Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1837

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
10-04-2017
Zaaknummer
16_2889
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herbeoordeling in kader van WIA. Volgens verweerder sprake van een tijdelijke situatie van ‘geen benutbare mogelijkheden (GBM)’, maar (nog) niet duurzaam, omdat de ex-werkneemster herstellende was van de ene ziekenhuisopname en in diezelfde week een nieuwe ingreep werd verwacht, waardoor zij gedurende enkele weken nauwelijks belastbaar zou zijn. Daarna mogelijk nog een behandeloptie, waarmee de pijn kan verminderen. Verweerder acht een herbeoordeling pas zinvol over zes maanden, om dan de totale belastbaarheid in kaart te brengen en te bezien of de ex-werkneemster nog arbeidsmogelijkheden heeft. De werkgever is het daarmee niet eens. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van onzorgvuldig onderzoek: ten onrechte geen informatie opgevraagd bij behandelend sector en daardoor geen inzicht in de gevolgen voor de (stabiele) beperkingen van de ex-werkneemster. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de volledige arbeidsongeschiktheid als niet duurzaam is aan te merken. Standpunt verweerder, dat ingeval van wisselende beperkingen nooit een FML kan worden opgesteld en daarom geen uitspraak over de eventuele duurzaamheid ervan kan worden gedaan, vindt - zonder nadere nuancering - geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2889

uitspraak van de meervoudige kamer van 30 maart 2017 in de zaak tussen

Stichting Vitalis WoonZorg Groep, te Eindhoven, eiseres

(gemachtigde: mr. M.A.J. Schrover),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: G.M.M. Diebels).

Procesverloop

Bij besluit van 29 maart 2016 heeft verweerder eiseres in kennis gesteld van het besluit van gelijke datum, waarbij aan [ex-werkneemster] (hierna: de ex-werkneemster) is medegedeeld dat haar mate van arbeidsongeschiktheid niet is gewijzigd (zij blijft ingedeeld in de klasse 80 tot 100%).

Bij besluit van 23 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De nadere gronden zijn van

20 februari 2017.

Verweerder heeft een (aanvullend) verweerschrift en een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep (B&B) op de nadere gronden van beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

  1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De ex-werkneemster was sinds 1 juli 2000 werkzaam bij eiseres als verzorgende voor ongeveer 24 uur per week. Eiseres is eigenrisicodrager voor de Wet WIA. Op 16 mei 2010 heeft de ex-werkneemster zich ziek gemeld vanwege rugklachten. Met ingang van 13 mei 2012 is zij in aanmerking gebracht voor een WIA-uitkering (een loongerelateerde WGA-uitkering), gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%, die met ingang van 13 juli 2015 is omgezet naar een loonaanvullende WGA-uitkering. Eiseres heeft op 19 februari 2016 om een herbeoordeling verzocht. Naar aanleiding van een medisch onderzoek heeft verweerders verzekeringsarts geconcludeerd dat de ex-werkneemster op dat moment geen benutbare mogelijkheden (hierna: GBM) heeft. Vervolgens heeft de besluitvorming plaatsgevonden zoals in het procesverloop vermeld.

  2. Bij het bestreden besluit stelt verweerder zich, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts B&B van 15 augustus 2015, op het standpunt dat de ex-werkneemster weliswaar volledig arbeidsongeschikt is omdat zij (tijdelijk) geen benutbare mogelijkheden heeft, maar dat (nog) geen sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Volgens de primaire verzekeringsarts was er ten tijde van het primaire onderzoek op 21 maart 2016 sprake van een situatie van GBM, omdat de ex-werkneemster herstellende was van een ziekenhuisopname in verband met een ernstige aandoening en in diezelfde week een nieuwe ingreep werd verwacht. Door die aanstaande ingreep zal de ex-werkneemster gedurende enkele weken nauwelijks belastbaar zijn, maar daarna is er mogelijk nog een behandeloptie, waarmee de pijn kan verminderen. De verzekeringsarts achtte een herbeoordeling over zes maanden zinvol, om dan de totale belastbaarheid in kaart te brengen en om dan te bezien of de ex-werkneemster nog arbeidsmogelijkheden heeft. De verzekeringsarts B&B was het daarmee eens, terwijl deze bovendien van mening was dat vanwege sterk wisselende mogelijkheden rond maart 2016 nog geen uitspraak kon worden gedaan over de concrete beperkingen, laat staan de duurzaamheid daarvan.

3. Eiseres is van mening dat bij de ex-werkneemster sprake is van zowel volledige als duurzame arbeidsongeschiktheid, zodat zij in aanmerking komt voor een IVA-uitkering. Daartoe heeft zij aangevoerd het eens te zijn met verweerders conclusie dat sprake is van volledige arbeidsongeschiktheid, maar niet met de conclusie dat nog geen sprake zou zijn van duurzame beperkingen. Omdat sprake is van meerdere lichamelijke beperkingen en de situatie van GBM slechts ziet op een deel daarvan, had volgens eiseres voor de overige beperkingen, die volgens haar in ieder geval duurzaam zijn, een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld moeten worden, zodat op grond van arbeidskundig onderzoek vastgesteld kon worden of de ex-werkneemster op grond van die beperkingen ook volledig arbeidsongeschikt zou zijn. Eiseres heeft in dit verband verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 9 mei 2014 (ECLI:NL:CRVB:2014:1729). Voor de medische onderbouwing heeft eiseres verwezen naar een rapport van haar medisch adviseur, verzekeringsarts S.R. Hofman, van 24 januari 2017.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Vaststaat dat bij de ex-werkneemster sprake is van diverse lichamelijke klachten. Naast haar rugklachten, die erg veel pijn geven, heeft zij ook hart- en longklachten. Verder is sprake van onder meer hypertensie, CTS beiderzijds, schouderklachten en constitutioneel eczeem. Daarnaast zijn psychische klachten ontstaan. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek op 21 maart 2016 telefonisch informatie ingewonnen bij de ex-werkneemster en van haar vernomen dat de recente ziekenhuisopname van vier weken verband hield met haar hartproblemen. Bij de op 29 maart 2016 ingeplande opname zou een neurostimulator, die vanwege de rugklachten was geplaatst maar geen soelaas bood, verwijderd worden. De verzekeringsarts heeft geen aanleiding gezien informatie bij de behandelende sector op te vragen vanwege de nog lopende behandelingen. Om die reden heeft verweerder volstaan met de door de ex-werkneemster verstrekte informatie en op grond daarvan geconcludeerd dat sprake was van een situatie van GBM, die niet als duurzaam is gekwalificeerd.

6. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een onvoldoende zorgvuldig onderzoek. In dat kader wordt overwogen dat de verzekeringsartsen van verweerder ten onrechte geen informatie hebben opgevraagd bij de behandelende sector, terwijl daarvoor alle reden was. Niet alleen omdat de wel beschikbare medische informatie dateerde van jaren daarvoor, namelijk 2011, maar ook omdat de medische situatie sinds 2011 aanzienlijk gewijzigd was. De (ex)-werkneemster had immers nog medische behandeling ondergaan en was opgenomen in het ziekenhuis vanwege een - volgens de verzekeringsartsen - ernstige (hart)aandoening. Afgezien van een globale omschrijving van de ex-werkneemster zelf heeft de rechtbank uit de dossierstukken niet kunnen afleiden waaruit die ernstige situatie bestond en welke gevolgen deze had voor de beperkingen van de ex-werkneemster. Ook ter zitting kon hierover desgevraagd geen duidelijkheid worden verschaft. Nu onduidelijk is wat de achtergrond en doelstelling van de opname in maart 2016 is geweest en evenmin is gebleken of en zo ja in hoeverre de medische situatie van de ex-werkneemster na de ingreep eind maart 2016 is gestabiliseerd of verbeterd, heeft verweerder zijn standpunt dat de volledige arbeidsongeschiktheid als niet duurzaam is aan te merken, onvoldoende gemotiveerd.

7. Het voorgaande klemt temeer nu de geplande operatie heeft plaatsgevonden op het moment dat de primaire verzekeringsarts zijn rapportage opmaakte, zodat niet valt in te zien waarom deze ingreep niet is afgewacht en is geïnformeerd naar het verloop daarvan, en er ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts B&B bijna vijf maanden verstreken waren na afloop van de operatie alsmede de opname van eiseres vanwege haar hart, zodat het ook voor de hand gelegen had dat deze verzekeringsarts B&B recente medische had opgevraagd. De rechtbank kan zich niet aan de indruk onttrekken dat verweerder met name oog heeft gehad voor de situatie van de ex-werkneemster zelf, voor wie de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid als duurzaam is te duiden minder betekenis heeft, omdat dit geen wijziging brengt in de uitkeringssituatie, en onvoldoende acht heeft geslagen op het belang van de werkgever (eiseres in onderhavige procedure). In dit verband verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de CRvB van 23 mei 2006 (ECLI:NL: CRVB:2006:AX7476) waarin de Raad heeft geoordeeld dat, wanneer sprake is van een GBM-situatie “(…) van het Uwv (mag) worden verlangd dat hiernaar een zorgvuldig onderzoek wordt verricht en dat de beslissing om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen deugdelijk wordt gemotiveerd. Het vereiste van een zorgvuldig onderzoek en een deugdelijke motivering geldt temeer in de situatie dat een derde, in casu de werkgever, belang heeft bij de beslissing over de WAO-uitkering. Voor de werkgever heeft de toekenning van een WAO-uitkering aan de ex-werknemer immers tot gevolg dat hij een hogere gedifferentieerde premie moet betalen.” De omstandigheid dat het in dit geval gaat om een WIA-beoordeling maakt dit niet anders.

8. De door verweerder ter zitting gegeven toelichting, dat ingeval van wisselende beperkingen een FML nooit kan worden opgesteld en daarom geen uitspraak over de eventuele duurzaamheid ervan kan worden gedaan, vindt - zonder nadere nuancering - geen steun in het recht. Daarmee zou immers een situatie kunnen ontstaan dat gedurende lange tijd geen FML wordt opgesteld, terwijl de verzekerde op grond van wel stabiele beperkingen reeds voldoet aan de voorwaarden voor een IVA-uitkering. Steun hiervoor ziet de rechtbank in de rechtspraak van de CRvB (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:763), waarin is neergelegd dat verweerder niet had mogen volstaan met de enkele inschatting van de verbetering van de belastbaarheid ten aanzien van een deel van de beperkingen: “In een dergelijk geval zal aan de hand van een toereikend arbeidskundig onderzoek aannemelijk moeten worden gemaakt dat aan die verbetering van de belastbaarheid relevantie toekomt voor de beoordeling van de mogelijkheden die de betrokkene heeft om weer aan het arbeidsleven deel te nemen en voor het door hem daaraan te ontlenen verdienvermogen. Indien immers reeds op grond van de door de verzekeringsarts als blijvend beoordeelde beperkingen zou moeten worden geconcludeerd tot volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, komt aan de voorziene verbetering van de belastbaarheid geen betekenis toe bij de beantwoording van de vraag of sprake is van volledige en blijvende arbeidsongeschiktheid (…).” De verzekeringsarts had dan ook naar het oordeel van de rechtbank in dit geval ten aanzien van de wel stabiele beperkingen, waarvan duidelijk was dat deze niet zouden verbeteren, een FML moeten opstellen en middels arbeidskundig onderzoek de mate van arbeidsongeschiktheid moeten bepalen.

9. De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat aan het bestreden besluit een onvoldoende zorgvuldig onderzoek ten grondslag ligt en dat dit op een onvoldoende motivering berust. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

De rechtbank ziet geen aanleiding een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak.

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) en de daarbij behorende bijlage voor de door een derde aan eiseres beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,– (1 punt voor het indienen van het (aanvullend) beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt € 495,– en wegingsfactor 1). Verder veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten van de door eiseres ingeschakelde medisch deskundige. De kosten worden op grond van het Bpb vastgesteld op (1,5 x

€ 116,09 =) € 174,15. In totaal bedragen de door verweerder aan eiseres te vergoeden proceskosten derhalve € 1.164,15.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334,– aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.164,15.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Rijnbeek, voorzitter, en mr. L. Soeteman en mr. S. Croes, leden, in aanwezigheid van mr. P.M. de Kruif, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.