Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:313

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-01-2017
Datum publicatie
06-02-2017
Zaaknummer
16_1887
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Plattelandswoning. Bijdrage achtergrondbelasting van eigen bedrijf

Verweerder heeft terecht bij de toetsing van een verantwoord woon- en leefklimaat de heersende achtergrondbelasting betrokken. Ofschoon verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij de bepaling van een verantwoord woon- en leefklimaat, reikt deze beoordelingsvrijheid niet zover dat in strijd met de bedoeling van de Wabo hierbij de effecten van de veehouderijen waartoe de woningen van eisers behoorden, kunnen worden betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/610
OGR-Updates.nl 2017-0033
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/1887 en SHE 16/2159

uitspraak van de meervoudige kamer van 24 januari 2017 in de zaken tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 1

(gemachtigde mr. R.T. Kirpestein)

[eiser] , te [woonplaats] , eiser 2

(gemachtigde P. van de Ligt)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Meierijstad, voorheen de gemeente Sint-Oedenrode, verweerder

(gemachtigde: W.N. van der Burgt).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2015 (het primaire besluit 1) heeft verweerder de door eiser 1 aangevraagde omgevingsvergunning voor de omzetting van een agrarische woning aan de [adres 1] naar plattelandswoning geweigerd.

Bij besluit van 10 mei 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiser 1 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/1887.

Bij besluit van 5 februari 2016 (het primaire besluit 2) heeft verweerder de door eiser 2 aangevraagde omgevingsvergunning voor de omzetting van een agrarische woning aan de [adres 2] naar plattelandswoning geweigerd.

Bij besluit van 2 juni 2016 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van eiser 2 ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer SHE 16/2159.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2016. De zaken zijn gelijktijdig behandeld. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. 1 De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiser 1 is eigenaar van de woning aan de [adres 1] en eiser 2 is eigenaar van de woning aan de [adres 2] .

1.2

De betreffende gronden hebben in het bestemmingsplan “Buitengebied Sint-Oedenrode, 2e herziening” de bestemming “Agrarisch (artikel 3)” en de aanduidingen “sa-por” en “IV”. De aanduiding “IV” staat voor intensieve veehouderij.

1.3

In artikel 3.4.1, onder k, van de planregels staat dat onder strijdig gebruik in ieder geval wordt verstaan het gebruiken of laten gebruiken van een bedrijfswoning als plattelandswoning. In artikel 3.5.3 van de planregels is bepaald dat het bevoegd gezag een omgevingsvergunning kan verlenen voor het afwijken van het bepaalde in artikel 3.4.1 voor het gebruik van een bedrijfswoning, daarbij behorende bijgebouwen en overkappingen en de bijbehorende gronden voor wonen (plattelandswoning), waarbij in ieder geval moet worden voldaan aan de voorwaarde dat sprake dient te zijn van een verantwoord woon- en leefklimaat en dat er geen onevenredige milieuhygiënische belemmeringen zijn voor omliggende (agrarische) bedrijven.

1.4

Voor de beoordeling heeft verweerder gekeken naar de Verordening geurhinder en veehouderij van 25 juni 2009 en de daarbij behorende gebiedsvisie van 14 mei 2009. Hierin staat dat in het buitengebied een streefwaarde voor de geurbelasting (achtergrond) op geurgevoelige objecten (woningen) geldt van maximaal 20 Ou/m3. De GGD en het provinciale beleid gaan uit van een maximaal hinderpercentage van 20% in het buitengebied. Dit komt overeen met een achtergrondbelasting van 20 Ou/m3 en een voorgrondbelasting van

10 Ou/m3. Bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat is verweerder van deze toetswaarden uitgegaan.

2. In de bestreden besluiten heeft verweerder onder verwijzing naar het advies van de gemeentelijke bezwaarcommissie de bezwaren van eisers ongegrond verklaard.

3.1

Eisers voeren beiden aan dat de achtergrondbelasting van omringende bedrijven ten opzichte van de woningen [adres 1] en [adres 2] onder de 20 Ou/m3 blijven, Gelet hierop kan niet staande worden gehouden dat sprake is van een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat. Volgens eisers hoeft de geuremissie vanwege het bedrijf bij de woningen van eisers niet te worden meegenomen gelet op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (verder: Afdeling) van 27 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:156) en 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1339). Met het weigeren van de status van plattelandswoning zadelt verweerder eisers met onverkoopbare objecten op.

3.2

Verweerder heeft de vergunningen uitsluitend geweigerd vanwege de te hoge achtergrondbelasting, namelijk van meer dan 32 Ou/m3 vanwege de omliggende bedrijven inclusief het bedrijf dat bij de beide woningen hoort. Deze achtergrondbelasting komt overeen met een percentage van meer dan 27% geurgehinderden. Verweerder stelt dat de omstandigheid dat een plattelandswoning niet wordt beschermd tegen de milieuemissie van de inrichting waarvan het voorheen deel uitmaakte, niet betekent dat de emissie van dit bedrijf niet moet worden meegenomen bij de beoordeling of er al dan niet sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. De achtergrondbelasting wordt vervolgens berekend met inachtneming van de emissie van de “eigen” inrichting.

3.3

Ingevolge artikel 1.1a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) wordt een bedrijfswoning, behorend tot of voorheen behorend tot een landbouwinrichting, die op grond van het bestemmingsplan door een derde bewoond mag worden, bij de toepassing van de Wabo beschouwd als onderdeel van die landbouwinrichting.

Ingevolge artikel 2.14, zevende lid, van de Wabo worden bij de toepassing van artikel 2.14, eerste lid, van de Wabo gronden en bouwwerken in de omgeving van de inrichting in aanmerking genomen overeenkomstig het bestemmingsplan, de beheersverordening, of de omgevingsvergunning als met toepassing van artikel 2.12, eerste lid van de Wabo van het bestemmingsplan is afgeweken.

3.4

De omstandigheid dat een woning als plattelandswoning is aangeduid betekent niet dat daarmee ter plaatse van de woning een aanvaardbaar woon- en leefklimaat is gegarandeerd (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2364).

3.5

Niet in geschil is dat, indien bij de berekening van de achtergrondbelasting de geuremissie van het bedrijf bij de woningen van eisers buiten beschouwing wordt gelaten, wordt voldaan aan de streefwaarde van 20 Ou/m3. Evenmin is in geschil dat, als de geuremissie van het bedrijf bij de woningen van eisers wel wordt meegenomen, niet wordt voldaan aan de streefwaarde.

3.6

De toetsing van het aanvaardbaar woon- en leefklimaat vindt plaats in kader van de verlening van een omgevingsvergunning voor het afwijkend gebruik van het bestemmingsplan als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid onder c, van de Wabo, ofwel in het kader van de toepassing van de Wabo. Het is tegenstrijdig om bij een beslissing omtrent het al dan niet positief bestemmen of vergunnen van een plattelandswoning alle effecten te betrekken van de veehouderij waartoe de plattelandswoning behoorde, maar deze effecten vervolgens buiten beschouwing te laten bij de verlening van een omgevingsvergunning voor de veehouderij zelf vanwege artikel 1.1a en artikel 2.14, zevende lid, van de Wabo. Verweerders uitleg heeft tot gevolg dat de Wet plattelandswoningen geen enkele betekenis meer zou hebben. Immers, in deze uitleg kan een voormalige bedrijfswoning evengoed als burgerwoning worden bestemd omdat de voormalige bedrijfswoning geen onaanvaardbare negatieve effecten mag ondervinden van de veehouderij waartoe deze behoorde. Op verweerder rust slechts de verplichting om die effecten van de veehouderij waartoe de plattelandswoning behoorde te betrekken bij de beoordeling over de aanduiding van een woning als plattelandswoning als hogere regelgeving tot een dergelijke toetsing verplicht. Dat is het geval bij Richtlijn 2008/50/EG. Deze richtlijn verplicht verweerder de plattelandswoning te toetsen aan de luchtkwaliteitseisen (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2015, ECLI:NL:RVS: 2015:236), omdat de plattelandswoning niet als arbeidsplaats kan worden aangemerkt. Er is echter geen hogere regelgeving die verplicht om in geval van bedrijfswoningen de geuremissies van het eigen bedrijf te betrekken bij de bepaling van de hoogte van de achtergrondbelasting. Verweerder heeft volkomen terecht bij de toetsing van een verantwoord woon- en leefklimaat de heersende achtergrondbelasting betrokken, maar had de geuremissies van de veehouderijen bij de woningen van eisers bij de bepaling van deze achtergrondbelasting buiten beschouwing moeten laten. Ofschoon verweerder beoordelingsvrijheid heeft bij de bepaling van een verantwoord woon- en leefklimaat, reikt deze beoordelingsvrijheid niet zover dat in strijd met de bedoeling van de Wabo hierbij de effecten van de veehouderijen waartoe de woningen van eisers behoorden, kunnen worden betrokken. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 18 mei 2016 (ECLI:NL:RVS: 2016:1339). Deze uitspraak betrof onder andere een geurrapport over de geurbelasting van omliggende bedrijven, waarbij nadrukkelijk de geuremissies van de veehouderij waartoe de woning behoorde buiten beschouwing waren gelaten. De Afdeling oordeelde dat de verwerende gemeenteraad van Wijchen zich onder verwijzing naar dit rapport op het standpunt heeft kunnen stellen dat niet aannemelijk is dat er gezondheidsrisico’s te verwachten zijn. Het bestreden besluit berust op een onjuiste uitleg van de Wabo en is daarmee onvoldoende gemotiveerd. De beroepsgrond slaagt.

4.1

Gelet op het bovenstaande zijn de beroepen gegrond. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten.

4.2

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven extra terughoudend te zijn omdat er ontwikkelingen zijn ten aanzien van milieunormen die gevolgen kunnen hebben voor het gemeentelijke beleid. Verweerder heeft hierbij het onderzoek van het RIVM “Veehouderijen en de gezondheid omwonenden” (VGO Onderzoek) en de uitspraak van deze rechtbank van 27 juni 2016 (ECLI:NL:RBOBR:2016:3384) genoemd. De rechtbank ziet niet in hoe de bevindingen uit het VGO onderzoek ertoe zouden kunnen leiden dat de gezondheidseffecten van de veehouderij waartoe de plattelandswoning behoorde, wel zouden moeten worden meegenomen bij de beslissing omtrent de aanvaardbaarheid van een plattelandswoning. Verweerder heeft niet onderbouwd dat, als zou worden uitgegaan van de blootstellings-responsrelaties uit het onderzoek dat centraal stond in de door hem aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, niet wordt voldaan aan de streefwaarde indien de geuremissies van de veehouderijen waartoe de woningen van eisers behoorden, buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten.

4.3

De rechtbank ziet evenmin aanleiding zelf in de zaak te voorzien, omdat onduidelijk is of effecten van andere veehouderijen of bedrijven zouden kunnen leiden tot het oordeel dat geen sprake is van een verantwoord woon- en leefklimaat. Gelet op de omstandigheid dat de gemeente Sint Oedenrode per 1 januari 2017 is opgegaan in de nieuwe gemeente Meierijstad en de daarmee gepaard gaande reorganisatie ongetwijfeld de nodige tijd in beslag zal nemen, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van 15 weken.

4.4

Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

4.5

De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank in beide zaken op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten 1 en 2;

  • -

    draagt verweerder op binnen 15 weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de bezwaren van eisers met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers afzonderlijk te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers afzonderlijk tot een bedrag van

€ 990,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. J. Heijerman en mr. J.H.G. van den Broek, leden, in aanwezigheid van A.J.H. van der Donk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 januari 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.