Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:222

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
01/845367-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaad en het verspreiden van pornografie door naaktfoto's van zijn ex-vriendin naar een facebookgroep van een bedrijf en de sociale omgeving van het slachtoffer te sturen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis en een gevangenisstraf van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast moet verdachte de schade van € 1.750,-- vergoeden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/845367-14

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1985] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 januari 2017. De zaak is eerder behandeld ter terechtzitting van de politierechter op 21 oktober 2016 alwaar de zaak direct na het uitroepen van de zaak is verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 19 juli 2016. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij in of omstreeks de periode van 7 december 2013 tot en met 20 mei 2014 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, opzettelijk, door middel van verspreiding van (een) geschrift(en) en /of (een) afbeelding(en), de eer en/of de goede naam van [slachtoffer ] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel (een) geschrift(en) en/of (een) afbeelding(en), te weten naaktfoto's en/of video's waarop die [slachtoffer ] naakt te zien is, verspreid en/of openlijk tentoongesteld door:

- via facebook die naaktfoto's en/of video's naar de facebookgroep van [bedrijf] te sturen en/of

- enveloppen met naaktfoto's erin naar omwonenenden van die [slachtoffer ] te sturen;

2.

hij in of omstreeks de periode van 7 december 2013 tot en met 20 mei 2014 te Bakel, gemeente Gemert-Bakel, in elk geval in Nederland, opzettelijk, één of meer afbeeldingen, waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat die afbeeldingen aanstotelijk waren (te weten naaktfoto's en/of -video’s van [slachtoffer ] ), aan iemand, te weten de één of meer leden van de facebookgroep [bedrijf] en/of één of meer omwonenden van [slachtoffer ] , anders dan op diens/haar/hun verzoek heeft toegezonden, immers heeft hij

- via facebook die naaktfoto's en/of video's naar de facebookgroep van [bedrijf] gestuurd/verzonden en/of

- enveloppen met naaktfoto's erin naar omwonenden van die [slachtoffer ] gestuurd/verzonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is om van het ten laste gelegde kennis te nemen.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht een klachtdelict betreft en dat [slachtoffer ] niet (telkens) klacht heeft gedaan van smaad. Voor zover de raadsvrouwe daarmee heeft willen bepleiten dat de officier van justitie - voor een gedeelte van de ten laste gelegde periode - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, overweegt de rechtbank als volgt.

[slachtoffer ] deed op 17 februari 2014 voor het eerst aangifte. Uit de inhoud van deze aangifte, gedaan ten overstaan van [verbalisant 1] , tevens hulpofficier van justitie, volgt dat [slachtoffer ] klacht doet van (onder andere) smaad en vervolging verlangt. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de inhoud van de latere aangiftes en verklaringen van [slachtoffer ] genoegzaam dat deze telkens voortbouwen op haar eerste klacht. De rechtbank merkt het geheel van verklaringen van [slachtoffer ] derhalve aan als één voortbouwende klacht, waaruit blijkt dat de wil van [slachtoffer ] is gericht op de vervolging van verdachte. Het verweer wordt derhalve verworpen.

De officier van justitie kan ook voor het overige in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd - kort samengevat - dat niet vaststaat dat het verdachte is geweest die de berichten op Facebook heeft geplaatst en de foto’s per post heeft verspreid. Voor zover de rechtbank wel bewezen zou achten dat verdachte de foto’s heeft verspreid, heeft de raadsvrouwe zich op het standpunt gesteld dat verdachte te goeder trouw heeft kunnen aannemen dat hetgeen te last was gelegd waar was en dat het algemeen belang de telastlegging eiste (ex artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht). Met betrekking tot het onder 2. Ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat er zich in het dossier geen aangiftes van de werknemers bevinden en dat uit het dossier blijkt dat verschillende geadresseerden de Facebookberichten en enveloppen niet hebben geopend.

Het oordeel van de rechtbank. 1

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en feit 2

[slachtoffer ] deed op 17 februari 2014 aangifte en klacht2 en verklaarde - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wens aangifte te doen van onder andere smaad, gepleegd door [verdachte] . In mei 2011 ontmoette ik [verdachte] op mijn werk [bij [bedrijf] te [plaats]]. In oktober 2011 kregen wij een relatie. In de periode dat wij een relatie hadden heb ik [verdachte] diverse naaktfoto’s gestuurd die ik van mijzelf had gemaakt. Op 11 december 2013 begon [verdachte] naar diverse vrienden van mij op Facebook e-mails te sturen waarin staat dat het helemaal niet goed met mij zou gaan. Ook stuurde [verdachte] hierbij de naaktfoto’s. Omstreeks 18 januari 2014 kregen collega’s en vrienden van Facebook e-mails met naaktfoto’s van mij. Ik herkende mezelf op de foto’s.

[slachtoffer ] verklaarde3 op 1 maart 2014 aanvullend - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 24 februari 2014 hoorde ik van diverse collega’s, waaronder [getuige 1] , dat er op Facebook een nepaccount was gemaakt met de naam “ [alias] ” en dat er vanuit deze account een bericht naar de Facebook-groep van [bedrijf] is gestuurd. In die groep zitten al mijn collega’s van [bedrijf] . Wanneer zij dit bericht openden kwamen zij direct in de Facebook-account van “ [alias] ” en zagen direct allerlei naaktfoto’s van mij. Mijn collega [getuige 1] heeft mij toen via haar Facebook-account alles laten zien. Ik zag toen dat er vele naaktfoto’s van mij op stonden en dat er drie filmpjes bijgevoegd waren. Deze foto’s waren op 22 februari omstreeks 12.35 uur op internet geplaatst. Mijn collega’s hebben mij de foto’s per mail gestuurd en ik heb deze uitgeprint. Op 25 februari 2014 hoorde ik van collega’s dat er vanuit de Facebook-account “ [alias] ” wederom nieuwe foto’s naar hen waren gestuurd. Ik zal de printscreens van de Facebook-account “ [alias] ” bij deze verklaring voegen.

[slachtoffer ] deed op 20 maart 2014 wederom aangifte/klacht4 en verklaarde - zakelijk weergegeven - als volgt:

[verdachte] blijft doorgaan. Op 17 maart 2014 kwam ik op mijn werk bij [bedrijf] . Mijn collega [persoon 1] vertelde mij dat er op 15 maart 2014 een video van mij op Facebook was geplaatst en gestuurd was naar een groep van ongeveer 92 personen, waaronder mijn collega’s van [bedrijf] . [persoon 1] heeft mij toen toegevoegd aan deze groep zodat ikzelf alles kon zien wat erop geplaatst was. Toen ik was toegevoegd aan deze Facebookgroep zag ik dat er naaktfoto’s en seksvideo’s van mij geplaatst waren.

[getuige 1] verklaarde5 op 10 maart 2014 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik werk bij [bedrijf] . [slachtoffer ] is een collega van mij. Op 22 februari 2014 heeft iemand een Facebook-pagina aangemaakt onder de naam [slachtoffer ] . Op deze pagina zijn collega’s, vrienden en familieleden van [slachtoffer ] toegevoegd. Op deze pagina zijn onder meer pornografische foto’s van [slachtoffer ] geplaatst. Ik herkende [slachtoffer ] op die foto’s. Op 5 maart 2014 kwamen er weer nieuwe pornografische foto’s van [slachtoffer ] op te staan. Ook op deze foto’s herkende ik [slachtoffer ] . Op 9 maart 2014, kwam er weer een nieuwe foto van [slachtoffer ] op de pagina te staan. Ik zag dat het [slachtoffer ] was.

[getuige 2] verklaarde6 op 27 februari 2014 – zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik ben HR-manager van [bedrijf] te [plaats] . [verdachte] en [slachtoffer ] hebben bij ons gewerkt. Ik weet dat [slachtoffer ] en [verdachte] een relatie hadden. In december 2013 wilde [slachtoffer ] haar relatie met [verdachte] beëindigen en zij wilde gaan samenwonen met [persoon 2] . [persoon 2] is ook een medewerker van [bedrijf] . Hierna heeft [verdachte] contact met mij opgenomen omdat hij een gesprek wilde. In dit gesprek vertelde [verdachte] onder meer dat hij in het bezit was van foto’s en beeldmateriaal van [slachtoffer ] . [verdachte] vertelde ons dat [slachtoffer ] naaktfoto’s van haar gebruikte om zaken voor elkaar te krijgen, zoals contractverlenging. Op 9 of 10 december 2013 heeft [verdachte] mij gebeld en mij gevraagd wat wij naar aanleiding van ons gesprek gingen doen. Ik zei dat wij hier niks mee gingen doen omdat het een privéaangelegenheid is. Op 11 december 2013 kreeg ik een telefoontje van een medewerker dat er naaktfoto’s van [slachtoffer ] op Facebook waren verschenen. Ik heb toen samen met mijn collega [getuige 3] [verdachte] opgebeld en het gesprek op de speaker gezet zodat we hem beiden konden horen. Ik vroeg [verdachte] of de naaktfoto’s die van [slachtoffer ] waren verschenen door hem waren verspreid. Ik hoorde [verdachte] “ja, dat heb ik gedaan” zeggen.

[getuige 3] verklaarde7 op 22 mei 2014 - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik ben manager bij het bedrijf [bedrijf] te [plaats] . [slachtoffer ] en [verdachte] zijn medewerkers geweest bij ons bedrijf. Op 11 december 2013 was ik samen met [getuige 2] op de golfbaan. Rond 17.45 uur kreeg [getuige 2] een telefoontje van een medewerker dat er naaktfoto’s van [slachtoffer ] op Facebook waren verschenen. Toen heeft [getuige 2] naar [verdachte] opgebeld en het gesprek op de speaker gezet zodat we hem beiden konden horen. Ik hoorde [getuige 2] aan [verdachte] vragen of dat de naaktfoto’s die verschenen waren van [slachtoffer ] verspreid waren door hem. Ik hoorde [verdachte] zeggen “Yes it was me”, “Yes I did”. Ik herkende de stem aan de telefoon duidelijk als zijnde de stem van [verdachte] .

[slachtoffer ] verklaarde8 op 20 mei 2014 aanvullend - zakelijk weergegeven - het volgende:

Ik wil een aanvulling doen op mijn aangifte/klacht van smaad, gepleegd door [verdachte] . Ik woon nu bij mijn vriend [persoon 2] op [adres 2] te [plaats] . Op 1 mei 2014 belde [persoon 3] , de broer van [persoon 2] , dat hij post ontvangen had. [persoon 3] woont op [adres 3] te [plaats] . Wij gingen naar [persoon 3] en [persoon 3] liet mij een luchtkussenenvelop zien met hierop in de linkerbovenhoek als afzender: [persoon 2] , [adres 2] , [plaats] . Deze afzender was uitgeprint op een sticker. De envelop was geadresseerd aan [persoon 4] , de vriendin van [persoon 3] . In de envelop zat onder meer een Cd-rom met hierop naaktfoto’s van mij. Ik heb deze Cd-rom bekeken. Ik heb toen van nog diverse bewoners van de [straat 1] en de [straat 2] te [plaats] , enveloppen met hierin onder meer een Cd-rom met mijn naaktfoto’s retour ontvangen. Op 8 mei 2014 ontving ik een luchtkussenenveloppen van bewoners van de [straat 1] en de [straat 2] te [plaats] met hierin onder meer mijn naaktfoto’s. Nu stond er in de linkerbovenhoek als afzender: [slachtoffer ] , [adres 2] , [plaats] , geprint op een witte sticker. Op 20 mei 2014 ontving ik met de post een brief met in de linkerbovenhoek een sticker met: [slachtoffer ] , [adres 2] , [plaats] . In deze envelop zat een print met aan beide zijden diverse naaktfoto’s van mij.

[verbalisant 2] relateerde9 op 23 mei 2014 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 21 mei 2014 was ik aanwezig bij de doorzoeking in de woning van de verdachte [verdachte] aan de [adres 1] in [plaats] . In de kledingkast op de slaapkamer zag ik in een zwarte weekendtas een plastic zak met daarin 38 poststukken, twaalf C4 enveloppen, 720 labeletiketten en 10 Air Cushion-enveloppen welke ik in beslag heb genomen.

[verbalisant 3] relateerde10 op 7 augustus 2014 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Op 20 mei 2014 werd een aanvullende verklaring afgelegd door aangeefster [slachtoffer ] . In haar woonomgeving werden op verschillende adressen enveloppen met bubbeltjesplastic bezorgd. In de enveloppen zat een Cd-r van het merk Philips 700MB. Bij onderzoek naar de genoemde Philips Cd-r’s zag ik dat hier een groot aantal pornografische en erotische foto’s op stonden. Ik zag dat deze enveloppe per post naar de adressen [3 adressen] en [adres 4] gestuurd waren. Ik zag dat als afzender ‘ [persoon 2] ’ genoteerd stond. Ik zag dat de gebruikte enveloppen 100% overeenkomen met de enveloppen die zijn aangetroffen bij de doorzoeking van de woning van de verdachte. Ook zag ik dat de het formaat van de adresetiketten 100% overeenkwam met de tijdens de doorzoeking aangetroffen adresetiketten.

[verbalisant 3] relateerde11 op 25 augustus 2014 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik heb een onderzoek ingesteld naar de door de digitale recherche uitgelezen computers, camera en telefoon. In de laptop van [verdachte] werd door mij onder meer fotomateriaal aangetroffen wat overeenkomt met het fotomateriaal dat is verspreid en bij de verschillende aangiftes aangeleverd is. Ik zag dat dit dezelfde foto’s waren welke ik gezien heb op papier geprint en per post op Cd-r verspreid werden. Ook zag ik onder meer de volgende voor deze zaak relevante zoekvragen op www.google.com:

* [adres 5]

* [plaats] [adres 6]

* [adres 2] [plaats]

Bij de doorzoeking in de woning van [verdachte] werden op zijn kamer verschillende enveloppen aangetroffen met daarop de adressen [adres 5] in [land] . Het adres [adres 6] te [plaats] is te herleiden naar een envelop die op dat adres is bezorgd. Het genoemde adres [adres 2] te [plaats] betreft het huidige woonadres van [slachtoffer ] . De enveloppen met onder andere deze adressen zijn door de bewoners bij [slachtoffer ] afgegeven. Ik zag dat op de in beslag genomen smartphone van verdachte filmpjes staan waarin de verdachte seks heeft met aangeefster [slachtoffer ] . Van dit filmpje zijn snapshots verspreid middels post. Dit betreffen de snapshots waarop [slachtoffer ] te zien is met een manspersoon. De achtergrond van deze snapshots is rood. Tijdens de doorzoeking van de woning, zag ik dat de muur in de slaapkamer van [verdachte] dezelfde kleur rood was.

De foto’s 12 uit het procesdossier zijn door de rechtbank bekeken en de rechtbank heeft geconstateerd dat al deze foto’s naaktfoto’s betreffen en dat een deel van deze foto’s een zeer expliciet karakter heeft.

Bijzondere bewijsoverwegingen van de rechtbank

Ongeacht de wijze waarop verdachte de foto’s heeft vergaard, staat vast dat verdachte de beschikking had over seksueel getinte foto’s van [slachtoffer ] . Gelet op het hierboven weergegeven complex van bewijsmiddelen, acht de rechtbank bewezen dat verdachte degene is geweest die deze foto’s via Facebook en in enveloppen heeft verspreid.

Er is sprake van telastlegging van een “bepaald feit” als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht, indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte te laste is gelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst. De op de foto’s weergegeven seksuele gedragingen zoals door de rechtbank bij het onderzoek ter terechtzitting waargenomen, kunnen naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als voldoende geconcretiseerde gedragingen en daarmee als “bepaalde feiten”. Voorts stelt de rechtbank vast dat de foto’s zijn verstuurd naar een groep van personen waarbinnen [slachtoffer ] bekend was en voor wie duidelijk kenbaar was dat [slachtoffer ] de op de afbeeldingen zichtbare persoon betrof. De rechtbank is van oordeel dat door vorengenoemde gedragingen de eer en de goede naam van aangeefster zijn aangerand. Het onder 1. ten laste gelegde feit kan derhalve worden bewezen.

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde feit is de rechtbank van oordeel dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de foto’s ongevraagd aan de ontvangers zijn toegezonden. Dat de foto’s aanstotelijk waren zoals bedoeld in de tenlastelegging, blijkt genoegzaam uit de aard van die foto’s zoals de rechtbank daar tijdens het onderzoek ter terechtzitting kennis van heeft kunnen nemen. Dat er van dit feit geen aangifte is gedaan door degene die de foto’s hebben ontvangen, zoals door de raadsvrouwe is aangevoerd, doet naar het oordeel van de rechtbank niet ter zake, nu de algemene eerbaarheid het belang is dat met deze bepaling wordt beschermd. Evenmin doet ter zake of álle geadresseerden kennis hebben genomen van de afbeeldingen, nu uit de bewijsmiddelen genoegzaam blijkt dat in elk geval een aantal personen dit wel hebben gedaan. Derhalve kan ook het onder 2. ten laste gelegde feit worden bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

1. in de periode van 7 december 2013 tot en met 20 mei 2014 in Nederland, opzettelijk, door middel van verspreiding van afbeeldingen, de eer en de goede naam van [slachtoffer ] heeft aangerand door telastlegging van een of meer bepaald(e) feit(en), met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, immers heeft verdachte met voormeld doel afbeeldingen, te weten naaktfoto's waarop die [slachtoffer ] naakt te zien is, verspreid door:

- via facebook die naaktfoto's naar de facebookgroep van [bedrijf] te sturen en

- enveloppen met naaktfoto's erin naar omwonenden van die [slachtoffer ] te sturen.

2.

in de periode van 7 december 2013 tot en met 20 mei 2014 in Nederland, opzettelijk,

afbeeldingen, waarvan hij wist dat die afbeeldingen aanstotelijk waren (te weten naaktfoto’s van [slachtoffer ] ), aan iemand, te weten één of meer leden van de Facebook-groep [bedrijf] en één of meer omwonenden van [slachtoffer ] , anders dan op hun verzoek heeft toegezonden, immers heeft hij

- via Facebook die naaktfoto's naar de Facebook-groep van [bedrijf] gestuurd en

- enveloppen met naaktfoto's erin naar omwonenden van die [slachtoffer ] gestuurd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

De verdediging heeft met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 1 ten laste gelegde feit een beroep gedaan op de rechtvaardigingsgrond, genoemd in artikel 261 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht en daartoe aangevoerd dat verdachte te goeder trouw mocht menen dat de door hem te last gelegde feiten waar waren en het algemeen belang de telastlegging daarvan eiste.

De rechtbank verwerpt dit verweer omdat bij gebreke van enige redengevende onderbouwing zijdens de verdediging niet valt in te zien dat en waarom met het verspreiden van het beeldmateriaal waarop [slachtoffer ] te zien is enig algemeen belang wordt gediend.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf van 60 uur te vervangen door 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, en daarnaast een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week met een proeftijd van 2 jaar. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In de eerste plaats heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat sprake van samenloop als bedoeld in artikel 55 van het Wetboek van Strafrecht, indien de rechtbank zou komen tot een bewezenverklaring van de onder 1. en 2. ten laste gelegde feiten.

Voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, heeft de raadsvrouwe zich gerefereerd voor wat betreft de oplegging van een taakstraf. Onder verwijzing naar het gegeven dat de feiten drie jaar geleden hebben plaatsgevonden en dat verdachte in die periode steeds werkzaam is geweest en niet met justitie in aanmerking is gekomen, heeft de raadsvrouwe verzocht om geen voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan smaad en het verspreiden van pornografie, in eendaadse samenloop gepleegd, gelet op het uit oogpunt van tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen identieke feitencomplex.

Het mag als bekend worden verondersteld dat er bij slachtoffers van smaad lange tijd gevoelens van angst en onzekerheid (kunnen) blijven bestaan, waardoor zij in hun deelname aan het maatschappelijk verkeer ernstig kunnen worden belemmerd. Dat hiervan ook in het onderhavige geval sprake is, vindt bevestiging in verklaring van benadeelde [slachtoffer ] in het procesdossier en uit de toelichting op de vordering benadeelde partij. Zo heeft zij als gevolg van de gedragingen van verdachte veel schaamte en stress ervaren en durfde zij zich niet meer te vertonen bij haar collega’s, vrienden en familie en heeft zij haar baan verloren. Verdachte heeft hier blijkens zijn handelen kennelijk op geen enkele wijze rekening mee gehouden. Dit alles weegt in het nadeel van verdachte.

In strafverzwarende zin houdt de rechtbank verder rekening met het gegeven dat de smaad heeft plaatsgevonden over een langere periode en specifiek gericht is geweest op de directe sociale omgeving van het slachtoffer. Verder rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij op zijn gedrag is aangesproken en desondanks toch is doorgegaan met het verspreiden van naaktafbeeldingen van het slachtoffer. De rechtbank houdt in strafverzwarende zin tevens rekening met de voor het slachtoffer zeer belastende aard van het door verdachte verspreide fotomateriaal, alsmede met zijn keuze voor het medium Facebook/internet en de inherente risico’s op verdere verspreiding die dit medium met zich brengt.

Kijkend naar de persoon van verdachte houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte een blanco strafblad heeft.

De rechtbank zal een zwaardere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, omdat de rechtbank van oordeel is dat de gevorderde straf de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking brengt.

Alles afwegende acht de rechtbank een taakstraf van 150 uur, passend en geboden, met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

De rechtbank acht daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats, om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal de duur van deze voorwaardelijke gevangenisstraf bepalen op 1 maand en daaraan een proeftijd van 2 jaren verbinden.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering enigszins dient te worden gematigd. Hij heeft te kennen gegeven een voorschot van € 2.500,00 toewijsbaar te achten, met dien verstande dat de benadeelde partij zich voor het overige gedeelte van de vordering kan wenden tot de civiele rechter. De officier van justitie heeft tevens de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsvrouwe heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, gelet op de bepleitte vrijspraak. Subsidiair heeft de raadsvrouwe verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Daartoe is aangevoerd dat de periode waarin de immateriële schade is geleden is uitgebreid, maar dat het causale verband tussen die (uitgebreide) schade en het daaraan ten grondslag liggende feit niet is aangetoond.

Beoordeling. Bij de beoordeling stelt de rechtbank het volgende voorop.

Ingevolge artikel 6:106 lid 1 sub b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde ter zake nadeel dat niet in vermogensschade bestaat recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde in zijn eer of goede naam is geschaad.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de bewezenverklaarde aantasting in eer of goede naam, het recht van benadeelde op vergoeding van immateriele schade een gegeven is. Gelet op de in het voegingsformulier aangevoerde onderbouwing en rekening houdend met hetgeen rechters in den lande in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen acht de rechtbank toewijzing van een bedrag van tenminste € 1.750,00 redelijk en billijk, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schade voor zover deze het bedrag van € 1.750,00 te boven gaat, omdat de thans voorliggende (summiere) toelichting op de vordering daarvoor onvoldoende basis biedt. Een nadere toelichting zijdens de benadeelde partij en een verdere gedachtewisseling hierover ter terechtzitting zou evenwel leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding. Om die reden wordt de benadeelde partij ten aanzien van dat deel van haar vordering niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum van het delict tot aan de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting - dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze voorwerpen ten tijde van het begaan van de feiten aan verdachte toebehoorden.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 27, 33, 33a, 36f, 55, 240 en 261 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1 en feit 2:

smaad in eendaadse samenloop gepleegd met

wetende dat een afbeelding aanstotelijk is voor de eerbaarheid is die afbeelding

aan iemand, anders dan op diens verzoek, toezenden

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

t.a.v. feit 1 en feit 2: Taakstraf voor de duur van 150 uren subsidiair 75 dagen hechtenis met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

de rechtbank waardeert een in verzekering doorgebrachte dag op 2 uur te verrichten arbeid.

t.a.v. feit 1 en feit 2: Gevangenisstraf voor de duur van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren;

stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de

proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

t.a.v. feit 1:Maatregel van schadevergoeding van € 1.750,00 subsidiair 27 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ] van een bedrag van € 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 27 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer ] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer ] , van een bedrag van € 1.750,00 (zegge: duizend zevenhonderdvijftig euro), bestaande uit immateriële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 mei 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Verbeurdverklaring van de in beslag genomen goederen, te weten:

1. 1.00 stk Cd-Rom

goednr 817626 / in enveloppe incl. 7x print facebook

2. 1.00 stk Cd-Rom

Platinum 700

goednr 764441 / in enveloppe

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. Y.N.M. Rijlaarsdam en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 19 januari 2017.

1 Tenzij anders vermeld, wordt bij de aanduiding van de bewijsmiddelen verwezen naar de paginanummers uit het dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, afdeling Gemert-Laarbeek, met proces-verbaalnummer PL2200-2014069003, afgesloten op 9 juni 2015. Dit dossier bestaat uit 257 doorgenummerde pagina’s.

2 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer ] d.d. 17 februari 2014, pagina’s 81 tot en met 85.

3 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer ] d.d. 1 maart 2014, pagina’s 105 en 106.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer ] d.d. 20 maart 2014, pagina’s 142 en 143.

5 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] (echtgenote van [getuige 1] ) d.d. 10 maart 2014, pagina’s 121 en 122.

6 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 27 februari 2014, pagina’s 111 en 112.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] d.d. 22 mei 2014, pagina 227.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer ] d.d. 20 mei 2014, pagina’s 146 tot en met 149.

9 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] d.d. 23 mei 2014, pagina’s 212 en 213.

10 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 7 augustus 2014, pagina’s 103 en 104.

11 Het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 3] d.d. 25 augustus 2014, pagina’s 250 en 251.

12 Proces-verbaal van de terechtzitting van 5 januari 2017, eigen waarneming van de rechtbank, in combinatie met de door de officier van justitie in gesloten envelop aan de rechtbank ter beschikking gestelde foto’s op pagina’s 95, 96, 98, 99, 100, 108, 109, 116, 119, 120, 133, 135, 136, 139, 156 en 163.