Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:221

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
01/087287-13
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2017:2854, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 60 uur omdat zij zich als erfgename een geldbedrag van € 72.435 euro heeft toegeëigend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0023
JERF 2017/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: [01/087287-13]

Strafrecht

Parketnummer: 01/087287-13

Datum uitspraak: 19 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1962] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 1 december 2014 en 5 januari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 5 november 2014. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 10 september 2012 tot en met 15 september 2012 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid geld (72.435,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij in of omstreeks de periode van 10 september 2012 tot en met 1 december 2012 te 's-Hertogenbosch, in elk geval in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld (72.435,- euro), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte welk(e) goed(eren) verdachte anders dan door misdrijf, te weten als verzorger en/of erfgenaam, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het primair aan verdachte ten laste gelegde feit, te weten de diefstal, zal worden bewezenverklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de primair ten laste gelegde diefstal heeft de raadsman - kort samengevat - aangevoerd dat niet duidelijk is of verdachte was gemachtigd om te beschikken over het geld op de bankrekeningen van haar overleden vader. Daarnaast kan op basis van het dossier niet worden bewezen dat verdachte het oogmerk had op de wederrechtelijke toe-eigening van het geldbedrag. Met betrekking tot de subsidiair ten laste gelegde verduistering heeft de raadsman aangevoerd dat geen sprake is van opzet op de wederrechtelijke toe-eigening van het geld, omdat uit de verklaring van verdachte blijkt dat zij in een bevlieging heeft gehandeld en dat de wijze waarop zij heeft gehandeld een gevolg was van domheid.

Het oordeel van de rechtbank.

Vrijspraakoverweging ten aanzien van het primair ten laste gelegde

De rechtbank is van oordeel dat op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet kan worden bewezen dat verdachte het geldbedrag heeft weggenomen in de zin van artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar heeft verdachte het geld na het overlijden van haar vader onder zich verkregen doordat het geld van de spaarrekeningen van haar vader via de en/of-rekening die zij met haar vader deelde contant door haar werd opgenomen, maar uit dat enkele feit blijkt nog niet het oogmerk van verdachte om zich deze gelden ook wederrechtelijk toe te eigenen. Verdachte was immers als erfgenaam gerechtigd om deze gelden ten behoeve van de afwikkeling van de boedel onder zich te houden, zodat niet gezegd kan worden dat zij die gelden zonder recht of titel onder zich had. Verdachte zal daarom van het primair ten laste gelegde feit worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 1 ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde

[slachtoffer 1] 2 deed op 3 december 2012 aangifte en klacht en verklaarde - zakelijk weergegeven - als volgt:

Ik wil klacht doen tegen mijn zus [verdachte] die ik verdenk van diefstal of verduistering van geld dat uit het vermogen van mijn recent overleden vader komt. Op 13 september 2012 hoorde ik dat mijn vader op 10 september 2012 plotseling overleden was. Op 15 september 2012 ging ik naar de crematie, waar mij duidelijk werd dat mijn zus het overlijden van mijn vader overal had stilgehouden. Ik ben bij de bank gaan melden dat mijn vader was overleden. Een medewerkster vertelde mij dat de bank niet in kennis was gesteld van het overlijden van mijn vader. De medewerkster vertelde mij en toonde mij op haar computerscherm dat er geld was overgeschreven van rekeningen van mijn vader. Ik zag toen dat een totaalbedrag van 72.435,00 euro van de bonusrenterekening en de profijtrekening was afgeschreven. Uit onderzoek van de notaris is mij gebleken dat mijn zus op 7 september 2012 kennelijk in overeenstemming met de wil van mijn vader een en/of-rekening had aangevraagd.

Verdachte verklaarde ter terechtzitting d.d. 5 januari 2017 - zakelijk weergegeven - als volgt:

Het klopt dat ik kort voor het overlijden van mijn vader samen met mijn vader een en/of-rekening heb geopend. Mijn vader en ik hadden allebei een bankpas van deze en/of- rekening. Op 10 september 2012 is mijn vader overleden. Na het overlijden van mijn vader ben ik naar de bank gegaan. Toen werd mij verteld dat er ongeveer 72.000,00 euro op de spaarrekeningen van mijn vader stond. De bank heeft toen dit geld naar de en/of-rekening overgemaakt. Daarna heb ik het geld contant opgenomen. Ik heb het geld op 14 september 2012 bij mijn vader in de kist gestopt, omdat ik vond dat het zijn geld was. Mijn vader is op 15 september 2012 gecremeerd.

Bijzondere bewijsoverwegingen van de rechtbank

Op grond van de bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte op 7 september 2013 samen met haar vader een en/of-rekening heeft geopend. Zowel verdachte als haar vader konden beschikken over de gelden op deze lopende rekening. Op het moment dat haar vader overleed, op 10 september 2012, was verdachte erfgenaam van haar vader en bestond er verder nog ten minste één andere erfgenaam, te weten de broer van verdachte (zijnde aangever). De rechtbank is van oordeel dat verdachte het van de spaarrekeningen van haar vader afkomstige geldbedrag ad 72.435,00 euro dat zij na het overlijden van haar vader contant heeft opgenomen, derhalve onder zich had in haar hoedanigheid van erfgenaam. Op het moment echter waarop verdachte besloot om het contante geldbedrag in de kist van haar vader te stoppen en daaraan ook uitvoering heeft gegeven, heeft verdachte zich het door haar beheerde geldbedrag toegeëigend, aangezien verdachte daarmee een beschikkings-handeling heeft verricht waaruit haar opzet blijkt om zich deze gelden toe te eigenen.

Op grond van het vorenstaande komt de rechtbank tot de conclusie dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte het geldbedrag dat zij in de hoedanigheid van erfgenaam onder zich had en waarop ook anderen dan verdachte aanspraak konden maken heeft verduisterd door als heer en meester over dat geldbedrag te beschikken.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

t.a.v. subsidiair:

in de periode van 10 september 2012 tot en met 15 september 2012 in Nederland, opzettelijk een hoeveelheid geld (72.435,- euro), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als erfgenaam, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen acht, gevorderd dat aan verdachte een taakstraf van 60 uur, subsidiair 30 dagen hechtenis zal worden opgelegd. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

Voor zover de rechtbank komt tot een bewezenverklaring, heeft de raadsman verzocht om bij de strafoplegging rekening te houden met de sterke civielrechtelijke component van de onderhavige zaak, het lange tijdsverloop en de behoorlijke nasleep die de zaak inmiddels voor verdachte heeft gehad. Tevens heeft de raadsman gewezen op de toepasselijkheid van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht. De raadsman heeft verzocht om de aan verdachte op te leggen straf te beperken tot een geheel voorwaardelijke straf.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van een groot geldbedrag. Verdachte heeft dit kunnen doen door misbruik te maken van de vertrouwenspositie waarin haar vader haar had geplaatst en waardoor de belangen van - onder meer - haar broer aanzienlijk zijn geschaad. Bij vermogensdelicten van een dergelijke aard en omvang worden in de regel gevangenisstraffen of zware taakstraffen opgelegd.

De rechtbank constateert dat er sinds het tijdstip waarop het door haar gepleegde strafbare feit heeft plaatsgehad geruime tijd is verstreken, maar zal hieraan geen strafmatigende gevolgen verbinden.

Uitgaande van de door de officier van justitie gevorderde straf en alle feiten en omstandigheden afwegende, acht de rechtbank de gevorderde straf passend. Weliswaar is bij de strafeis uitgegaan van een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde, maar de strafwaardigheid van het bewezenverklaarde doet onder de gegeven omstandigheden niet onder voor hetgeen verdachte primair ten laste is gelegd. De rechtbank zal verdachte aldus veroordelen tot een taakstraf van 60 uur, te vervangen door 30 dagen hechtenis.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet-ontvankelijk verklaard dient te worden, nu er in de civiele procedure reeds vonnis is gewezen waarbij tevens is voorzien in een pressiemiddel.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft verzocht om de vordering, indien de rechtbank tot een veroordeling zou komen, gedeeltelijk niet-ontvankelijk te verklaren. Het gedeelte van de vordering dat is gebaseerd op artikel 3:194 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek dient niet door de strafrechter, maar door de civiele rechter te worden beoordeeld aangezien dit het strafgeding - gelet op de juridische complexiteit - onevenredig zou belasten, aldus de raadsman. Tevens heeft de raadsman met klem verzocht om geen schademaatregel op te leggen, nu dat er in de praktijk op zal neerkomen dat de vervangende hechtenis zal worden toegepast omdat verdachte niet beschikt over voldoende financiële middelen.

Beoordeling. De rechtbank stelt allereerst vast dat er weliswaar een titel ligt, te weten het vonnis in kort geding d.d. 20 november 2012 (met zaaknummer / rolnummer: 254299 / KG ZA 12-735), echter het rechtskarakter van deze titel - een voorlopige voorziening die ingevolge artikel 257 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering geen nadeel doet aan de zaak ten principale - staat er niet aan in de weg dat de onderhavige vordering wordt beoordeeld in het kader van de strafprocedure. De rechtbank verstaat dat haar beslissing in de onderhavige strafzaak het karakter heeft van een beslissing in de bodemzaak.

De rechtbank is van oordeel dat het gedeelte van de vordering dat ziet op het recht van verdachte op de nalatenschap, welk recht zij op grond van artikel 3:194 lid 2 BW aan benadeelde zou hebben verbeurd, niet kan worden aangemerkt als schade die in rechtstreeks verband staat met het bewezenverklaarde feit. Dit gedeelte van de vordering komt derhalve niet voor toewijzing in aanmerking. Mogelijk heeft de benadeelde partij uit hoofde van artikel 3:194 BW wel een vordering op verdachte, maar dat is geen vordering die strekt tot vergoeding van schade. Dit laat onverlet dat de benadeelde partij dit deel van zijn vordering nog aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.

De rechtbank acht wel toewijsbaar - als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit toegebrachte schade welke voldoende is onderbouwd - de helft van het door de notaris berekende saldo van de nalatenschap, minus het bedrag dat benadeelde reeds heeft ontvangen. Concreet komt dit neer op een bedrag van (€ 37.674,06 - € 2.913,13 =)

€ 34.760,93. Voormeld bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot de dag der algehele voldoening, dit gelet op de datering van de notariële akte van boedelbeschrijving zoals opgenomen als bijlage bij de vordering benadeelde partij.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot de dag der algehele voldoening. De rechtbank ziet in de blote bewering van de verdediging, inhoudende dat verdachte geen inkomen of vermogen heeft dat haar in staat stelt om een eventuele betalingsverplichting na te komen, geen aanleiding om van het opleggen van deze maatregel af te zien.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 24c, 36f, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf: :

t.a.v. subsidiair:

verduistering

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf(fen) en/of maatregel(en).

t.a.v. subsidiair:

een taakstraf voor de duur van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis.

maatregel van schadevergoeding van € 34.760,93 subsidiair 208 dagen hechtenis.

Legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 34.760,93 (zegge: vierendertigduizendzevenhonderdzestig euro en drieënnegentig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 208 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit materiële schadevergoeding.

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Wijst de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 34.760,93 (zegge: vierendertigduizendzevenhonderdzestig euro en drieënnegentig eurocent), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 september 2013 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. R.J. Bokhorst, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. Y.N.M. Rijlaarsdam , leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 19 januari 2017.

1 Tenzij anders vermeld, wordt bij de aanduiding van de bewijsmiddelen verwezen naar de paginanummers uit het dossier van de politie Brabant-Noord, district Meierij, met proces-verbaalnummer PL21XO 2012126618, afgesloten op 24 januari 2013. Dit dossier bestaat uit 17 doorgenummerde pagina’s.

2 het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 3 december 2012, pagina’s 4 en 5.