Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:2490

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-04-2017
Datum publicatie
09-05-2017
Zaaknummer
C-01-319426 - KG ZA 17-196
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vordering tot staken executieverkoop woning afgewezen. Geen misbruik van bevoegdheid door hypotheekhouder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/319426 / KG ZA 17-196

Vonnis in kort geding van 3 april 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. A.P. van Knippenbergh te Best,

tegen

de naamloze vennootschap

DE VOLKSBANK N.V.,

gevestigd te Utrecht,

gedaagde,

advocaten mr. M.E.G. Murris en mr. M.R. Fidder te Utrecht.

Partijen zullen hierna [eiser] en de Volksbank genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding d.d. 29 maart 2017 met 6 producties

  • -

    de brief van mr. Murris d.d. 30 maart 2017 met 21 producties

  • -

    de brief van mr. Van Knippenbergh d.d. 31 maart 2017 met 19 producties

  • -

    de brief van mr. Murris d.d. 31 maart 2017 met productie 22

  • -

    de mondelinge behandeling

  • -

    de pleitnotities van mr. Van Knippenbergh

  • -

    de pleitnota van mr. Murris en mr. Fidder.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft terstond mondeling vonnis gewezen waarvan hieronder een schriftelijke uitwerking volgt.

2 De feiten

2.1.

[eiser] is eigenaar van het appartementsrecht dat kort gezegd recht geeft op het gebruik van de woonruimte met berging aan de [adres] .

2.2.

De Volksbank heeft aan [eiser] een hypothecaire geldlening verstrekt. In dat kader is ten behoeve van de Volksbank een recht van eerste hypotheek gevestigd op het appartementsrecht van [eiser] bij notariële akte van 7 maart 2005.

2.3.

[eiser] heeft een achterstand laten ontstaan in de betaling van de maandelijkse hypotheektermijnen.

2.4.

Tussen [eiser] en de Volksbank is gecommuniceerd over het inlopen van de achterstand.

2.5.

Bij brief van 11 april 2016 heeft de Volksbank [eiser] in gebreke gesteld.

2.6.

Ook na de ingebrekestelling hebben partijen contact gehad over de achterstand.

2.7.

Bij brief van 23 mei 2016 heeft de Volksbank bij [eiser] de totale schuld van € 271.880,36 opgeëist.

2.8.

[eiser] heeft de Volksbank eind juni 2016 een betalingsvoorstel gedaan.

2.9.

De Volksbank heeft aangegeven het voorstel onder voorwaarden te willen aanvaarden.

2.10.

[eiser] heeft laten weten de door de Volksbank gestelde voorwaarden niet te willen aanvaarden.

2.11.

Bij brief van 26 september 2016 heeft de Volksbank nogmaals de totale schuld opgeëist. Bij afzonderlijke brief van dezelfde datum heeft de Volksbank [eiser] nogmaals een betalingsregeling voorgesteld.

2.12.

In de daaropvolgende periode is door partijen gecorrespondeerd en heeft telefonisch overleg plaatsgevonden. [eiser] heeft daarbij betalingsvoorstellen aan de Volksbank gedaan die door de Volksbank niet zijn aanvaard.

2.13.

Bij brief van 29 november 2016 heeft de Volksbank de veiling van de woning aangekondigd en [eiser] medegedeeld dat enkel bij het voldoen van de volledig achterstand het veilingtraject zal worden geannuleerd.

2.14.

[eiser] heeft vervolgens laten weten het niet eens te zijn met de gang van zaken en heeft een klacht ingediend bij het KiFiD.

2.15.

De Volksbank heeft laten weten in de berichten van [eiser] geen aanleiding te zien om de veiling te annuleren.

2.16.

De veiling staat gepland op 6 april 2017.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:

  1. primair: de Volksbank te verbieden over te gaan tot tenuitvoerlegging van de aangekondigde openbare veiling van het appartementsrecht van [eiser] ;

  2. subsidiair: de bevoegdheid van de Volksbank tot executie te schorsen totdat er een onherroepelijk vonnis is gewezen in een bodemzaak tussen partijen, dan wel de executie te schorsen tot zes maanden na dit vonnis;

  3. meer subsidiair: een zodanige voorziening te treffen als in goede justitie wordt vermeend te behoren

  4. in alle gevallen op straffe van een dwangsom van € 150.000,00 ineens opeisbaar, dan wel een ander, in goede justitie te bepalen bedrag;

  5. de Volksbank te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] legt daaraan, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag.

De Volksbank maakt misbruik van bevoegdheid door de executieveiling voort te zetten. Daardoor zal de vordering van de Volksbank op [eiser] namelijk vertienvoudigen. De Volksbank handelt daarmee in strijd met de op haar rustende zorgplicht. [eiser] zal daardoor in de schuldsanering belanden.

[eiser] heeft bovendien redelijke voorstellen gedaan om de achterstand binnen afzienbare termijn in te lopen.

De Volksbank heeft daarom geen rechtens te respecteren belang bij doorgang van de veiling.

3.3.

De Volksbank voert daartegen, zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

Er is geen sprake van misbruik van bevoegdheid. Er is sprake van een substantiële betalingsachterstand en de Volksbank heeft zich telkens bereid getoond om met [eiser] tot een betalingsregeling te komen. [eiser] is zijn toezeggingen echter niet nagekomen en de door hem gedane betalingsvoorstellen zijn onvoldoende concreet. De Volksbank heeft er dan ook geen vertrouwen in dat [eiser] in de toekomst zijn betalingsverplichtingen zal nakomen.

Dat een restschuld zal ontstaan levert geen misbruik van bevoegdheid op.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is de vraag of de Volksbank de executoriale verkoop van het appartementsrecht van de Volksbank (voorlopig) dient te staken. Bij beantwoording van die vraag zij voorop gesteld dat de bevoegdheid van de Volksbank om tot executie over te gaan in dit kort geding niet ter discussie staat. Dat betekent dat de voorzieningenrechter de executie slechts kan schorsen indien de Volksbank misbruikt maakt van die executiebevoegdheid.

4.2.

Vast staat dat sprake is van een substantiële achterstand in de betaling van de maandelijkse hypotheektermijnen. Het feit dat [eiser] met de Volksbank in onderhandeling was over het treffen van een betalingsregeling ontslaat [eiser] niet van zijn verplichting om ondertussen in elk geval de lopende termijnen te betalen. Ook als geen regeling met de Volksbank tot stand komt dient [eiser] te betalen. Vast staat dat [eiser] zijn betalingsverplichting sinds mei 2016 in het geheel niet meer is nagekomen.

4.3.

Dat de Volksbank in het kader van de executie in strijd met de op haar rustende zorgvuldigheidplicht heeft gehandeld jegens [eiser] is onvoldoende aannemelijk geworden. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de Volksbank zich bereidwillig heeft opgesteld jegens [eiser] om tot een structurele oplossing van het betalingsprobleem te komen. De Volksbank heeft in dat kader meerdere voorstellen aan [eiser] gedaan tot het treffen van een betalingsregeling. Dat partijen het niet eens zijn geworden over de daaraan te verbinden voorwaarden betekent niet dat de Volksbank onzorgvuldig heeft gehandeld. Daarbij is van belang dat sprake is van een substantiële betalingsachterstand en dat [eiser] zoals gezegd sinds mei 2016 niets meer heeft betaald. De door [eiser] gedane betalingsvoorstellen zijn bovendien gebaseerd om verwachte inkomsten die door [eiser] niet concreet zijn gemaakt. Het is dan niet onzorgvuldig van de Volksbank als zij niet instemt met de door [eiser] gedane voorstellen.

4.4.

Het feit dat [eiser] zich bij een executoriale verkoop waarschijnlijk geconfronteerd ziet met een aanzienlijke restschuld levert geen misbruik van bevoegdheid op. Die restschuld is voor [eiser] uiteraard uitermate vervelend, maar zoals de Volksbank terecht stelt is een restschuld inherent aan een executoriale verkoop.

4.5.

Slotsom is dat de Volksbank naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen misbruik van bevoegdheid maakt door de executieverkoop van het appartementsrecht voort te zetten. De vordering van [eiser] zal daarom worden afgewezen.

4.6.

[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Volksbank worden begroot op:

- griffierecht € 618,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.434,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vordering af,

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van de Volksbank tot op heden begroot op € 1.434,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Loesberg en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2017.