Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1930

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
31-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
Zaaknummer C/01/315834 / FA RK 16-6485
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

rechtbank gelast de doorhaling van de aantekening gezamenlijk gezag in het gezagsregister. Geen sprake van verzoek van beide ouders. Vader heeft digitaal gezamenlijk gezag aangevraagd met gebruikmaking van de digid-code van moeder zonder haar toestemming. Vader heeft geen verweer gevoerd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer : C/01/315834 / FA RK 16-6485

Uitspraak : 31 maart 2017

Beschikking betreffende gezag in de zaak van

[verzoekster]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. N.M.J. Schepens,

tegen

[verweerder]

wonende te [woonplaats] ,

partijen, ook wel aan te duiden als respectievelijk de moeder en de vader.

De procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van:

- het verzoekschrift van de moeder, met bijlagen, ontvangen ter griffie op 16 december 2016;

- de correspondentie, waaronder met name:

- een brief van de raad voor de kinderbescherming, gedateerd 11 januari 2017.

De zaak is behandeld ter zitting van 2 februari 2017. Verschenen is de moeder, bijgestaan door mr. Schepens. Hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen is de vader niet ter zitting verschenen.

De feiten

Uit de relatie van partijen is het navolgende thans nog minderjarige kind geboren:

- [minderjarige] [achternaam minderjarige] , geboren te [woonplaats] op [verweerder]

De vader heeft de minderjarige voor de geboorte erkend. Op [december 2015] is in het gezagsregister aangetekend dat de ouders gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige zijn belast.

De ouders wonen met [minderjarige] op hetzelfde adres.

Bij brief van 20 maart 2016 heeft moeder aan het kantongerecht verzocht om het gezamenlijk gezag nietig te verklaren, kort gezegd omdat dat zonder haar medeweten en toestemming tot stand is gekomen. De brief bevat een toelichting met de reden van het verzoek en onderaan de brief staat behalve de naam van de moeder ook: “Akkoord met nietig verklaren gezamenlijk gezag”, met vermelding van de naam van de vader en een handtekening.

Het verzoek en het verweer

De moeder verzoekt thans, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de doorhaling in het gezagsregister te gelasten van de daarin op [december 2015] geplaatste aantekening met betrekking tot voornoemde minderjarige [minderjarige] .

De moeder legt aan haar verzoek - onder meer en samengevat - ten grondslag dat het verzoek tot gezamenlijk gezag door de vader alleen is gedaan zonder medeweten van moeder in december 2015, waarschijnlijk met behulp van de DigiD-code van moeder die bij hem bekend was. Moeder stelt zich op het standpunt dat de aantekening in het gezagsregister ongedaan dient te worden gemaakt nu door het ontbreken van haar toestemming geen sprake was van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 1:252 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daardoor kleeft er een gebrek aan de aantekening in het gezagsregister en is deze ten onrechte in dat register opgenomen.

Moeder verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin de rechter in vergelijkbare zaken heeft overwogen dat uit het systeem van de wet volgt dat een dergelijke aantekening niet kan worden vernietigd, maar wel kan worden doorgehaald. Verwezen wordt naar artikel 1:253p lid 3 BW.

Moeder heeft ter zitting haar verzoek nader toegelicht. Vader heeft zijn zoon vóór de geboorte erkend. Partijen zouden samen beslissen of zij gezamenlijk het ouderlijk gezag over [minderjarige] zouden gaan uitoefenen. Vervolgens wilde moeder echter geen gezamenlijk gezag omdat vader had gedreigd dat hij [minderjarige] mee zou nemen waarheen, wanneer en zo lang als vader wilde. Op dat moment heeft moeder besloten dat zij niet samen met vader het gezag wilde uitoefenen, maar dat [minderjarige] wel de achternaam van vader zou dragen.

Moeder geeft aan dat zij in de rugzak van vader een papiertje heeft gevonden waarop haar DigiD-code stond vermeld. In maart 2016 ging moeder naar het gemeentehuis voor het regelen van de kinderbijslag. Toen vernam zij dat daarvoor ook de toestemming van vader nodig was, omdat vader volgens het gezagsregister mede gezag heeft. Moeder heeft bij de politie aangifte gedaan van valsheid in geschrifte gepleegd door vader.

Moeder verklaart desgevraagd dat zij geen schriftelijke bevestiging heeft ontvangen dat de aantekening in het gezagsregister heeft plaatsgevonden, zodat zij die wijziging pas in maart 2016 ontdekte. Vervolgens heeft moeder op advies van haar advocaat eerst zelf een brief gezonden naar het kantongerecht. Vader heeft deze brief mede ondertekend.

De vader heeft geen schriftelijk verweer gevoerd en is niet verschenen ter zitting.

De beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt.

Op grond van artikel 1:252 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) oefenen de ouders die niet met elkaar zijn gehuwd of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan, het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk uit, indien dit op hun beider verzoek in het register, bedoeld in artikel 1:244 BW, is aangetekend.

Een aantekening in het gezagsregister zoals in voormelde bepaling is bedoeld, kan worden doorgehaald indien komt vast te staan dat deze zonder toestemming van de moeder tot stand is gekomen.

De moeder beroept zich erop dat zij niet wist van het voornemen van vader om via digitale weg het gezamenlijk gezag over [minderjarige] te regelen met gebruikmaking van haar DigiD-code, waarover hij beschikte. Moeder stelt dat zij ook nooit zou hebben ingestemd met gezamenlijk gezag omdat voordien al meermalen onenigheid tussen partijen had plaatsgevonden naar aanleiding van vaders mededeling dat hij het kind naar eigen inzicht zou kunnen meenemen.

De rechtbank acht de lezing van de moeder, dat zij niet heeft ingestemd met gezamenlijk gezag, aannemelijk. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

De rechtbank gaat er van uit dat voormelde brief van 20 maart 2016 met het - eenduidig geformuleerde - verzoek tot nietigverklaring van het gezamenlijk gezag, mede is ondertekend door de vader. Onder dat verzoek is immers een akkoord verklaring met zijn naam opgenomen en de handtekening die daarbij staat, vertoont voldoende sterke overeenkomsten met de handtekening op het paspoort van de vader, waarvan een kopie is overgelegd bij het verzoekschrift.

Nu vader voorts niet ter zitting is verschenen en evenmin op andere wijze verweer heeft gevoerd, leidt de rechtbank uit voormelde omstandigheden af dat een en ander is gegaan zoals moeder stelt, te weten dat de vermelding van het gezamenlijk gezag tot stand is gekomen zonder toestemming van moeder, zodat geen sprake is van een gezamenlijk verzoek als bedoeld in artikel 1:252, lid 1, BW.

Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de aantekening in het gezagsregister van [december 2015] , dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de minderjarige [minderjarige] zijn belast, gelet op het bepaalde in artikel 1:253p, lid 3 BW en artikel 1:252, lid 1 BW dient te worden doorgehaald.

De moeder zal alsdan van rechtswege alleen met het ouderlijk gezag over [minderjarige] zijn belast.

De beslissing

De rechtbank:

gelast de griffier de aantekening in het gezagsregister van [december 2015] met betrekking tot de minderjarige:

- [minderjarige] [achternaam minderjarige] geboren te [woonplaats] op [verweerder] ,

door te halen;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Lammers, rechter, tevens kinderrechter,

en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 31 maart 2017.

conc: LM(O

Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenbosch
a. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak
b. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op
andere wijze bekend is geworden.