Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:2251

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-04-2017
Datum publicatie
21-04-2017
Zaaknummer
01/855002-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt verdachte voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht meermalen gepleegd en voor openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon tot een werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie met aftrek van voorarrest en tot jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De rechtbank bepaalt dat verdachte het slachtoffer van de openlijke geweldpleging een schadevergoeding moet betalen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummers: 01/855002-17

Datum uitspraak: 21 april 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 7 april 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 8 maart 2017. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 10 februari 2017 te [pleegplaats] op [scholengemeenschap] , in klaslokaal 009 van de VMBO onderbouw, [achternaam] [naam docent] , docent/medewerker bij voornoemde scholengemeenschap, en/of een of meer in voormeld klaslokaal zich bevindende leerlingen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend, met in zijn hand (met gestrekte arm) een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] heeft gericht en/of gericht gehouden en/of met voormeld voorwerp zwaaiende bewegingen heeft gemaakt in de richting van die hiervoor genoemde leerlingen in dat klaslokaal;

2. hij, op of omstreeks 24 augustus 2016 te Leende, gemeente Heeze-Leende met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de [straatnaam] , in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

-het (met kracht) van de fiets aftrekken en/of

-het (met kracht) duwen tegen het (boven)lichaam, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen en/of

-het meermalen, althans eenmaal slaan en/of stompen tegen het hoofd/gezicht en/of -het meermalen, althans eenmaal schoppen en/of trappen tegen het hoofd/gezicht en/of het lichaam en/of

-het niet van het plegen van voornoemd feit te distantiëren, althans niet in te grijpen;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het onder 1 als onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank. Betreffende feit 2 stelt de verdediging zich op het standpunt dat verdachte partieel moet worden vrijgesproken van “het met kracht van de fiets aftrekken” en “trappen tegen het gezicht”, aangezien er geen wettig bewijs aanwezig is dat verdachte dit heeft begaan.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Ten aanzien van feit 1.

De bewijsmiddelen.

- De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2017.

- Proces-verbaal aangifte van [naam docent] , pag. 52-53;

- Verklaring van [getuige 1] , pag. 56-57;

- Proces-verbaal onderzoek wapen, ongenummerd.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Ten aanzien van feit 2.

De bewijsmiddelen.

De aangifte van [slachtoffer 2] .

Op woensdag 24 augustus 2017 was ik op de kermis te Leende. Ik wilde naar huis gaan, maar [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] vroegen of ik nog mee ging naar een café. Ik zag opeens dat de groep jongeren met wie er maandag ruzie was geweest op de hoek Kerkstraat/Dorpstraat stonden. Het leek wel of ze mij stonden op te wachten. Ik zat bij [betrokkene 4] achterop de fiets en was op weg naar het café. Ik voelde dat er iemand aan de linkermouw van mijn t-shirt trok. Ik hoorde dat mijn t-shirt kapot scheurde. Ik werd van de fiets afgetrokken. Ik zag dat een jongen uit die groep mij had vastgepakt. Ik herkende een aantal gezichten uit die groep van maandag. Ik wilde wegrennen, maar ik werd vervolgens ingehaald door die hele groep. Met die hele groep bedoel ik een stuk of 9 jongens. Ik hoorde dat er geroepen werd: “Blijf staan, kom hier, kom vechten” of woorden van gelijke strekking. Ik zag toen ze me hadden ingehaald dat er een vijftal personen op me af kwam gelopen. Opeens eigenlijk tegelijkertijd zag en voelde ik dat ik met gebalde vuist en met volle kracht tegen mijn gezicht werd geslagen. Ik zag dat deze vijf personen om en om op me insloegen. Ik ben zeker vijf keer met volle kracht en gebalde vuist geslagen tegen mijn gezicht. Ik voelde heel veel pijn op mijn slaap, jukbeenderen en kaak op het moment dat ze me sloegen. Ik werd op een gegeven moment op de grond gegooid door een van die vijf jongens die mij hadden geslagen. Ik zag en voelde dat drie van de vijf jongens tegen mijn buik en rug begonnen aan te schoppen met geschoeide voet. Dit gebeurde vier keer zo ver ik me kan herinneren. Opeens uit het niets voelde ik een enorme pijn aan mijn linkerkaak. Er werd met volle kracht tegen mijn kaak aan geschopt. Ik lag op dat moment nog steeds op de grond.2

Verklaring van [getuige 2] .

Op 24 augustus 2016 omstreeks 23.15 uur was ik met vrienden op de kermis in Leende. We stonden bij de kerk. Ik heb gezien dat [verdachte] de jongen van de fiets trok. [verdachte] was erg kwaad doordat hij eerder was uitgescholden op de kermis. [verdachte] dacht dat de eerder vernoemde jongen degene was die hem had uitgescholden. [verdachte] heeft de jongen geslagen met de vuist.3

Verklaring van [getuige 3] .

Op 24 augustus 2016 omstreeks 23.15 uur was ik met vrienden op de kermis in Leende. Wij hebben ruzie gekregen omdat [verdachte] werd uitgescholden. Ik had gehoord dat er maandag 22 augustus ook ruzie was geweest. Ik heb gezien dat er een jongen van de fiets af is getrokken door [verdachte] . Ik zag dat [verdachte] de jongen schopte.4

Verklaring van [getuige 4] .

Op 24 augustus 2016 was ik met vrienden op de kermis in Leende. Wij fietsen vanaf het kermisterrein naar een café. Ik zag dat [slachtoffer 2] bij [betrokkene 4] [achternaam] achterop de fiets zat. [slachtoffer 2] werd van de fiets afgetrokken. Ik zag dat [slachtoffer 2] wegrende. Ik zag dat [slachtoffer 2] de [straatnaam] inrende. Ik zag dat [slachtoffer 2] achterna werd gerend door de groep jongens. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 2] vastpakte samen met jongen 2. Ik zag dat [slachtoffer 2] door [verdachte] , jongen 1 en jongen 2 werd geslagen. Ik zag dat [verdachte] en jongen 2 [slachtoffer 2] naar de grond duwden. Ik zag dat [verdachte] en jongen 2 tegen het hoofd van [slachtoffer 2] schopten. Dit gebeurde ter hoogte van het adres [straatnaam] 31.5

Geneeskundige verklaring op 18 oktober 2016 opgemaakt door huisarts [naam huisarts] .

Medische informatie betreffende [slachtoffer 2] . Datum waarop voornoemde persoon is onderzocht: 26 augustus 2016. Uitwendig waargenomen letsel: zwelling linker kaakhoek. Diverse hematomen over het lichaam verspreid. Is er vermoeden van inwendig bloedverlies? Ja

Geschatte duur van de genezing: 2-4 weken.6

Nadere bewijsoverweging.

Anders dan de raadsman acht de rechtbank, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat het verdachte was die het slachtoffer [slachtoffer 2] met kracht van de fiets aftrok en onder meer heeft geschopt dan wel getrapt tegen het hoofd en het lichaam van die [slachtoffer 2] .

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

op 10 februari 2017 te [pleegplaats] op [scholengemeenschap] , in klaslokaal 009 van de VMBO onderbouw, [achternaam] [naam docent] , docent bij voornoemde scholengemeenschap, en in voormeld klaslokaal zich bevindende leerlingen, heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte toen daar opzettelijk dreigend, met in zijn hand met gestrekte arm een op een vuurwapen gelijkend voorwerp op die [slachtoffer 1] gericht en gericht gehouden en met voormeld voorwerp zwaaiende bewegingen gemaakt in de richting van die hiervoor genoemde leerlingen in dat klaslokaal;

2.

op 24 augustus 2016 te Leende, gemeente Heeze-Leende met anderen, op de openbare weg, de [straatnaam] , openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] , welk geweld bestond uit:

-het met kracht van de fiets aftrekken en

-het met kracht duwen tegen het (boven)lichaam, waardoor voornoemde [slachtoffer 2] ten val is gekomen en

-het slaan en/of stompen tegen het hoofd/gezicht en

-het schoppen en/of trappen tegen het hoofd/gezicht en het lichaam.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft geëist jeugddetentie voor de duur van 60 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 42 dagen voorwaardelijk met de bijzondere voorwaarden meldplicht, medewerking diagnostisch onderzoek en een ambulante behandeling, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast heeft ze gevorderd een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte voor feit 1 al voldoende is gestraft. Verdachte heeft 17 dagen in voorlopige hechtenis gezeten, 6 weken huisarrest gehad en is van school verwijderd. Voorts verzoekt de raadsman de taakstraf te matigen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt bedreiging door met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp een klaslokaal binnen te lopen en te dit richten op een docent en de zich in dat lokaal bevindende leerlingen. Hij droeg daarbij tevens een masker. Verdachte heeft dit volgens eigen zeggen als (misplaatste) grap gedaan. Verdachte heeft zich kennelijk niet gerealiseerd dat hij het gevoel voor veiligheid op school op ernstige wijze heeft aangetast. De rechtbank acht een dergelijke bedreiging gelet op de schietincidenten elders in de wereld waarbij gewonden en dodelijke slachtoffers zijn gevallen zeer ernstig. De school behoort een veilige omgeving te zijn; aantasting van juist de veilige schoolomgeving door een bedreiging als deze werkt door in vele geledingen van de maatschappij.

Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging op de kermis. Het gaat hier om geweld, gepleegd in het publieke domein, waardoor de openbare orde is verstoord en maatschappelijke onrust en algemene gevoelens van onveiligheid zijn veroorzaakt. Als gevolg van de vechtpartij heeft het slachtoffer letsel bekomen. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het geweld moet een grote indruk op het slachtoffer hebben gemaakt. Slachtoffers van dit soort ernstige feiten ondervinden daar vaak nog jarenlang last van en de herinnering eraan hindert hen in hun dagelijks bestaan.

De rechtbank rekent dit alles de verdachte zwaar aan.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met het volgende.

De rechtbank houdt rekening met het feit dat het onder 1 gepleegde strafbare feit grote gevolgen voor verdachte heeft gehad. Hij heeft in verband met de bedreiging zeventien dagen in voorarrest gezeten en is daarnaast van school gestuurd. Bovendien heeft het politieonderzoek veel impact gehad op (de woonsituatie van) het gezin.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank over de strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een jeugddetentie voor de duur van een maand. De rechtbank zal deze jeugddetentie voorwaardelijk opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. Aan deze voorwaardelijke straf zullen na te noemen bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Daarnaast zal de rechtbank een werkstraf opleggen.

De vordering van [slachtoffer 2] .

De vordering.

[slachtoffer 2] heeft ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde een bedrag van € 19,95 (post ‘t-shirt’) aan materiële schade gevorderd en € 600,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de rechtbank verzocht de vordering benadeelde partij ten aanzien van de materiële schade in zijn geheel toe te wijzen en ter zake van de immateriële schade deze toe te wijzen tot een bedrag van € 200,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel in plaats van hoofdelijke toewijzing tot het bedrag aan immateriële schadevergoeding ter hoogte van € 600,- gelet op twee medeverdachten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman kan zich vinden in het voorstel van de officier van justitie ten aanzien van de vordering benadeelde partij.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 300,- en materiële schadevergoeding € 19,95 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank wijst de vordering voor het overige af.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Motivering van de hoofdelijkheid.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit onder 2 samen met anderen heeft gepleegd. Nu verdachte en zijn mededaders samen een onrechtmatige daad hebben gepleegd, zijn zij jegens de benadeelde hoofdelijk aansprakelijk voor de totale schade.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat het in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerp vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer, omdat dit voorwerp bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane misdrijf is aangetroffen, terwijl dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen aan verdachte nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de inbeslaggenomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

Deze beslissing is gegrond op de artikelen 27, 36b, 36c, 36f, 57, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77m, 77n, 77v, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

verklaart dat het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd;

2. het openlijk in vereniging geweld plegen tegen een persoon;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

legt op de volgende straffen:

T.a.v. feit 1, feit 2: Werkstraf voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen jeugddetentie met aftrek

overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht. De rechtbank waardeert een in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

T.a.v. feit 1, feit 2:Jeugddetentie voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en
- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de jeugdreclassering van de Jeugdbescherming Brabant, [adres jeugdreclasseringg] 5701 MJ Helmond;

- zich gedurende een door de jeugdreclassering te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door hen te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht en de aanwijzingen van de jeugdzorgwerker zal volgen;

- zijn medewerking zal verlenen aan diagnostisch onderzoek in de vorm en op het moment dat de jeugdreclassering dit nodig acht;

- zijn medewerking zal verlenen aan een ambulante behandeling, indien de jeugdreclassering dit nodig acht.

Geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beslissing over de voorlopige hechtenis

Opheffing van het tegen verdachte verleende bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van heden. Deze voorlopige hechtenis is op 27 februari 2017 reeds geschorst.

T.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van EUR 319,95 subsidiair 6 dagen jeugddetentie

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 319,95 (zegge: driehonderdnegentien euro en vijfennegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 dagen jeugddetentie. Het bedrag bestaat uit een bedrag van EUR 300,00 immateriële schadevergoeding en EUR 19,95 materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende jeugddetentie heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 24 augustus 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer 2] van een bedrag van EUR 319,95 (zegge: driehonderdnegentien euro en vijfennegentig eurocent), te weten EUR 300,00 immateriële schadevergoeding en EUR 19,95 materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 24 augustus 2016, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Wijst de vordering voor het overige af.

Verdachte is niet gehouden tot betaling voor zover dit bedrag door (een van) zijn mededader(s)/medeplichtige(n) is betaald.

Indien de verdachte of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte of (een van) zijn mededader(s) heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen

te weten: 1 zak hennep (goednummer 1141622).

Teruggave inbeslaggenomen goederen,

te weten: 1 iPhone (goednummer 1141662) en roodkleurig hoesje.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.L.M. Snijders, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. F.A. te Water Mulder en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier,

en is uitgesproken op 21 april 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Helmond, basisteam Dommelstroom, genummerd PL2100-2016190143 (140 in totaal genummerde pagina’s).

2 Pag. 96-97.

3 Pag. 53-54.

4 Pag. 87-88.

5 Pag. 116.

6 Pag. 112.