Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:2814

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-05-2017
Datum publicatie
29-05-2017
Zaaknummer
C/01/320424 / KG ZA 17-253
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Deurwaardersrenvooi. Uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis. Geen opzegging van de huurovereenkomst vereist na eindigen moratorium ex artikel 287b in verband met artikel 305 Faillissementswet, omdat aan de aan het moratorium verbonden voorwaarde van tijdige betaling van de lopende huurpenningen niet is voldaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
WR 2017/139 met annotatie van mr. J.J. Dijk
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/320424 / KG ZA 17-253

Vonnis in kort geding van 22 mei 2017

in de zaak van

DENNIS CORNELIS ADRIANUS ANTHONIUS DURIEUX,

toegevoegd gerechtsdeurwaarder,
werkzaam ten kantore van Nicolaas Alexander Hofman Gerechtsdeurwaarders te
’s-Hertogenbosch,

optredende als executerend deurwaarder in opdracht van:

de stichting

STICHTING WOONVESTE,

gevestigd te Drunen, gemeente Heusden,

mr. R. Benneker, advocaat te Rotterdam,

executante,

tegen

1 [geëxecuteerde sub1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geëxecuteerde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

geëxecuteerden,

niet verschenen.

Partijen worden de deurwaarder, Woonveste en [geëxecuteerden] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Per e-mailbericht van 21 april 2017 heeft de deurwaarder aan de voorzieningenrechter bericht dat hij, met de executie van een ontruimingsvonnis belast, op een bezwaar was gestuit dat een voorziening nodig maakte. De voorzieningenrechter heeft daarop bepaald, onder de voorwaarde dat de deurwaarder uiterlijk 26 april 2017 zijn proces-verbaal zou indienen, dat de deurwaarder voorlopig niet zijn ministerie aan de ontruiming behoefde te verlenen, totdat de voorzieningenrechter hierover nader zou hebben beslist.

1.2.

Op 24 april 2017 is het proces-verbaal ex art. 438 lid 4 Rv ontvangen. Daarmee heeft de deurwaarder dit kort geding aanhangig gemaakt. Het proces-verbaal bevat een beschrijving van een bezwaar waarop de deurwaarder als executerend deurwaarder is gestuit tijdens een executie in opdracht van Woonveste ten laste van [geëxecuteerden]

1.3.

Bij exploten van 21 april 2017 heeft de deurwaarder [geëxecuteerden] en Woonveste opgeroepen om op het door de voorzieningenrechter voor de behandeling bepaalde tijdstip, 15 mei 2017 te 11.00 uur, te verschijnen in kort geding ter terechtzitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, locatie ’s-Hertogenbosch.

1.4.

Hoewel deugdelijk opgeroepen, waren [geëxecuteerden] niet ter zitting aanwezig. Wel was aanwezig de deurwaarder, die zijn bezwaar heeft toegelicht. Voor Woonveste is verschenen mevrouw [naam woonconsulente] , woonconsulente, bijgestaan door mr. Benneker. Mr. Benneker heeft het woord gevoerd aan de hand van de door hem overgelegde pleitnota.

1.5.

Ten slotte is vonnis bepaald op uiterlijk 29 mei 2017.

2 De feiten

2.1.

Woonveste heeft [geëxecuteerden] in rechte betrokken voor de kantonrechter van deze rechtbank. Bij vonnis van 26 januari 2017 (nummer 5648105 CV EXPL 17-301) zijn [geëxecuteerden] bij verstek veroordeeld. Het dictum van het vonnis luidt als volgt:

“ontbindt de tussen partijen gesloten huurovereenkomst betreffende het gehuurde gelegen te [woonplaats] aan de [adres] ;

veroordeelt de gedaagde partij om het gehuurde binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis met alle zich daarin bevindende personen en goederen te ontruimen en te verlaten en met afgifte der sleutels ter vrije en algehele beschikking van de eisende partij te stellen;

wijst de gedaagde partij erop dat indien hij met voormelde ontruiming in gebreke mocht blijven, de eisende partij die ontruiming kan doen bewerkstelligen door een deurwaarder op kosten van de gedaagde partij conform artikel 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

veroordeelt de gedaagde partij, hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan de eisende partij tegen kwijting te betalen een bedrag van € 539,12 voor elke maand of deel van een maand, dat de gedaagde partij na januari 2017 het gehuurde niet heeft ontruimd en verlaten;

veroordeelt de gedaagde partij, hoofdelijk des dat de één betalende de andere zal zijn bevrijd, in de proceskosten die aan de zijde van de eisende partij tot heden worden begroot op:
€ 99,24 wegens explootkosten,

€ 470,00 wegens griffierecht en

€ 150,00 wegens salaris gemachtigde,

vermeerderd met de wettelijke rente over deze proceskosten, ingaande de 15e dag na dit vonnis;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.”

2.2.

Op 6 februari 2017 is het vonnis aan [geëxecuteerden] betekend, met bevel om aan de veroordelingen in deze executoriale titel te voldoen.

2.3.

Op 17 februari 2017 hebben [geëxecuteerden] bij deze rechtbank een verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ingediend, alsmede een verzoek ex art. 287b Fw, het moratorium, strekkende ter voorkoming van de ontruiming van de door [geëxecuteerden] gehuurde woning.

2.4.

Het verzoek ex art. 287b Fw is bij vonnis van 23 februari 2017 van deze rechtbank (zaaknummer 317960 / FT RK 17-138 en 317962 / FT RK 17-139) toegewezen. In dit vonnis is onder meer overwogen:
“3.10. Daarnaast acht de rechtbank de gevraagde voorziening gezien het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling en het daarmee beoogde doel gerechtvaardigd. De rechtbank zal derhalve de gevraagde voorziening toewijzen. Hieraan wordt overigens uitdrukkelijk de voorwaarde verbonden dat verzoekers ook de verder verschuldigde huurtermijnen niet alleen volledig, maar ook stipt op tijd voldoen. Indien verzoekers daarin bijvoorbeeld ten gevolge van terugval in inkomen tekortschieten is verweerster in beginsel gerechtigd het ontruimingsvonnis van de kantonrechter ten uitvoer te leggen. De toewijzing van de gevraagde voorziening komt zo beschouwd neer op een allerlaatste kans aan verzoekers om de woning te kunnen blijven huren.”

2.5.

De rechtbank heeft vervolgens - voor zover thans van belang - beslist:
“4.1. schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 januari 2017 door de kantonrechter te ’s-Hertogenbosch op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis tot ontruiming van de woning aan de [adres] , [woonplaats] voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;

4.2.

bepaalt dat genoemde voorziening slechts geldt zolang vanaf heden de lopende huurpenningen tijdig en volledig worden voldaan;

4.3.

bepaalt dat genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf heden;

4.4.

bepaalt dat genoemde voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat de uitspraak op het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling in kracht van gewijsde zijn gegaan of dat verzoek is ingetrokken;

(…)

4.7.

houdt de verdere behandeling van het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling aan.”

2.6.

[geëxecuteerden] hebben bij dagvaarding van 21 februari 2017 verzet ingesteld tegen het verstekvonnis van 26 januari 2017 van de kantonrechter. De mondelinge behandeling van het verzet heeft plaatsgevonden op 8 mei 2017. De zaak staat thans voor vonnis.

2.7.

De verschuldigde huurpenningen zijn voor de maand april 2017 voldaan na 1 april 2017 en verwerkt door Woonveste op 6 april 2017. Ten tijde van de mondelinge behandeling van dit kort geding op 15 mei 2017 waren de huurpenningen voor de maand mei 2017 niet voldaan. De huurachterstand als bedoeld in het vonnis van de kantonrechter is ingelopen op een bedrag van € 650,06 (ruim een maand huur) na. Woonveste is niet bereid een minnelijke regeling met [geëxecuteerden] te treffen. Volgens Woonveste is er sprake van structureel te kort schieten door [geëxecuteerden] in de nakoming van hun verbintenissen uit de huurovereenkomst.

2.8.

Woonveste heeft begin april 2017 de deurwaarder opdracht gegeven het vonnis van 26 januari 2017 alsnog te executeren en over te gaan tot ontruiming. Woonveste heeft de huurovereenkomst niet opgezegd op de voet van het bepaalde in artikel 305 lid 3 Fw.

3 Het bezwaar en de beoordeling daarvan

3.1.

In geval van twijfel over de vraag of de deurwaarder zijn ministerie moet verlenen aan de door een schuldeiser voorgestane wijze van executie kan de deurwaarder op de voet van art. 438 lid 4 Rv zich bij de voorzieningenrechter vervoegen teneinde deze in kort geding tussen betrokken partijen te doen beslissen.

3.2.

Zo lang de kantonrechter in de verzet procedure niet anders heeft beslist, beschikt Woonveste in beginsel over een ontruimingstitel in de vorm van het uitvoerbaar bij voorraad verklaarde verstekvonnis van 26 januari 2017. Evenmin is in geschil dat de rechtbank op 23 februari 2017 de tenuitvoerlegging van dat ontruimingsvonnis heeft opgeschort, onder de voorwaarde van tijdige betaling van de lopende huur. Nu [geëxecuteerden] niet tijdig aan de betalingsverplichting voor de maand april 2017 heeft voldaan en ook op 15 mei 2017 het verschuldigde over de maand mei 2017 nog niet had betaald, staat vervolgens buiten twijfel dat de gelding van het moratorium is geëindigd. Onderdeel 4.2. van het dictum in samenhang met rechtsoverweging 3.10. van het vonnis van de rechtbank d.d. 23 februari 2017 laat zich niet anders uitleggen en stemt ook overeen met het bepaalde in artikel 305 lid 2 Faillissementswet. Op het eerste gezicht lijkt het ontruimingsvonnis van de kantonrechter weer ten uitvoer gelegd kunnen worden. Dat zou betekenen dat de deurwaarder in beginsel gehouden zou zijn aan het verlangen van Woonveste om daartoe over te gaan gevolg te geven.

3.3.

De deurwaarder ziet zich echter geconfronteerd met het recente arrest in kort geding van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:632. In dat arrest is overwogen:

“Anders dan Maasdelta betoogt, verliest het moratorium niet automatisch zijn gelding wanneer aan de gestelde voorwaarde niet wordt voldaan. Uit artikel 287b lid 4 Fw volgt dat het moratorium strekt tot het van toepassing verklaren van (onder andere) artikel 305 Fw. Artikel 305 lid 2 Fw bepaalt dat de tenuitvoerlegging van een ontruimingsvonnis wordt opgeschort onder de voorwaarde dat de lopende huur tijdig wordt voldaan. Uit artikel 305 lid 3 Fw volgt dat indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan het moratorium niet automatisch vervalt maar dat de verhuurder de huurovereenkomst kan opzeggen waarbij hij een opzegtermijn in acht moet nemen. Wanneer de huurder niet met de opzegging instemt, dient de gang naar de rechter te volgen. (…).

Voor de onderhavige zaak betekent dit dat Maasdelta door de niet-tijdige huurbetaling niet automatisch bevoegd is geworden het ontruimingsvonnis waarvan de tenuitvoerlegging door het moratorium was geschorst, alsnog ten uitvoer te leggen. Reeds hierom had Maasdelta bij gebreke van opzegging niet tot executie van het vonnis mogen over gaan. (…)”

3.4.

De deurwaarder acht, gezien de maatstaven die voor het handelen binnen zijn beroepsgroep worden aangelegd, een kritische houding ten opzichte van de tenuitvoerlegging van een vonnis tot ontruiming geboden, mede gelet op het ingrijpende karakter van de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot ontruiming. Dat de deurwaarder zich rekenschap geeft van de mogelijke consequenties van het Haagse arrest voor dit geval rechtvaardigt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zeker dit deurwaardersrenvooi.

3.5.

De deurwaarder vraagt zich af of hij, met name gelet op het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 21 maart 2017, uitvoering dient te geven aan de opdracht van Woonveste om [geëxecuteerden] te ontruimen. Woonveste is desgevraagd niet bereid geweest de opdracht aan de deurwaarder in te trekken. Tegen die achtergrond verzoekt de deurwaarder de voorzieningenrechter thans om te beslissen of de deurwaarder zijn ministerie dient te onthouden of dient over te gaan tot het uitvoeren van de gevraagde ontruiming.

3.6.

De centrale vraag in dit kort geding is in feite of Woonveste alsnog de huurovereenkomst had moeten opzeggen (hetgeen zij uitdrukkelijk en welbewust niet heeft gedaan), alvorens de deurwaarder op te dragen het ontruimingsvonnis ten uitvoer te leggen. Woonveste meent van niet. Zij voert daarvoor juridische gronden aan, onder meer een beroep op de wetsgeschiedenis van artikel 305 Fw (memorie van toelichting Kamerstukken II 2004-2005, 29 942, nr.3, p. 25-26).

3.7.

Met Woonveste is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vereiste van opzegging hier niet moet worden gehanteerd. Er ligt een uitvoerbaar bij voorraad verklaard ontruimingsvonnis van de kantonrechter. Het door de rechtbank verleende moratorium ex artikel 287b in verband met artikel 305 Fw en de in het moratorium vervatte verlenging van de door de kantonrechter ontbonden huurovereenkomst voor de duur van de voorziening zijn vervallen. De geldigheid van die voorziening is geëindigd omdat aan de daaraan verbonden voorwaarde van tijdige en volledige betaling van de lopende huurpenningen niet is voldaan. Met het aldus geëindigd zijn van de huurovereenkomst laat het alsnog stellen van de eis van opzegging zich bezwaarlijk verenigen. Zoals Woonveste terecht heeft betoogd, speelt de onderhavige zaak, waarin er al een (ontbindings-) en ontruimingsvonnis ligt, zich af binnen het kader van artikel 305 lid 2 Fw. Het derde lid van dat artikel, waarin het opzeggingsvereiste is opgenomen, speelt hier naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen rol. Het beroep van Woonveste op de wetsgeschiedenis is overtuigend.

3.8.

De deurwaarder moet zich in casu niet laten leiden door het Haagse arrest maar kan zich op grond van dit kort geding vonnis vrij achten zijn ministerie te verlenen bij de door Woonveste opgedragen ontruiming. Uiteraard geldt wel dat het verstekvonnis niet mag zijn achterhaald door een inmiddels mogelijk uitgesproken vonnis in verzet.

3.9.

De proceskosten van de deurwaarder zullen voor rekening van Woonveste als executante worden gebracht, nu deze kosten voortvloeien uit de door Woonveste aan de deurwaarder gegeven opdracht. Daarna zullen de kosten vervolgens tegenover [geëxecuteerden] mogen gelden als kosten van de onderhavige executie. De deurwaarder heeft zijn bevoegdheid om een deurwaardersrenvooi in te stellen niet nodeloos uitgeoefend. De proceskosten worden begroot op € 122,-- griffierecht (artikel 22 lid 1 Wet griffierechten burgerlijke zaken) en € 527,-- kosten proces-verbaal (analoog aan liquidatietarief). De deurwaarder heeft de kosten van het oproepingsexploot vanwege de bijzondere aard van deze procedure op nihil gesteld.

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

beslist dat de deurwaarder zijn ministerie niet dient te onthouden en dient over te gaan tot de door Woonveste opgedragen ontruiming op de voet van het vonnis van de kantonrechter van 26 januari 2017;

4.2.

brengt de proceskosten ten bedrage van € 649,-- ten laste van Woonveste;

4.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2017.