daar ter plekke al lang woont zonder klachten, leidt niet tot een ander oordeel. Eisers persoonlijke ervaringen zijn niet relevant, want verweerder zal zonder aanziens des persoons moeten afwegen of een willekeurig persoon daar ter plekke kan wonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/708
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/1878

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2017 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A.M. van der Aa)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, voorheen de gemeente Sint-Oedenrode, verweerder

(gemachtigde: W.N. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 30 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de door eiser aangevraagde omgevingsvergunning voor de omzetting van een agrarische woning aan de [adres 1] te [woonplaats] naar plattelandswoning geweigerd.

Bij besluit van 10 mei 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaken SHE 16/1887 en SHE 16/2159. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser is eigenaar van de woning aan de [adres 1] . Bij de woning ligt een agrarisch bedrijf, maar eiser woont al sinds 1991 in de woning zonder dat sprake is van een relatie tussen de woning en het agrarische bedrijf. Nabij ligt een ander agrarisch bedrijf, aan de [adres 2] .

1.2

De betreffende gronden hebben in het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, 2e herziening” de bestemming “Agrarisch (artikel 3)”. Tevens heeft het perceel de aanduidingen “sa-por 11” en “IV”. De aanduiding “IV” staat voor intensieve veehouderij.

In artikel 3.4.1, onder k, van de planregels staat dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het gebruiken of laten gebruiken van een bedrijfswoning als plattelandswoning.

1.3

In artikel 3.5.3 van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 voor het gebruik van een bedrijfswoning, daarbij behorende bijgebouwen en overkappingen en de bijbehorende gronden voor wonen (plattelandswoning), waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een verantwoord woon- en leefklimaat en dat er geen onevenredige milieuhygiënische belemmeringen zijn voor omliggende (agrarische) bedrijven.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de gemeentelijke bezwaarcommissie het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

3.1

Eiser voert aan dat verweerder gelegenheid had moeten geven om een zienswijze in te dienen op zijn voorgenomen negatieve besluit. Verweerder heeft gehandeld in strijd met artikel 4:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3.2

Verweerder stelt dat artikel 4:7 van de Awb is bedoeld om eiser in de gelegenheid te stellen te reageren op een voorgenomen afwijzing vanwege door eiser verschafte gegevens.

3.3

De rechtbank is van oordeel dat partijen in de bezwaarfase voldoende gelegenheid hebben gehad om argumenten uit te wisselen of op gestelde feiten te reageren, wat verder ook zij van de bedoeling van artikel 4:7 van de Awb, eiser is niet in zijn belangen geschaad door het passeren van artikel 4:7 van de Awb. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.1

Eiser voert aan dat de gevraagde vergunning alleen geweigerd mag worden als er sprake is van een onverantwoord woonklimaat. Geur kan volgens eiser wel eens hinderlijk zijn, maar zal zelden leiden tot een onverantwoorde woon- en leefsituatie. Eiser woont er al jaren en heeft nergens last van. Dat verweerder beleidsmatig liever een lager geurniveau ziet, wil niet zeggen dat dit hogere niveau onverantwoord is. Eiser voegt hier aan toe dat de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) ruimte biedt voor een voorgrondbelasting van maximaal 35 Ou/m3 in een gemeentelijke geurverordening.

4.2

Verweerder stelt hierover dat ter plaatse van een plattelandswoning sprake moet zijn van een verantwoord woon- en leefklimaat. Op de agrarische bedrijfswoning [adres 1] is sprake van een voorgrondbelasting van 31,6 Ou/m3, afkomstig van het bedrijf [adres 2] . De toetswaarde voor de voorgrondbelasting van 10 Ou/m3 wordt ruimschoots overtreden. Ook is sprake van een hoge achtergrondbelasting en een tamelijk slecht woon- en leefklimaat. Onder deze omstandigheden is volgens verweerder geen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Niet alleen het belang van eiser wordt betrokken, maar ook de belangen van toekomstige bewoners.

4.3

Ingevolge artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, bij de toepassing van de Wabo beschouwd als onderdeel van die landbouwinrichting.

4.4

De omstandigheid dat een woning als plattelandswoning is aangeduid betekent niet dat daarmee ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd (zie de uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2364).

4.5

Niet in geschil is dat de voorgrondbelasting vanwege de veehouderij aan de [adres 2] op de woning van eiser 31,6 Ou/m3 bedraagt. Deze veehouderij wordt door de aanduiding als plattelandswoning niet in haar bedrijfsvoering beperkt. Als de woning van eiser als plattelandswoning zou worden aangeduid, dan dient deze veehouderij slechts te voldoen aan artikel 3, tweede lid, van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Dat wil echter niet zeggen dat daarmee andersom ook een goed woon- en leefklimaat bij de woning van eiser is gewaarborgd. Verweerder dient daarover een eigen afweging te maken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder hierbij de hoge voorgrondbelasting vanwege de veehouderij aan de [adres 2] heeft mogen betrekken en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat bij de woning van eiser geen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Dat eiser daar ter plekke al lang woont zonder klachten, leidt niet tot een ander oordeel. Eisers persoonlijke ervaringen zijn niet relevant, want verweerder zal zonder aanziens des persoons moeten afwegen of een willekeurig persoon daar ter plekke kan wonen. Ook dat deze willekeurige persoon ervoor kiest om in een plattelandswoning te gaan wonen, speelt daarom geen rol. Eiser heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 17 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:414). De gemeente Nederweert heeft in die zaak de afweging gemaakt dat ondanks een voorgrondbelasting van 29 Ou/m3 afkomstig van een ander bedrijf een woning kon worden aangeduid als plattelandswoning. Deze uitspraak verplicht verweerder echter niet om tot een soortgelijke uitkomst van de belangenafweging te komen. Verweerder heeft hierin beoordelingsvrijheid die de rechtbank zal respecteren. Deze beroepsgrond faalt.

5.1

Eiser voert aan dat er geen eenduidig toetsingskader was ten tijde van het bestreden besluit. Hij verwijst naar de notitie “Toetsingskader omgevingsvergunning plattelandswoning” van 11 juni 2013 (de beleidsnotitie).

5.2

Verweerder stelt hierover dat de beleidsnotitie is gebaseerd op de bevoegdheid van verweerder in het (op dit onderdeel) niet meer in werking zijnde bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode”. De criteria voor het omzetten zijn gewijzigd. De notitie van 11 juni 2013 is niet meer opportuun. Verweerder is voornemens ter uitvoering van de in artikel 3.5.3 opgenomen bevoegdheid een nieuwe beleidsnotitie op te stellen.

5.3

In de beleidsnotitie staat dat in bestaande situaties striktere normen vaak een omgevingsvergunning voor een plattelandswoning onmogelijk maken en niet stroken met de intentie of doelstellingen van de Wet Plattelandswoningen.

5.4

De rechtbank stelt vast dat de beleidsnotitie is geschreven ten behoeve van het aanwenden van de bevoegdheden van het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode”. Verweerder heeft bij het besluit het geldende bestemmingsplan aangehouden en heeft terecht opgemerkt dat de beleidsnotitie niet bindend is bij de toepassing van de bevoegdheden op grond van dit bestemmingsplan. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat in het geldende bestemmingsplan een ander criterium is opgenomen voor het afwijken ten behoeve van een plattelandswoning. Verder is de rechtbank van oordeel dat uit de beleidsnotitie niet ondubbelzinnig kan worden afgeleid dat verweerder bij het bestreden besluit geen waarde mocht hechten aan het gegeven dat sprake is van een zeer hoge voorgrondbelasting vanwege het bedrijf aan de [adres 2] . De enkele omstandigheid dat de beleidsnotitie nooit is ingetrokken, impliceert daarom niet dat eiser aan deze beleidsnotitie de gerechtvaardigde verwachting heeft kunnen ontlenen dat hij in aanmerking zou kunnen komen voor vergunningverlening. Deze beroepsgrond faalt.

6.1

Eiser voert met een beroep op het gelijkheidsbeginsel aan dat in de zaak aan de [adres 3] de belangenafweging wel positief uitviel. Verweerder heeft dit volgens hem ten onrechte afgewimpeld als een fout.

6.2

Verweerder stelt hierover dat geen sprake is van gelijke gevallen. Bij [adres 3] ging het om een woning die nog steeds bewoond werd door de agrariër en zijn gezin die daar tot 2003 een agrarisch bedrijf hadden. Deze agrariër heeft meegedaan aan de Regeling Beëindiging Veehouderijtakken. Agrarisch hergebruik was niet langer mogelijk. Mocht de vermeende te hoge achtergrondbelasting over het hoofd gezien zijn, dan kan een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet betekenen dat een eenmaal gemaakte fout moet worden herhaald.

6.3

De rechtbank stelt vast dat de feiten in beide zaken verschillen. Het bedrijf bij de woning van eiser wordt gebruikt als agrarisch bedrijf in tegenstelling tot het bedrijf aan de [adres 3] . Verder heeft eiser onvoldoende aangetoond dat bij de [adres 3] ondanks een veel te hoge voorgrondbelasting een goed woon- en leefklimaat door verweerder werd aangenomen. Voor zover eiser heeft gesteld dat op [adres 4] ondanks een veel te hoge voorgrondbelasting vanwege een ander bedrijf in bezwaar toch vergunning voor een plattelandswoning is verleend, heeft verweerder terecht aangegeven dat een in het verleden gemaakte fout verweerder niet verplicht deze fout te herhalen. Deze beroepsgrond faalt.

7.1

Eiser voert tot slot aan dat ook de positie van de eigenaar van het agrarisch gedeelte van het betrokken bouwvlak, [naam] , een rol speelt. Eiser kan de woning alleen verkopen aan deze eigenaar en die woont al vlakbij. Dat leidt tot een onverkoopbare woning en dat kan volgens eiser niet de bedoeling zijn.

7.2

De rechtbank overweegt dat de situatie van eiser is veroorzaakt door de toepassing van de regels uit het bestemmingsplan. Eiser heeft een persoonsgebonden recht om ter plaatse te blijven wonen. Als hij het hier niet mee eens was en meende dat zijn perceel positief bestemd had moeten worden, had hij tegen het bestemmingsplan moeten procederen. Dat heeft eiser niet gedaan. Het bestemmingsplan is onherroepelijk. De situatie van eiser is door verweerder voldoende bij de belangenafweging betrokken. Deze beroepsgrond faalt.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.