Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1876

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
Zaaknummer: C/01/317666 / JE RK 17-161
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Een al jaren voortdurende ernstige ex-partnerstrijd tussen ouders, waardoor de 8 jarige minderjarige zeer ernstig klem zit in die strijd. De mogelijkheden in het kader van de ondertoezichtstelling zijn thans uitputtend ingezet. Er is geen vooruitzicht op vermindering van de strijd. De minderjarige dient op korte termijn uit de voor haar zeer belastende en voor haar ontwikkeling zeer schadelijke strijd en de negatieve patronen die tussen ouders bestaan te worden weggehaald. Daarnaast is het doel voor de uithuisplaatsing dat de minderjarige vanuit een neutrale en rustige omgeving en zonder beïnvloeding van de andere ouder tot onbelaste contacten met beide ouders kan komen. In de neutrale omgeving kan het gedrag van de minderjarige professioneel worden geobserveerd en kan hulpverlening aan de minderjarige op gang worden gebracht. Door een uithuisplaatsing kunnen de zeer negatieve patronen tussen ouders worden doorbroken en worden ouders gedwongen nu echt te gaan werken aan veranderingen in hun onderlinge verhouding en communicatie. Het zelfstandig verzoek van vader om de minderjarige bij hem te plaatsen is afgewezen. De zelfstandige verzoeken van moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv en het verzoek om een bijzondere curator te benoemen zijn afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 265b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2017-0106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/01/317666 / JE RK 17-161

datum uitspraak: 2 maart 2017

beschikking uithuisplaatsing

in de zaak van

STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT,

voorheen Stichting Bureau Jeugdzorg Noord-Brabant,

statutair gevestigd te Eindhoven, vestiging Helmond,

hierna te noemen de Gecertificeerde Instelling (GI),

betreffende

[minderjarige] geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[vader]

hierna te noemen de vader,

wonende op een voor de rechtbank bekend adres,

[moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 7 februari 2017, ingekomen bij de griffie op 8 februari 2017;

- het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken met bijlagen van de moeder, ingekomen ter griffie op 20 februari 2017;

- een brief van de GI van 20 februari 2017, ingekomen ter griffie op 22 februari 2017;

- een verweerschrift tevens houdende zelfstandig verzoek van de vader, ter griffie ingekomen op 22 februari 2017.

Op 23 februari 2017 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Gehoord zijn :

- de moeder, bijgestaan door mr. L.Stam,

- de vader, bijgestaan door mr. T.J.Kreeftenberg,
- twee vertegenwoordigers van de GI.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

De ouders zijn in augustus 2011 gescheiden, na een relatie van ruim vier jaar.

[minderjarige] woont bij de moeder, samen met haar partner en diens zoon.

Zij heeft een contractregeling met haar vader van eens in de twee weken een lang weekend van vrijdag na school tot en met dinsdagmorgen voor school. De andere week heeft [minderjarige]

contact met vader van maandagmiddag na school tot dinsdagmorgen voor school, vanwege het zwemmen op maandagmiddag.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 29 december 2014 is [minderjarige]

onder toezicht gesteld van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk bij beschikking van 21 december 2016 verlengd met ingang van 29 december 2016 tot 29 december 2017.

Bij beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 10 juni 2016 is het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen.

Het verzoek

De GI heeft verzocht een machtiging te verlenen om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een pleeggezin tot en met 30 augustus 2017, uitvoerbaar bij voorraad.

De GI voert hiertoe het volgende aan.

[minderjarige] wordt in de huidige opvoedingssituatie ernstig in haar ontwikkeling bedreigd, haar veiligheid is in het geding en beide ouders zijn al gedurende lange tijd niet in staat om de bedreiging af te wenden. De opvoedingsomgeving komt onvoldoende tegemoet aan de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige] . Zij wordt bedreigd op het gebied van vorming van hechtingsrelaties, autonomieontwikkeling en het reguleren van emoties.

Er is sprake van een langdurige en ernstige ex-partnerstrijd tussen ouders onderling. Ouders hebben bijna op elk moment dat ze contact met elkaar hebben strijd en beschuldigen elkaar van slecht ouderschap. Er is veel wantrouwen naar elkaar en ouders kunnen hun onderlinge strijd niet loslaten in het belang van [minderjarige] .

[minderjarige] laat met haar gedrag zien dat ze last heeft van de strijd tussen haar ouders, op de plaatsen waar haar ouders zijn. Ze bevindt zich in een loyaliteitsconflict omdat ze aan beide ouders loyaal wil blijven maar hier geen ruimte voor is. De jarenlange strijd tussen ouders heeft een negatief effect op de ontwikkeling van [minderjarige] en tast de kwaliteit van de opvoeding aan. [minderjarige] groeit op in een opvoedingsomgeving waarin er weinig oog is voor haar individuele ontwikkeling en wat zij nodig heeft. De hulpverlening aan ouders kan niet op gang komen. Hulpverlening aan [minderjarige] door bijvoorbeeld speltherapie kan niet op gang komen omdat [minderjarige] in een systeem klem zit waarin geen verandering kan plaatsvinden.

Nadat het eerdere verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing door de kinderrechter is afgewezen, heeft de GI gezocht naar mogelijkheden vanuit de opvoedsituatie bij ouders om tot verandering te komen, met name door het creëren van veilige plaatsen voor [minderjarige] en het starten van speltherapie. Dit is niet en onvoldoende gelukt.

De laatste maanden blijkt temeer dat ouders ondanks adviezen het niet lukt om naar [minderjarige] te luisteren, te erkennen en de verantwoordelijkheid te nemen als opvoeder in de ontstane situatie.

Mogelijkheden tot plaatsing in het netwerk zijn er niet omdat beide ouders de andere ouder en het netwerk van de ander afwijzen. De GI is van mening dat er onvoldoende vooruitgang is voor [minderjarige] en dat zij geplaatst moet worden op een neutrale plek om de bestaande, zeer negatieve patronen tussen ouders, te doorbreken. [minderjarige] kan daarmee loskomen van haar ouders, tot rust komen en uit de systeemdynamiek worden gehaald die haar persoonsontwikkeling ernstig bedreigt. Zo ontstaat er ruimte voor [minderjarige] om haar relatie met beide ouders vanuit een rustige woonomgeving en een emotioneel neutraal opvoedklimaat, zonder beïnvloeding van ouders, te herzien. Ouders worden gedwongen hun eigen aandeel in de ontstane situatie te heroverwegen en te bezien welke veranderingen zij, in het belang van [minderjarige] , willen en kunnen aanbrengen. Tevens kan in een neutrale setting het gedrag van [minderjarige] professioneel geobserveerd worden, hulp aan [minderjarige] in gang worden gezet en begeleide omgang tussen [minderjarige] en beide ouders worden vorm gegeven.

De ernstig bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] maakt dat zij niet meer kan wachten op het proces dat ouders nog moeten lopen. De duur van de strijd tussen ouders heeft de voor [minderjarige] aanvaardbare termijn al lang overschreden. Daarbij heeft de GI ernstige twijfels over de veranderbaarheid van ouders en verandering van hun omgangsdynamiek.

Brief van de GI van 20 februari 2017

In november 2016 is met beide ouders besproken wat de voorwaarden zijn om een uithuisplaatsing te voorkomen. De GI maakt zich ernstige zorgen, zeker gezien de ontwikkelingen in de afgelopen maanden. In gesprekken van de gezinsvoogd met [minderjarige] is nog meer duidelijk geworden hoeveel last [minderjarige] ervaart van de hardnekkige en intense strijd tussen ouders, hoe merkbaar die is in de opvoedingssituatie van vader en moeder en hoe ouders niet in staat zijn dit te veranderen. [minderjarige] wordt ernstig belast met volwassenzaken en de strijd tussen de ouders. De huidige situatie is zeer schadelijk voor [minderjarige] . Zeer zorgelijk is dat ouders zich onvoldoende bewust zijn/luisteren naar de zorgelijke signalen die hun dochter afgeeft. De hulpverlening aan de ouders en aan [minderjarige] komt niet op gang en de GI is van mening dat er onvoldoende vooruitgang is voor [minderjarige] en dat zij geplaatst moet worden op een neutrale plek om de bestaande, zeer negatieve patronen tussen ouders te doorbreken.

Het verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van moeder

Na de beschikking van de rechtbank van 10 juni 2016 waarbij het verzoek uithuisplaatsing van de GI werd afgewezen, hebben alle hulpverlening en de gezinsvoogd zich teruggetrokken. De speltherapie van [minderjarige] is gestopt. Het traject Kinderen uit de Knel (KUK) is na drie gesprekken beëindigd, hetgeen volledig te wijten is aan het gedrag van vader. KUK was het laatste redmiddel om ouders bewust te maken van hun slechte communicatie.

In december 2016 heeft de gezinsvoogd de ouders de opdracht gegeven dat zij hun communicatie moeten verbeteren en het is deze onmogelijke opdracht die nu de opmaat is voor een nieuw verzoek uithuisplaatsing. Uithuisplaatsing van een kind is een zeer ingrijpende beslissing en eerst moet alles in het werk worden gesteld om dat te voorkomen. Dat is in deze zaak nog niet dan wel onvoldoende gebeurd. Zo is met de uitkomsten van de persoonlijkheidsonderzoeken nog steeds niets gedaan.

De kans dat [minderjarige] na een half jaar niet terugkeert bij een of beide ouders is heel groot als voor een terugkeer naar huis van ouders wordt verwacht dat zij zorgen dat hun communicatie in het belang van [minderjarige] verbetert. Dit gaat ouders niet lukken.

Het verzoek van de GI tot uithuisplaatsing moet worden afgewezen.

Voorts verzoekt moeder primair op grond van artikel 810a Rv een deskundigenonderzoek te gelasten waar onderzocht wordt of [minderjarige] wel zo ernstig in haar ontwikkeling is gestoord dat dat een uithuisplaatsing rechtvaardigt en in hoeverre [minderjarige] een dergelijke uithuisplaatsing aan kan.

Subsidiair verzoekt moeder een bijzondere curator te benomen die opkomt voor de belangen van [minderjarige] en die de rechtbank adviseert over een eventuele uithuisplaatsing.

Het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van vader

Vader verzoekt het verzoek tot uithuisplaatsing van de GI af te wijzen en [minderjarige] uit huis te plaatsen bij vader.

Het doel van het verzoek van de GI is om de zeer negatieve patronen tussen de ouders te doorbreken. Het lijkt er op dat [minderjarige] opgeofferd wordt om ouders tot inkeer te laten komen terwijl nergens uit blijkt dat dat doel gehaald zal worden.

Wel van belang is te kijken welke plaatsing in het belang van [minderjarige] is. Vader heeft altijd een grote rol gehad in de verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Met een plaatsing bij vader zal zij in elk geval ook haar vertrouwde leefomgeving houden. Bij vader bestaat draagvlak voor de zorg rondom [minderjarige] ontwikkeling. Vader is zorgzaam naar [minderjarige] en er zijn geen zorgen te noemen betreffende opvoedingsvaardigheden van vader. Hij beschikt over een opvoedstijl die leeftijdsadequaat gedrag faciliteert en bevordert. Vader zoekt de samenwerking met de gezinsvoogd en hij staat open voor hulpverlening. Hij heeft alle aanwijzingen van de GI opgevolgd.

Er bestaat voldoende grond voor de machtiging tot uithuisplaatsing bij vader voordat een uithuisplaatsing bij een derde aan de orde is.

De standpunten ter zitting

De GI heeft aangegeven dat er een zeer lange geschiedenis van strijd bestaat tussen de ouders en het lukt hen niet om uit die strijd te komen. [minderjarige] heeft daar overduidelijk erg veel last van en ouders hebben daar onvoldoende oog voor. Er moet op zeer korte termijn rust en stabiliteit voor [minderjarige] komen zodat ze kan herstellen en ze moet van uit een neutrale positie contact met beide ouders aan kunnen gaan. Dat biedt de meeste waarborgen dat zij weer kind mag zijn en dat ze zich weer leeftijdsadequaat kan ontwikkelen. Er moet snel verandering komen in de houding en de opstelling van de ouders. Zij moeten [minderjarige] centraal stellen, echt horen wat zij zegt en van uit die situatie de verbinding met haar aan gaan. Ouders zullen verder met hulpverlening een manier moeten vinden om tot enige vorm van communicatie met elkaar te komen. Zij moeten stoppen met elkaar verwijten maken.

De GI probeert een pleeggezin te vinden van waar uit [minderjarige] naar haar huidige school kan blijven gaan.

Namens de vader wordt gesteld dat een belangrijk aspect is dat het zorgelijke gedrag van [minderjarige] op meerdere leefgebieden, dat de vader van meet af aan heeft benoemd, door de moeder niet wordt herkend. Het doel van de uithuisplaatsing, te weten het doorbreken van een patroon, kan ook door [minderjarige] bij vader te plaatsen. Vader heeft steeds naar het belang van [minderjarige] gekeken en hij heeft steeds samengewerkt met de GI en hun aanbevelingen opgevolgd. Uithuisplaatsing bij vader is minder ingrijpend voor [minderjarige] dan plaatsing in een neutraal pleeggezin. Mocht [minderjarige] niet bij vader geplaatst worden dan staat vader wel achter een uithuisplaatsing van [minderjarige] .

Vader verzet zich tegen de zelfstandige verzoeken van moeder. Een deskundigenonderzoek is opnieuw belastend voor [minderjarige] en iedereen is het er wel over eens dat het niet goed gaat met haar. Met de benoeming van een bijzondere curator wordt het probleem bij [minderjarige] gelegd terwijl het probleem bij de ouders ligt.

Namens de moeder wordt gesteld dat wat de vader en de GI niet doen en wat moeder wel probeert te doen, is echt luisteren naar [minderjarige] . Vader is van meet af aan bezig om te proberen [minderjarige] bij moeder weg te halen. Hij stelt moeder in een negatief daglicht en hij heeft niet de wil om de communicatie met moeder aan te gaan. De GI stelt als voorwaarde voor de terugplaatsing van [minderjarige] dat ouders een communicatieplan gaan maken. Dat gaat niet lukken en dat betekent dat [minderjarige] niet terug zal komen naar moeder.

Kinderen die ouder dan zes jaar zijn en uit huis geplaatst worden houden daar blijvend last van. Zeker als [minderjarige] op een plaats komt waardoor ze niet naar dezelfde school kan blijven gaan en ze uit haar sociale omgeving wordt gehaald, is een uithuisplaatsing traumatisch voor haar. Door middel van een deskundigenonderzoek door Keinder dient eerst uitgezocht te worden wat de behoefte van [minderjarige] echt is en of zij een uithuisplaatsing aan kan.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat er gedurende ruim vijf jaar sprake is van een ernstige ex-partnerstrijd tussen ouders. Vanaf 2011 tot en met 2014 is er op vrijwillige basis diverse hulpverlening ingezet en vanaf 2015 in het kader van de ondertoezichtstelling.

Desondanks zit [minderjarige] blijkens de beschikking van deze rechtbank van 21 december 2016 nog steeds zeer ernstig klem in de strijd tussen haar ouders. Zij wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd op het gebied van vorming van hechtingsrelaties, het ontwikkelen van een eigen identiteit en het kunnen herkennen en reguleren van emoties.

[minderjarige] laat zowel in gesprekken met de GI als in haar gedrag zien dat zij in aanzienlijke mate last heeft van de strijd tussen haar ouders en van het feit dat zij door hen wordt belast met volwassenzaken.

Bij beschikking van deze rechtbank van 10 juni 2016 is het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging uithuisplaatsing van [minderjarige] afgewezen omdat de mogelijkheden in het kader van de ondertoezichtstelling nog niet uitputtend zijn ingezet en niet is komen vast te staan dat de zorgen met betrekking tot [minderjarige] dusdanig groot zijn, en moeder dusdanig onwelwillend is, dat het uiterste middel van een uithuisplaatsing op dit moment gerechtvaardigd is.

In de ongeveer zeven maanden na die beschikking is het traject Kinderen uit de Knel voortijdig beëindigd.

Vader heeft een persoonlijkheidsonderzoek laten afnemen maar dat onderzoek mag door de GI niet gebruikt worden.

Het verzoek tot speltherapie voor [minderjarige] is op 13 december 2016 afgewezen mede vanwege het in stand houden van een ziek systeem, waarbij het aan ouders is om hierin te veranderen en verantwoordelijkheid te voelen, te nemen en [minderjarige] daarmee te erkennen.

En voorts heeft de GI recentelijk diverse gesprekken met [minderjarige] gevoerd waaruit volgens de GI nog meer duidelijk is geworden hoeveel last [minderjarige] heeft van de zeer hardnekkige en intense strijd tussen ouders. Dit levert spanningen bij [minderjarige] op die zich onder andere uiten in heftige reacties op wisselingen tussen de ouders en op het afscheid nemen van de ouders op school.

De kinderrechter is van oordeel dat [minderjarige] niet langer blootgesteld mag worden aan deze voor haar zeer belastende en voor haar ontwikkeling zeer schadelijke strijd en negatieve patronen tussen haar ouders. De mogelijkheden in het kader van de ondertoezichtstelling zijn thans uitputtend ingezet. Nu ook het traject Kinderen uit de Knel niet van de grond is gekomen, is er geen vooruitzicht op vermindering van die strijd tussen de ouders en op verbetering van hun communicatie, hetgeen ouders en de GI ter zitting ook hebben aangegeven. Ook kan daardoor geen speltherapie voor [minderjarige] ingezet worden.

Uithuisplaatsing voor een achtjarig meisje is een zeer ingrijpende beslissing maar om de verdere beschadiging van [minderjarige] te stoppen dient zij op korte termijn uit de strijd en de negatieve patronen die tussen haar ouders bestaan, te worden gehaald.

De kinderrechter ziet daarnaast als doelen voor die uithuisplaatsing dat [minderjarige] vanuit een neutrale en rustige omgeving en zonder beïnvloeding van de andere ouder, tot onbelaste contacten met beide ouders kan komen.

Ook kan in die neutrale omgeving het gedrag van [minderjarige] professioneel worden geobserveerd en kan hulpverlening aan haar op gang worden gebracht.

Ten slotte kunnen door een uithuisplaatsing de strijd en de zeer negatieve patronen tussen de ouders worden doorbroken en worden ouders gedwongen nu echt te gaan werken aan veranderingen in hun onderlinge verhouding en communicatie. Alle partijen zijn het erover eens dat de kans zeer klein is dat het ouders nog zal lukken tot een goede verhouding en communicatie te komen, maar ouders dienen wel tot een zodanige communicatie te komen dat eventuele spanningen tussen ouders weggehouden worden bij [minderjarige] en dat zij niet betrokken wordt bij en belast wordt met volwassenzaken.

De kinderrechter acht het zeer in het belang van [minderjarige] dat zij wordt geplaatst in een pleeggezin van waar uit zij haar huidige school kan blijven bezoeken en deel kan blijven uitmaken van haar sociale omgeving. Dit om de veranderingen voor haar zo beperkt mogelijk te houden. Voorts dient de uithuisplaatsing zo kort mogelijk te zijn en dient actief te worden gewerkt aan de genoemde doelen.

Het bovenstaande leidt er toe dat de kinderrechter het zelfstandige verzoek van vader om [minderjarige] bij hem te plaatsen zal afwijzen omdat, zoals hiervoor is aangegeven, het van groot belang is dat [minderjarige] uit de strijd wordt gehaald en in een neutrale omgeving wordt geplaatst van waar uit zij met beide ouders een onbelast contact kan hebben.

Ook zal de kinderrechter het zelfstandige verzoek van de moeder om een deskundigenonderzoek te gelasten op grond van artikel 810a Rv afwijzen omdat het belang van [minderjarige] zich daartegen verzet. Zij moet op korte termijn uit de strijd tussen de ouders worden gehaald en zij moet niet nog maandenlang in afwachting van een onderzoeksrapport blijven verkeren in die voor haar beschadigende situatie.

Tot slot zal de kinderrechter ook het zelfstandige verzoek van de moeder tot het benoemen van een bijzondere curator afwijzen omdat de kinderrechter die benoeming niet noodzakelijk acht in het belang van de minderjarige. Naast het feit dat de kinderrechter een uithuisplaatsing van [minderjarige] op korte termijn noodzakelijk acht, is de kinderrechter van oordeel dat het in deze niet een beslissing betreft over een strijd tussen de belangen van de ouders en die van [minderjarige] maar een beslissing over wat in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] noodzakelijk is.

Uit voorgaande volgt dat de uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is in het belang van haar verzorging en opvoeding (artikel 1:265b, eerste lid, Burgerlijk Wetboek) tot uiterlijk 31 augustus 2017.

De beslissing

De kinderrechter:

verleent machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 2 maart 2017 tot uiterlijk 31 augustus 2017;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.M.P. Willemse-Schwering, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2017.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
's-Hertogenbosch