Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:2217

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
20-04-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
01/993329-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich gedurende een periode van 2 jaren nagenoeg onafgebroken bezig gehouden met de productie van synthetische drugs. Verdachte had daarin een leidende en actieve rol. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van munitie en het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals huurcontract.

De rechtbank veroordeelt verdachte hiervoor tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaren met aftrek van voorarrest.

De rechtbank is van oordeel dat het uitlezen van de Blackberry telefoon (ontcijferde PGP-berichten) van verdachte rechtmatig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Team strafrecht

Parketnummer: 01/993329-15

Datum uitspraak: 20 april 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,

wonende te 5932 TC Tegelen, [adres 2] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 juli 2016, 27 september 2016, 20 december 2016, 17 maart 2017, 21 maart 2017, 22 maart 2017 en 6 april 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 31 mei 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 maart 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1. Hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 oktober 2012 tot en met 4 april 2016 te Stevensbeek en/of Venlo en/of Tegelen en/of Best en/of Maasmechelen (België) en/of één of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of aanwezig gehad,

- éen of meer hoeveelhe(i)den van een stof bevattende MDMA; - éen of meer hoeveelhe(i)den van een stof bevattende amfetamine;

- éen of meer hoeveelhe(i)den van een stof bevattende mefedron,

in elk geval een of meer hoeveelhe(i)den van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

EN/OF

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 28 oktober 2012 tot en met 4 april 2016 te Stevensbeek en/of Venlo en/of Tegelen en/of Best en/of Maasmechelen (België) en/of één of meer (andere) plaatsen in Nederland en/of België, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende een stof vermeld op lijst 1 van de Opiumwet, zijnde een middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, -zich en/of een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft/hebben getracht te verschaffen en/of

-voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en/of gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft/hebben gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s)wisten of ernstige redenen had/hadden om te vermoeden dat zij bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte en/of (een of meer van) verdachtes mededader(s):

- één of meer locaties voor het opzetten van een productielocatie van MDMA en/of amfetamine en/of mefedron in elk geval een stof vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet geregeld en/of ingericht;

- hardware en/of grondstoffen en/of andere voorwerpen benodigd bij de productie van MDMA en/of amfetamine en/of mefedron, in elk geval een stof vermeld op lijst 1 bij de Opiumwet geregeld en/of voorhanden gehad;

- inlichtingen en/of informatie ingewonnen over de omzetting van PMK en/of BMK;

- grondstoffen omgezet naar PMK en/of BMK;

- PMK en/of BMK omgezet naar halffabrikaten;

- een vacuümeermachine en/of een geldtelmachine en/of één of meer weegscha(a)len voorhanden gehad.

2. hij op of omstreeks 04 april 2016, in een woning aan de [adres 2] te Venlo,

tezamen en in vereniging met een ander(en), althans alleen,

- munitie van categorie III, te weten een patroon van het merk S & B (Sellier & Bellot) type Volmantel, kaliber 9 mm x 19, voorhanden heeft gehad.

3. hij in of omstreeks 28 oktober 2015 te Venlo en/of Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) huurovereenkomst bedrijfsruimte, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, dan wel zodanig geschrift heeft afgeleverd of voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat een medeverdachte deze aan de politie heeft laten zien en/of overhandigd om aan te geven dat [huurder] de huurder was van de ruimte(n)/schu(u)ren aan de [adresgegevens 2] alwaar op 28 oktober 2015 door de politie een productielocatie voor synthetische drugs (amfetamine, MDMA, mefedrone) werd aangetroffen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in de huurovereenkomst de naam van [huurder] was vermeld als zijnde de huurder in de periode vanaf 1 september 2015 van de ruimte(n)/schu(u)ren aan de [adresgegevens 2] waar op 28 oktober 2015 een productielocatie voor synthetische drugs werd aangetroffen en/of ter staving daarvan een kopie van een identiteitsbewijs van [huurder] aan de huurovereenkomst was gehecht.

Ten gevolge van een kennelijke omissie ontbreekt in de tenlastelegging op pagina 3 onder feit 3 in de eerste regel van de laatste alinea tussen de woorden ‘de huurovereenkomst’ en ‘de naam van de [huurder] ’ de zinsnede ‘in strijd met de waarheid’. De rechtbank herstelt deze omissie en leest voormelde zinsnede zoals hiervoor is vermeld. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De geldigheid van de dagvaarding.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1 stelt de verdediging zich op het standpunt dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard ten aanzien van de voorbereidingshandelingen omdat het onduidelijk is van welke voorbereidingshandelingen verdachte precies wordt verdacht en ook omdat dit feit qua pleegplaatsen zo ruim is opgezet. Gelet op deze factoren is het de verdediging niet duidelijk wat verdachte precies wordt verweten en waartegen hij zich moet verdedigen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie stelt zich op het standpunt, samengevat, dat het voldoende duidelijk is wat verdachte onder feit 1 wordt verweten.

Het oordeel van de rechtbank.

Niet is gebleken dat het voor verdachte of zijn raadsman onvoldoende duidelijk was wat aan verdachte ten aanzien van dit feit verweten wordt. Dit blijkt temeer uit het feit dat de raadsman ten aanzien van dit feit onderzoekswensen heeft kunnen doen, die hij ook gedaan heeft. De opbouw van het dossier had beter gekund, maar op basis van een in omvang beperkt dossier moet het voor de verdediging volledig duidelijk zijn geweest waartegen zij zich moest verweren. Dit wordt nog ondersteund door het uitgebreide inhoudelijke verweer dat de verdediging ten aanzien van dit feit heeft gevoerd. Bovendien hebben de omschreven voorbereidingshandelingen bovenaan pagina 2 van de dagvaarding voldoende feitelijke betekenis. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet de opgave van feit 1 ten aanzien van de voorbereidingshandelingen zoals bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet aan het bepaalde in artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer.

De dagvaarding voldoet ook overigens aan alle wettelijke eisen en is derhalve geldig.

De overige formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de rechtbank bevoegd is van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsmiddelen en de beoordeling daarvan.

Inleiding.

Op 28 oktober 2015 werd een omvangrijk laboratorium voor de vervaardiging van synthetische drugs ontmanteld aan de [adresgegevens 2] . Naar aanleiding van deze vondst werden meerdere deelonderzoeken ingesteld, waaruit (onder meer) verdachte naar voren kwam als zijnde betrokken bij dit laboratorium. Daarnaast is nader onderzoek gedaan naar het plegen van andere strafbare feiten in het kader van de Opiumwet door (onder meer) verdachte. In de woning van verdachte is een stuk munitie aangetroffen. Tot slot wordt verdachte er van verdacht tezamen en in vereniging met een ander of anderen een vals geschrift te hebben gebruikt althans voorhanden te hebben gehad.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het onder feit 1, feit 2 en feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van feit 1 komt de officier van justitie tot een pleegperiode van 28 oktober 2012 tot en met 4 april 2016.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van feit 1.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het bepaalde in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet, als ook van het medeplegen van het voorbereiden en/of bevorderen van een feit als bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van de Opiumwet, moet worden vrijgesproken. De verdediging stelt daartoe, samengevat, het volgende.

Betrokkenheid van verdachte bij uitvoeringshandelingen.

De verdediging stelt voorop dat de wijze van identificatie van verdachte als deelnemer aan OVC-gesprekken gebaseerd is op een fotoherkenning door verbalisanten in samenhang met een bij [bedrijf] in Best verrichte observatie. Er heeft echter geen stemherkenning plaatsgevonden. Om die redenen stelt de verdediging zich op het standpunt dat de OVC-gesprekken niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden. Indien de rechtbank daar anders over denkt, stelt de verdediging dat niet kan worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk uitvoeringshandelingen heeft verricht in het laboratorium. Het dossier bevat geen bewijs om verdachte fysiek te plaatsen in het bewuste laboratorium in Stevensbeek. Uit het dossier kan ook niet worden afgeleid dat verdachte de leiding heeft met betrekking tot dit laboratorium; eerder blijkt uit met name de OVC-gesprekken een faciliterende rol. De gedragingen die aan verdachte kunnen worden gelinkt met betrekking tot het laboratorium in Stevensbeek dienen naar hun aard in verband te worden gebracht met medeplichtigheid, wat echter niet ten laste is gelegd. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de pleegperiode flink ingekort moet worden. Ten aanzien van de berichten op de PGP-telefoon die in de woning waar verdachte verbleef is aangetroffen, stelt de verdediging, samengevat, dat deze niet voor het bewijs gebruikt mogen worden vanwege een inbreuk op artikel 8 van het EVRM.

Voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet.

De verdediging stelt zich, samengevat, primair op het standpunt dat het dossier onvoldoende concrete aanknopingspunten voor betrokkenheid van verdachte daarbij biedt waardoor verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken. Subsidiair stelt de verdediging zich op het standpunt dat de pleegperiode flink ingekort moet worden.

Ten aanzien van feit 2.

De verdediging stelt zich op het standpunt dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken omdat, samengevat, hij geen wetenschap had van de aanwezigheid van het in zijn woning aangetroffen stuk munitie en ook niet kan worden bewezen dat verdachte zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid daarvan.

Ten aanzien van feit 3.

De verdediging stelt zich, samengevat, op het standpunt dat verdachte van het onder dit feit ten laste gelegde moet worden vrijgesproken omdat niet kan worden vastgesteld dat [huurder] geen enkele betrokkenheid had bij de huurovereenkomst en omdat uit de inhoud van de OVC-gesprekken hoogstens kan worden afgeleid dat verdachte heeft geweten van het huurcontract, maar niet dat hij dit contract heeft gemaakt of dat hij dit contract aan [medeverdachte 2] heeft gegeven om te kunnen gebruiken. Dat verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het gebruik van het contract door deze [medeverdachte 2] , kan niet worden bewezen.

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de gehele uitwerking daarvan. Deze is als bijlage gevoegd bij dit vonnis.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1.

De PGP-berichten.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van de ontcijferde PGP-berichten uit de onder verdachte inbeslaggenomen BlackBerry niet voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat, samengevat, het onderzoek aan dergelijke telefoons een inbreuk maakt op het door artikel 8 van het EVRM verleende recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het bewijs dat door het uitlezen van de BlackBerry is verkregen dient daarom volgens de verdediging te worden uitgesloten. De verdediging heeft ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 april 2015 (ECLI:GHARL:2015:2954).

De rechtbank overweegt dat artikel 94, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) bepaalt dat alle voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, vatbaar zijn voor inbeslagneming. Voor de waarheidsvinding mag onderzoek worden gedaan aan en in inbeslaggenomen voorwerpen, teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen. Er zijn geen aanknopingspunten om ten aanzien van (de inhoud van) deze BlackBerry anders te oordelen. Een dergelijk onderzoek vormt evenwel een inbreuk op het in artikel 8, eerste lid, van het EVRM gewaarborgde recht van verdachte op privacy. Een dergelijke inbreuk is ingevolge het tweede lid van artikel 8 van het EVRM alleen dan toegestaan indien deze berust op een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag en als aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Met andere woorden: de inbreuk moet wettelijk gelegitimeerd zijn, noodzakelijk zijn in verband met het daarmee beoogde doel en daarmee in een redelijke verhouding staan. Anders dan het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in het door de verdediging aangehaalde arrest, is de rechtbank van oordeel dat artikel 94 Sv, in het licht van de uitleg daarvan door de Hoge Raad, een voldoende duidelijke en voorzienbare wettelijke grondslag vormt voor de inbeslagname van en het daaropvolgende onderzoek in de BlackBerry van verdachte in de zin van artikel 8 EVRM. Aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit is in dit geval eveneens voldaan. Het uitlezen van de telefoon heeft in dit geval plaatsgevonden in het kader van een onderzoek naar een buitengewoon ernstig feit, namelijk de grootschalige handel in en de productie van synthetische drugs en daarnaast wordt een telefoon zoals hier aan de orde enkel gebruikt om versleutelde berichten te verzenden en bevat het in die zin nagenoeg verder geen privacygevoelige informatie vergeleken met bijvoorbeeld reguliere smartphones. Verdachte heeft zich bovendien op zijn zwijgrecht beroepen, wat de mogelijkheden beperkte om op andere wijze zicht te krijgen op de betrokkenen bij het feit en op ieders rol. Welke aspecten van de privacy van verdachte met dit onderzoek zijn geschonden, is door de verdediging ook op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank oordeelt dan ook dat de inbreuk op artikel 8 EVRM gerechtvaardigd was en dat niet in strijd is gehandeld met dit artikel. Het uitlezen van de BlackBerry was dus rechtmatig. De rechtbank verwerpt het verweer.

De OVC-gesprekken.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen reden om te twijfelen aan de bevindingen in het proces-verbaal identificatie ten aanzien van verdachte. Dit betekent dat, waar in voornoemde gesprekken wordt gesproken over of door een persoon genaamd [verdachte] of ‘ [bijnaam7] (je)’ , dit verdachte betreft. De rechtbank verwerpt het verweer.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

De betrokkenheid van verdachte bij het laboratorium in Stevensbeek.

Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte betrokken is geweest bij de productie van synthetische drugs in het laboratorium in Stevensbeek. Daartoe acht de rechtbank hoofdzakelijk de inhoud van de in de bewijsbijlage aangehaalde OVC-gesprekken die zijn opgenomen in Best, als ook de inhoud van de in deze bijlage aangehaalde PGP-berichten redengevend. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.

In het gesprek van 28 september 2015 met kenmerk: 9041.064 zegt verdachte dat het zijn hok is en dat hij bepaalt wat er gebeurt in het hok.

In het gesprek van 6 oktober 2015 met kenmerk 9049.079 zegt [betrokkene 1] dat verdachte zijn broer met iets aan het werk heeft gezet wat volgens hem nooit gaat werken en dat de broer van verdachte het moet koken. In het gesprek van 22 oktober 2015 met kenmerk 9065.086 vraagt verdachte of [betrokkene 2] 125 liter zwavel bestelt en zegt dat die zelf betaalt als [naam 1] er goed product uithaalt. [betrokkene 2] zegt dat de [naam 1] dat doet. [betrokkene 2] zegt dat broertje erbij is en die heeft altijd gesmolten. Verdachte vraagt of zijn broertje het gaat smelten. [betrokkene 2] bevestigt en zegt dat die [naam 1] het in de gaten houdt om te zien of er wat verbeterd kan worden. Verdachte verwacht dat hun methode geen verbetering nodig heeft. Hij zegt dat als je hem na het zwavelen nog eens tweeëneenhalf uur laat scheiden met kokend water, je een super mooi product overhoudt. In het gesprek van 23 oktober 2015 met kenmerk 9066.048 zegt [betrokkene 1] dat er 150 liter P naar de klote geholpen is en dat [betrokkene 2] het hok eens zou moeten zien en dat dan de tranen in je ogen komen. [betrokkene 1] zegt dat verdachte voor € 10.000,- daar geïnvesteerd heeft en dat er alleen maar troep staat. [betrokkene 2] denkt dat er nog onomgezette apaan die teruggeslagen is in de kannen zit. [betrokkene 2] stelt voor dat broertje opnieuw 100 liter gaat smelten. [betrokkene 1] zegt dat je gigantische rookwolken krijgt op de manier waarop broertje smelt. In het gesprek van 28 oktober 2015 met kenmerk 9071.086 zegt [betrokkene 2] dat er DNA ligt van de jongens van verdachte die daar werken. Verdachte vraagt of er ook DNA ligt van zijn broertje. [betrokkene 2] denkt van wel want hij (derde persoon) heeft gezegd dat ze heel onvoorzichtig hebben gewerkt, ze pakten alles vast, sjouwden zonder handschoenen en ze stapten zelfs zonder zich om te kleden in de auto. Verdachte heeft [betrokkene 3] erop gewezen dat hij niks moest aanraken zonder handschoenen. [betrokkene 2] zegt dat het broertje van verdachte ‘s morgens vroeg al wilde beginnen. Volgens verdachte is dat de redding geweest anders hadden ze er met zijn allen in gestaan.

In het gesprek van 2 november 2015, met kenmerk 9076.075, vertelt verdachte over de boer die het goed speelt als hij zich aan zijn zwijgrecht houdt en zijn contract, en dat de boer gesproken heeft over een Turk of een Pool en dat er op zijn contract een Pool staat. [medeverdachte 1] zegt in dat gesprek dat die persoon (de boer) gewoon een varkensboer is. De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] de eigenaar van de bewuste loods in Stevensbeek is, dat deze [medeverdachte 2] een varkensboer is en dat hij tegen de politie had verklaard dat een Turk de loods gehuurd had waarbij hij een huurcontract heeft getoond met daarop de gegevens van een Poolse man. Om die redenen is de rechtbank er van overtuigd dat waar in de gesprekken wordt gesproken over de (varkens)boer, dit [medeverdachte 2] betreft en deze gesprekken zien op het bewuste laboratorium in Stevensbeek.

Gelet op de inhoud van het gesprek op 13 november 2015 met kenmerk 9087.072, waaraan onder meer verdachte deelneemt, in samenhang bezien met de bevindingen ten aanzien van de telefoon van [medeverdachte 2] , het relaas van verbalisant [verbalisant] en de eigen verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat het in dit gesprek gaat over het bewuste laboratorium in Stevensbeek. Ook uit de inhoud van de overige in de bewijsbijlage aangehaalde gesprekken tussen, met of over verdachte, [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] , in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat het in deze gesprekken steeds gaat over het laboratorium in Stevensbeek. Dat het in deze gesprekken steeds dit laboratorium betreft blijkt te meer uit het gesprek van 28 oktober 2015, met kenmerk 9071.088, enkele uren na de ontdekking van het laboratorium in Stevensbeek, waaruit naar het oordeel van de rechtbank kan worden afgeleid dat het laboratorium in Stevensbeek de enige productieplaats was van verdachte, nu hij in dit gesprek zegt dat hij gelijk door wil en een nieuwe plek gaat zoeken.

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, acht de rechtbank bewezen dat verdachte een leidende rol heeft gespeeld bij het produceren van synthetische drugs in het laboratorium aan de [adresgegevens 2] . Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

De betrokkenheid van verdachte bij overige Opiumwetdelicten.

Zowel in de woning van verdachte, als ook in de woning van medeverdachte [medeverdachte 4] zijn zogenaamde PGP-toestellen gevonden. Dit betreft telefoons van het merk BlackBerry waarmee alleen versleutelde berichten verzonden kunnen worden. Zowel verdachte, als ook [medeverdachte 4] , hebben zich op hun zwijgrecht beroepen ten aanzien van het aantreffen van deze telefoons en de inhoud van de op deze telefoons aangetroffen berichten.

Hierboven is al vastgesteld dat waar in OVC-gesprekken/PGP-berichten wordt gesproken over een persoon genaamd ‘ [bijnaam7] (je)’ , dit verdachte betreft. Op 6 juni 2015 stuurt de gebruiker van het toestel dat in de woning van [medeverdachte 4] is aangetroffen (hierna: PGP 1) het bericht ‘hier [bijnaam2] heb nieuwe gepakt laat die ene alsjeblief toch maken kun jij ff in die oude blackberry kijken [..]’. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat deze telefoon in ieder geval op dat moment in gebruik was bij verdachte, aangezien de gebruiker zichzelf dan ‘ [bijnaam3] noemt. Vanaf 7 juni 2015 worden er vanaf dit toestel weer berichten verstuurd naar ‘ [bijnaam7] ’, wat er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat het toestel op dat moment niet meer in gebruik was bij verdachte. Uit de inhoud van de in de bewijsbijlage opgenomen berichten van en naar de gebruikers ‘ [bijnaam7] ’ , ‘ [naam 1] ’ en ‘Nr1’ blijkt dat er in de periode van 6 juni 2015 tot en met 1 december 2015 door de gebruiker van dit toestel veelvuldig wordt gecommuniceerd over de handel en productie van synthetische drugs, onder meer met verdachte.

Uit onderzoek naar de berichtgeving op het PGP-toestel wat onder verdachte in beslag is genomen (hierna: PGP 2), is onder meer gebleken dat de berichten van de contactpersoon die op dit toestel ‘Blerick’ wordt genoemd overeenkomt met de berichten van de contactpersoon die in PGP 1 ‘ [bijnaam7] ’ wordt genoemd. Op 9 augustus 2015 krijgt de gebruiker van het toestel van de gebruiker van het e-mailadres ‘Blerick’ een mail met de tekst: ‘Hij wilt alles moet alles scheiden met die water afmeten en in kannen doen opschrijven en aan hun geven mail even met [naam 1] erover hij vraagt voor glas om te destileren heb gezegt dat we 50 liter bol hebben compleet dan kan hij die erop destileren.’ Op 12 oktober 2015 krijgt de gebruiker van het toestel een e-mail met de tekst: ‘ [naam 2] had zelf liggen die ook gedaan 9,2 uit gekomen je ziet meteen het verschil gelijk hard deze niks duurt 10 min voor die hard wordt en komt niks uit maar hij zag het meteen zonder te koken dat die niet goed was.’

Op 1 mei 2014 stuurt de gebruiker van het e-mailadres [emailadres] een bericht naar de gebruiker: ‘Ga naar [bijnaam7] toe maar eet eerst even wat dan kom ik.’ Op 2 juni 2014 is er mailverkeer waarin de gebruiker naar [emailadres] stuurt: ‘Rij naar mijn broer kom ik daarheen.’ Als [emailadres] zegt dat hij daar al langs is, zegt [emailadres] vervolgens ‘draai om naar Tegelen’ De rechtbank stelt vast dat de woonplaats van verdachte Tegelen is. Op 11 juni 2014 stuurt de gebruiker een mail naar [emailadres] : ‘Breng die na [bijnaam7] dan kom ik daarheen.’ Op 11 juni 2014 ontvangt de gebruiker een mail van [emailadres] : (..) Maar [bijnaam7] zegt nu al tweede keer dat ik er maar mee moet uitscheiden.’ Op 14 juni 2014 ontvangt de gebruiker een mail van [emailadres] : ‘Heeft [bijnaam7] al geregeld.’

Gelet op bovenstaande berichten met het contact [emailadres] kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat PGP 2 in ieder geval tussen 1 mei 2014 en 14 juni 2014 niet in gebruik was bij verdachte. Nu er in deze gesprekken wordt gesproken over ‘naar mijn broer rijden’ en kort daarop ‘draai om naar Tegelen’, waar verdachte woont, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat de telefoon op dat moment in gebruik was bij [medeverdachte 4] .

In de navolgende gesprekken met andere contacten heeft de gebruiker van PGP 2 het veelvuldig over een ‘broer(tje)’.

Op 12 juni 2014 ontvangt de gebruiker een mail van de gebruiker van het e-mailadres [emailadres2] met de tekst: ‘vriend goeie avond, heb morgen 5 M nodig, we krijgen jou broer niet te pakken.’ Op 11 juni 2014 krijgt de gebruiker van het toestel een bericht van de gebruiker van het e-mailadres [emailadres3] met de tekst: ‘Goedemorgen vriend kan jij je broer bereiken want ik heb alles spullen voor jullie geregelt en die moeten op gehaald worden om half 2 maar ik krijg hem niet te pakken.’ Op 16 juni 2014 stuurt de gebruiker van het toestel een e-mail waarin hij aangeeft dat hij door moest geven dat groen, rood en oranje er zijn maat dat blauw nog niet binnen is. [emailadres3] wil vervolgens weten wanneer blauw binnen is. De gebruiker van het toestel stuurt vervolgens een e-mail terug met de tekst: ‘Ja tegen mij werd gezegt dat alleen die lichte m na jouw moest en die andere is te donker zij broer dus wou die jouw die m geven die nu aan het cristaliceren is die komt vandaag uit vriezer en blauw hadden ze bestelt zou paar dagen duren vriend.’ Op 16 juni 2014 stuurt [emailadres3] het bericht: ‘Ok laat je broer me straks mailen ik geef 100 mee en Ok vriend is je broer in de buurt kan ik hem spreken.’ Op 19 juni 2014 verstuurt de gebruiker van het toestel naar de gebruiker van het e-mailadres [emailadres4] een mail met de tekst: ‘Vriend je moet 16 kannen acceton en 3 zout mee nemen 25 liter kannen zout in Roermond zet die bij je thuis neer.’ [emailadres4] antwoordt daarop dat hij zo eerst naar Eindhoven moet en dat hij het daarna in Roermond gaat ophalen en bij hem thuis zal neerzetten. De gebruiker van het toestel geeft vervolgens door: ‘Nee broer zeg eerst naar Roermond.’ Op 3 april 2016 geeft de gebruiker van het toestel aan dat om 7 uur zijn broertje naar de plek gaat kijken. De gebruiker van het e-mailadres [emailadres5] antwoord daarop dat hij maar moet laten weten of het wat is. De gebruiker van het toestel geeft vervolgens aan dat zijn broertje daar geweest is en dat het een super plek is, afgelegen maar top plek. Hij vraagt of de keuken wel compleet is. [emailadres5] geeft aan dat hij het doorgeeft aan zijn maat. Op 25 mei 2015 verstuurt de gebruiker van het toestel een e-mail naar [emailadres7] met als tekst: ‘Nou ik stoor mij over hem dat hij zijn werk niet goed en netjes afleverd. Daarmee wil ik zeggen dat hij de rendent niet uit haalt wat eigenlijk moet pas heeft hij 93 liter B gedraaid en totaal 31 liter A eruit haal waar is de test omdat mijn broer heeft pas nog 129 schoone B gemaakt en is pas 27 liter A vanaf gekomen dus als je om moet rekenen hoeveel A daar eigenlijk uit had moeten komen is 185 liter A als je rond de 75 liter A eruit haal op 100 B snap je dus wij hebben pas 40 liter pas ontvangen van de 235 liter B snap je.’

Gelet op de inhoud van bovenstaande gesprekken kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de gebruikers van beide PGP-toestellen op wisselende momenten verdachte dan wel [medeverdachte 4] waren, en dat verdachte en [medeverdachte 4] veelvuldig berichten hebben verzonden met of over hun broer, en met vele anderen, welke berichten nagenoeg zonder uitzondering allemaal zagen op de productie van synthetische drugs.

Ook uit de OVC-gesprekken komt een dergelijk beeld naar voren. Op 28 oktober 2015 is het laboratorium in Stevensbeek ontdekt. Op die dag zegt verdachte in het gesprek met kenmerk 9071.090 dat hij nog 1700 liter ‘B’ heeft en die ‘P’ heeft hij ook nog. Volgens verdachte is dat een half miljoen waard. Verdachte zegt dat [betrokkene 2] aan die [naam 1] moet vragen wat voor ketel hij nodig heeft. [betrokkene 2] zegt dat hij ( [naam 1] ) mee gaat smelten en alleen twee vaten nodig heeft. Verdachte zegt dat hij het hok zelf regelt, hij kent alle boeren daar.

In het gesprek van 2 november 2015 met kenmerk 9076.068 vraagt [medeverdachte 5] wat [medeverdachte 4] er mee gaat doen. [medeverdachte 4] zegt dat hij er gewoon een beetje olie bij doet en het dan gaat omzetten. [medeverdachte 5] vraagt wat de terugslag is. [medeverdachte 4] zegt apaan. [medeverdachte 5] vraagt of er boven in olie zit. [medeverdachte 4] zegt dat de rest olie is. In het gesprek van 26 november 2015 met kenmerk 9100.082 zegt [medeverdachte 5] dat de A-olie bruin was en dat hij hem niet kan wassen maar moet overtrekken. Hij zegt tegen verdachte: ‘Ja die heb jij gezien. [betrokkene 3] stond er toch.. (onverstaanbaar).’

In het gesprek van 10 november 2015 met kenmerk 9084.052 zegt verdachte dat hij vooruit moet. Hij heeft twee ketels en weer een plek heeft geregeld. Hij zegt dat het probleem met de ‘P’ is opgelost dus hij kan de P’ ook weer afdraaien. In het gesprek van 10 november 2015 met kenmerk 9084.075 zegt verdachte dat hij 300 liter heeft geregeld. [medeverdachte 5] zegt dat hij maandag kan beginnen. Verdachte zegt iets over het regelen van ruimtes en haalt woensdag twee ketels op en zegt dat hij de grondstoffen ook allemaal aangeleverd krijgt en dat je die pas achteraf hoeft te betalen. [medeverdachte 5] zegt dat verdachte het eerst naar hem moet laten komen, dan haalt [medeverdachte 5] de bovenste eraf, die gaat hij destilleren en afdraaien en dat de onderste teruggaat naar [betrokkene 4] . Verdachte zegt dat hij die 150 liter ‘P’ kan afdraaien en dat [medeverdachte 5] ook miauw kan afdraaien. [medeverdachte 5] zegt dat hij geen miauw meer gaat afdraaien.

In het gesprek van 20 november 2015 met kenmerk 9094.079 zegt verdachte dat hij zelf een ruimte gaat regelen zodra hij de spullen heeft. [betrokkene 2] zegt dat ze weinig tijd hebben. Verdachte zegt dat die vent heeft gezegd dat het twee weken duurt en dat het geen probleem is om een ketel in elkaar te zetten. [betrokkene 2] zegt dat de koeler lang duurt. Hij heeft vanmorgen al voor een B ketel gevraagd. Verdachte stelt voor één glaswerk te pakken van 200 liter zodat ze kunnen beginnen. Hij vraagt hoe het zit met de tonnen en warmtedekens. [betrokkene 2] zegt dat het voor het smelten en voor de tweede fase is. [medeverdachte 5] zegt dat de eerste en tweede fase met de bollen geen probleem is en dat je het met elke bol kan doen. Volgens [medeverdachte 5] geeft alle olie uit apaan een koek af die aan het glas vast gaat zitten. Hij zegt dat het glas gewoon springt. [medeverdachte 5] zegt dat als je een ketel hebt met een luikje aan de zijkant, je dat luikje kan openmaken om de rotzooi eruit scheppen. Verdachte vraagt of er een luikje bij moet. [medeverdachte 5] bevestigt en zegt dat het in de destillatieketel moet om af te draaien.

In het gesprek op 4 december 2015, met kenmerk 9108.078 vraagt [betrokkene 2] hoe het met de olie is. Verdachte zegt dat het goed is met zijn olie. [betrokkene 2] vraagt of verdachte er nog niet aan begonnen is. Verdachte zegt dat hij geen ketel heeft. [betrokkene 2] zegt dat hij het schoonmaken bedoelt. Hij zegt dat hij met de [naam 1] heeft gepraat en dat de [naam 1] verdachte zijn broertje wil helpen om het schoon te maken. Volgens [betrokkene 2] moet hij eerst de olie eraf halen en wat over is opnieuw bezwavelen. Verdachte zegt dat die [naam 1] zijn broertje al heeft uitgelegd hoe hij het moet doen en komt helpen als zijn broertje er niet uit komt. In het gesprek op dezelfde datum met kenmerk 9108.081 zegt [betrokkene 2] dat verdachte het zelf moet doen omdat hij alles in eigen hand heeft. Volgens [betrokkene 2] heeft verdachte die [naam 1] , zijn broer en zijn spullen en kan niemand hem naaien. Verdachte zegt dat hij geen keuken heeft. [betrokkene 2] zegt dat hij verdachte daarmee kan helpen. In het gesprek van dezelfde datum met kenmerk 9108.082 zegt [betrokkene 2] dat je 80 liter ‘B’ uit 100 liter ap krijgt, ongeveer 55/60 liter ‘A’. Hij zegt dat verdachte 100 liter ‘B’ heeft en daar moet je minimaal 70/75 liter ‘A’ uit krijgen. Verdachte zegt dat hij laatst ook 100 liter B’ heeft meegegeven. [betrokkene 2] zegt dat die nog vuil was en dat verdachte hem schoon had moeten maken. Verdachte zegt dat hij daar niks mee te maken heeft. [...] [betrokkene 2] wil apaan van verdachte. [betrokkene 2] wil dat de [naam 1] verdachte zijn spullen maakt. Verdachte vraagt of [betrokkene 2] 100 liter zwavel kan regelen. [betrokkene 2] zegt dat die [naam 1] verdachte zijn broertje voor niks komt helpen.

Verdachte heeft zich ten aanzien van deze bevindingen op zijn zwijgrecht beroepen.

Op 15 november 2014 werd tijdens een controle van een personenauto in deze auto twee jerrycans aangetroffen met daarin een onbekende vloeistof, naar later bleek circa 40 liter amfetamineolie. Uit nader onderzoek bleek dat de passagier van deze auto enig aandeelhouder en bestuurder was van het bedrijf [naam bedrijf] , gelegen aan de [adresgegevens 3] . Op 25 november 2014 vond in het bedrijfspand [adresgegevens 3] een doorzoeking ter inbeslagneming plaats. Kort voor de aanvang van de doorzoeking werd gezien dat een persoon bij de loods arriveerde en met een sleutel de loods binnenging. Deze persoon bleek medeverdachte [medeverdachte 4] te zijn, die mededeelde dat hij contact had met de zoon van de eigenaar van het pand, die vast zat en van de zoon de opdracht had gekregen om de vrieskisten uit het pand te halen; een verhaal wat door die zoon is ontkend. Gelet op de geur en de aangetroffen goederen in dat pand was het vermoeden dat in dit pand productie, dan wel bewerking of opslag van synthetische drugs had plaatsgevonden. Tijdens deze doorzoeking werden op de vloer van de loods verschillende peuken aangetroffen. DNA-sporen op twee van deze peuken matchten met de DNA-profielen van verdachte en [medeverdachte 4] . Verdachte heeft zich ten aanzien van deze bevindingen beroepen op zijn zwijgrecht.

Conclusie ten aanzien van de betrokkenheid van verdachte bij overige Opiumwetdelicten.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte ook buiten Stevensbeek actief betrokken is geweest bij de productie van op lijst I van de Opiumwet genoemde stoffen.

Periode.

Het eerste PGP-bericht waaruit naar het oordeel van de rechtbank blijkt van betrokkenheid van verdachte bij de productie van synthetische drugs dateert van 27 april 2014. Het laatste bericht waaruit dit blijkt dateert van 3 april 2016. Gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van het laboratorium in Stevensbeek een pleegperiode van 1 juli 2015 tot en met 28 oktober 2015 bewezen worden verklaard. Dat verdachte voor 27 april 2014 op enige wijze betrokken is geweest bij de productie van op lijst I van de Opiumwet vermelde stoffen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.

Medeplegen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte het feit heeft gepleegd in nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Verdachte kan worden aangemerkt als de eigenaar van het drugslaboratorium in Stevensbeek en was gedurende de gehele pleegperiode nauw betrokken bij de gang van zaken daar. Een dergelijke rol kan naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een bijdrage van voldoende wezenlijke betekenis aan het gehele productieproces. Ook blijkt uit de inhoud van de aangehaalde OVC-gesprekken en PGP-berichten dat verdachte gedurende een lange periode intensief contact heeft met zijn broer en anderen over (zaken die te relateren zijn aan de voorbereiding van) de productie van synthetische drugs. Ook om die reden kan het medeplegen van dit feit wettig en overtuigend worden bewezen. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Voorbereidingshandelingen in de zin van artikel 10a Opiumwet.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich gedurende een periode van bijna twee jaar bezig heeft gehouden met de productie van synthetische drugs. Door zich hiermee bezig te houden, verrichte verdachte noodzakelijkerwijs ook de nodige voorbereidingshandelingen.

Dat verdachte naast deze aan die productie inherente voorbereidingshandelingen ook nog op andere wijze betrokken is geweest bij voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a Opiumwet, kan op grond van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld. Gelet daarop zal verdachte worden vrijgesproken van het medeplegen van het eveneens onder feit 1 ten laste gelegde voorbereiden en/of bevorderen van een feit zoals bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet.

Conclusie.

Op grond van de inhoud van de bijgevoegde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 1 ten laste gelegde, voor zover dit ziet op het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2, aanhef en onder B van de Opiumwet, wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 2.

Voor een bewezenverklaring van “voorhanden hebben” als bedoeld in artikel 26 van de Wet Wapens en Munitie dient, naast de al dan niet fysieke aanwezigheid van het wapen of de munitie, te worden vastgesteld dat verdachte in meer of mindere mate bewust was van die aanwezigheid en dat hij enige handelingsbevoegdheid (beschikkingsmacht) had ten aanzien van het goed.

De rechtbank stelt vast dat het stuk munitie is aangetroffen in een keukenkastje in de woning van verdachte. Het uitgangspunt is dat de bewoner van een woning weet welke voorwerpen zich in die woning bevinden. Verdachte heeft geen plausibele verklaring gegeven waarom het stuk munitie in zijn keukenkastje lag of – minst genomen – wie dat dan buiten zijn wetenschap om daar zou(den) kunnen hebben neergelegd. Gelet daarop, en gezien de plaats waar het stuk munitie is aangetroffen, kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders dan dat verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van dat stuk munitie en dat hij ook de macht had hierover te beschikken. Het andersluidende verweer van de verdediging wordt verworpen.

Dat verdachte het stuk munitie tezamen en in vereniging met een ander of anderen voorhanden heeft gehad kan naar het oordeel van de rechtbank niet wettig en overtuigend worden bewezen. In zoverre zal verdachte worden vrijgesproken.

Op grond van de inhoud van de bijgevoegde bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

Het oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3.

Onder feit 1 heeft de rechtbank bewezen verklaard dat waar in de OVC-gesprekken wordt gesproken over of door een persoon genaamd [verdachte] of ‘ [bijnaam7] (je)’ , dit verdachte betreft en dat verdachte een leidinggevende rol heeft gehad bij het laboratorium in Stevensbeek.

In het gesprek van 28 oktober 2015 met kenmerk 9071.087 en het vervolg op dat gesprek met kenmerk 9071.088 zegt verdachte dat op Omroep Brabant staat dat er een drugslab is ontdekt in Stevensbeek. [betrokkene 2] zegt dat er één man is aangehouden en denkt dat het die boer is. Verdachte zegt dat ze het hebben ingedekt, namelijk dat een Pool het gehuurd heeft met een contract en alles erop en eraan. Volgens hem is de boer gelijk naar die [betrokkene 5] gereden om het contract op te halen van die Pool. Verdachte verwacht dat de boer zich wel aan zijn zwijgrecht houdt. Verdachte zegt dat het contract het verschil gaat maken. In het gesprek van 2 november 2015 met kenmerk 9076.075 zegt verdachte dat de boer het slim speelt zolang hij zich beroept op zijn zwijgrecht en zijn contract. Hij zegt dat de boer gesproken heeft over een Turk of een Pool maar dat er op het contract een Pool staat.

Met betrekking tot de vaststelling dat de inhoud van deze gesprekken ziet op het laboratorium in Stevensbeek, en dat met ‘de boer’ [medeverdachte 2] wordt bedoeld, verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover onder feit 1 is overwogen. Deze [medeverdachte 2] is eigenaar van de bewuste loods waarin het laboratorium is aangetroffen. Nadat [medeverdachte 2] werd geconfronteerd met wat de verbalisanten hadden aangetroffen in de loods, verklaart hij onder meer dat hij de loods had verhuurd aan een naar hij dacht Turkse man van rond de 35, 40 jaar oud met lang donker haar wat bijna op zijn schouders kwam. [medeverdachte 2] verklaart verder dat de man op de foto op het identiteitsbewijs, wat bij het contract was gevoegd, overeenkwam met de man aan wie hij de ruimten zou hebben verhuurd. Op het identiteitsbewijs staat de naam van een [huurder] . [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij een paar weken voor zijn verhoor heeft gebeld naar het telefoonnummer dat op het contract stond. Dit rijmt echter niet met de bevindingen naar aanleiding van het onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 2] , dat er geen enkele impuls van en naar het nummer op het huurcontract werd geregistreerd. De rechtbank stelt vast dat er in het bewuste huurcontract niets staat over een huursom en de wijze van betaling. Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat [medeverdachte 2] doelbewust leugenachtige verklaringen heeft afgelegd met betrekking tot de persoon of personen aan wie hij zijn loods had verhuurd en dat hij, eveneens doelbewust, aan de politie een vals huurcontract heeft overgelegd. In de woning van verdachte is op 4 april 2016 het identiteitsbewijs aangetroffen van de Pool die in het door [medeverdachte 2] aan de politie overgelegde huurcontract als huurder staat vermeld.

Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, kan naar het oordeel van de rechtbank wettig en overtuigend worden bewezen dat verdachte actief betrokken is geweest bij het plan dat [medeverdachte 2] bij ontdekking van het laboratorium een vals huurcontract zou tonen. De rechtbank acht dan ook het medeplegen van het onder feit 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen zoals hierna onder “de bewezenverklaring” nader zal worden aangegeven.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

ten aanzien van feit 1

in de periode van 27 april 2014 tot en met 3 april 2016 te Stevensbeek en andere plaatsen in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt hoeveelheden van een materiaal bevattende een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

ten aanzien van feit 2

op 04 april 2016, in een woning aan de [adres 2] te Venlo, munitie van categorie III, te weten een patroon van het merk S & B (Sellier & Bellot) type Volmantel, kaliber 9 mm x 19, voorhanden heeft gehad;

ten aanzien van feit 3

op 28 oktober 2015 te Stevensbeek, gemeente Sint Anthonis, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse huurovereenkomst bedrijfsruimte, - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, terwijl hij wist dat dit geschrift bestemd is voor zodanig gebruik, bestaande dat gebruikmaken hierin dat een medeverdachte deze aan de politie heeft laten zien en overhandigd om aan te geven dat [huurder] de huurder was van de ruimten aan de [adresgegevens 2] alwaar op 28 oktober 2015 door de politie een productielocatie voor synthetische drugs werd aangetroffen, en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat in de huurovereenkomst in strijd met de waarheid de naam van [huurder] was vermeld als zijnde de huurder in de periode vanaf 1 september 2015 van de ruimten aan de [adresgegevens 2] waar op 28 oktober 2015 een productielocatie voor synthetische drugs werd aangetroffen en ter staving daarvan een kopie van een identiteitsbewijs van [huurder] aan de huurovereenkomst was gehecht.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf van 7 jaar met aftrek van het voorarrest. Het inbeslaggenomen stuk munitie, de inbeslaggenomen weegschalen en het sealapparaat moeten worden onttrokken aan het verkeer. Het inbeslaggenomen geldbedrag moet verbeurd worden verklaard. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

De officier van justitie maakt kenbaar voornemens te zijn een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

Het standpunt van de verdediging.

Indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van één of meer feiten, stelt de verdediging zich op het standpunt dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de pleegdata van het delict waarvoor verdachte een gevangenisstraf van 9 jaar opgelegd heeft gekregen lagen in het jaar 2001. De verdediging vindt de eis in de zaak van verdachte buitensporig hoog en stelt zich op het standpunt dat deze moet worden gematigd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich gedurende een periode van twee jaar nagenoeg onafgebroken bezig gehouden met de productie van synthetische drugs. Verdachte had daarin een leidende en actieve rol, wat de rechtbank hem, vergeleken met de medeverdachten in dit onderzoek, extra zwaar aanrekent. De (chemische processen bij de) productie van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze productie en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat voornoemde drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de productie van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen in deze handel en productie beschermen met geweld en bedreiging met geweld. Uit de OVC-gesprekken blijkt ook dat verdachte het gebruik van geweld tegenover mensen die ‘hun mond voorbij praten’ kennelijk niet schuwt. Hij geeft meermalen aan dat hij deze mensen ‘omlegt’. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een stuk munitie en het medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals huurcontract. Dit alles rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank weegt verder ten nadele van verdachte mee dat hij eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 9 jaar. De feiten die aan deze veroordeling ten grondslag lagen, dateren weliswaar van 2001, maar dat neemt niet weg dat verdachte relatief kort na zijn vrijlating zich opnieuw intensief is gaan bezighouden met aan de Opiumwet gerelateerde feiten. Verdachte is kennelijk absoluut niet bereid zijn criminele gedrag te veranderen. Verdachte heeft geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden en heeft gehandeld uit puur winstbejag, zonder zich te bekommeren om de schadelijke gevolgen van zijn handelen voor de maatschappij.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een forse gevangenisstraf van hierna te noemen duur. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen aanleiding om van het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf af te zien. Gelet op de ernst van met name feit 1 zou een andersoortige straf geen recht doen aan de ernst van het bewezen verklaarde. Om die reden ziet de rechtbank ook geen aanleiding om de hechtenis van verdachte met ingang van de uitspraakdatum te schorsen.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Beslag.De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geld vatbaar is voor verbeurdverklaring, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit geld aan veroordeelde toebehoorde en dit geheel of grotendeels door middel van het strafbare feit is verkregen.

De rechtbank is van oordeel dat de in het dictum nader te noemen inbeslaggenomen voorwerpen vatbaar zijn voor onttrekking aan het verkeer, omdat - zoals blijkt uit het onderzoek ter terechtzitting – dit voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Verzoek schorsing voorlopige hechtenis.

De rechtbank wijst het door de verdediging gedane verzoek om de voorlopige hechtenis opnieuw te schorsen af. De rechtbank acht verdachte schuldig aan zeer ernstige strafbare feiten en er zijn geen dringende persoonlijke omstandigheden gebleken die een schorsing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

27, 33, 33a, 36b, 36c, 47, 57, 225 Wetboek van Strafrecht;

10 Opiumwet.

2, 55 Wet wapens en munitie.

DE UITSPRAAK

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

T.a.v. feit 1:Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 aanhef en onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.T.a.v. feit 2:Handelen in strijd met artikel 26 eerste lid van de Wet wapens en munitie.

T.a.v. feit 3:

Medeplegen van het opzettelijk gebruik maken van een vals of vervalst geschrift als bedoeld in artikel 225 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2, feit 3:Gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2:Onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen goederen, te weten: de voorwerpen genoemd onder nummers 8 tot en met 11 op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen van 17 februari 2017. Deze lijst is in kopie aan dit vonnis gehecht.

T.a.v. feit 1:Verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag van EUR 800,00.

Wijst af het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. M.A. Waals, voorzitter,

mr. E.W. van den Heuvel en mr. S.J.W. Hermans, leden,

in tegenwoordigheid van mr. S. Kriekaard, griffier,

en is uitgesproken op 20 april 2017.