Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1828

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
28-03-2017
Datum publicatie
29-03-2017
Zaaknummer
01/860236-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto een aanrijding veroorzaakt met een personenauto. Door die aanrijding is de bestuurder van de personenauto om het leven gekomen. De rechtbank kwalificeert het handelen van verdachte als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860236-16

Datum uitspraak: 28 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2016 en 14 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 21 november 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 26 januari 2016 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, N272 (Gemertseweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers geheel of ten dele heeft gereden op de weghelft, bestemd voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen die door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto en een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto, waardoor een ander (te weten de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 26 januari 2016 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, als bestuurder van een vrachtauto op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, N272 (Gemertseweg), niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden (immers geheel of ten dele heeft gereden op de weghelft, bestemd voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, (mede) waardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen die door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto en een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto), waarbij (dodelijk) letsel aan een persoon is ontstaan of schade aan goederen is toegebracht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie concludeert tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde in die zin dat verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend heeft gereden. Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat verdachte zelf zonder enige aanleiding de door hem bestuurde vrachtwagen naar links heeft gestuurd, secondenlang op de verkeerde weghelft heeft gereden en niet heeft geremd.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte verklaart dat hij niet heeft gezien en gemerkt dat hij op de linker weghelft is gaan rijden en in botsing is gekomen met de auto van het slachtoffer. Hij kan zich in het geheel niets herinneren van het ongeval. Verdachte herinnert zich slechts dat hij ongeveer 500 meter voor de plaats van het ongeval aan thuis dacht en vervolgens dat hij zag dat hij met zijn vrachtwagen tegen een boom botste. De raadsman stelt dat niet is uit te sluiten dat verdachte korte tijd zijn bewustzijn is verloren als gevolg van bloeddrukverlagende medicatie. In dat geval kan hem geen verwijt worden gemaakt in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994.

Voorts stelt de raadsman dat de enkele omstandigheid dat verdachte op de verkeerde weghelft terecht is gekomen, niet een verkeersfout is die onder het bereik van artikel 6 WVW 1994 valt. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken van het primair tenlastegelegde.

Indien de rechtbank aanneemt dat bij verdachte sprake is geweest van een tijdelijk bewustzijnsverlies, dient eveneens vrijspraak te volgen voor het subsidiair tenlastegelegde.

Het oordeel van de rechtbank.

Bewijsmiddelen. 1

De rechtbank komt tot haar oordeel op grond van de volgende bewijsmiddelen.

- proces-verbaal van verhoor van [getuige 1] , p. 36:
Op 26 januari 2016, omstreeks 09.45 uur, reden mijn man en ik in onze auto vanuit Boxmeer naar Gemert. Het weer was goed en de weg was in orde. Het verkeer was rustig. Mijn man bestuurde de auto en ik zat naast hem. Ter hoogte van het pannenkoekenhuis kwam ons een vrachtwagen tegemoet rijden. Er reden geen andere voertuigen op de weg of bij de kruising. Plots zie ik de vrachtwagen richting onze weghelft komen. Mijn man probeerde nog de berm in te sturen. Plots voelde ik een klap. Hierna stonden we stil en mijn man reageerde niet.

- proces-verbaal van verhoor [verdachte] , p. 34:

Op dinsdag 26 januari 2016, omstreeks 09.50 uur, reed ik in een vrachtwagen van de zaak met [kenteken 1] . Ik reed op de Gemertseweg, op de cruise control. Ik hoorde een knal en zag dat de voorruit kapot sprong. Ik zag ineens een lantaarnpaal. Ik zag dat de lantaarnpaal omknapte. Ik heb vervolgens ook nog een boom geraakt.

- proces-verbaal van verhoor [getuige 2] , p. 38:

Op dinsdag 26 januari 2016, omstreeks 09.45 uur, was ik in ons kantoor toen wij plotseling een flinke klap hoorden.

Wij zijn naar buiten gegaan en zagen dat er een flink ongeluk was gebeurd. Wij zagen dat de vrouw van de personenauto naast ons gebouw stond. Ze vertelde dat zij en haar man vanuit de richting Boxmeer kwamen en dat zij vanaf grote afstand al zagen dat de vrachtwagen die hen tegemoet reed op de verkeerde weghelft reed in hun richting. Ze vertelde dat haar man probeerde om de straat naar rechts in te rijden om de vrachtauto te ontwijken. Ze vertelde dat ze vol geraakt werden door de vrachtauto.

Wij hebben ook geen remgeluiden gehoord vanuit het kantoor.

- proces-verbaal Verkeers Ongevallen Analyse, dossier p. 12, 13, 14, 15, 17 (bovenste foto), 21, 24, 26, 27, 28:
Brigadier van [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden technisch rechercheur, werkzaam bij de afdeling specialistische ondersteuning, team Verkeers Ongevallen Analyse, verklaren het volgende.

Bij dit ongeval waren de volgende voertuigen betrokken:

Voertuig, merk DAF, type AE55CF, [kenteken 1] (de rechtbank leest verbeterd: [kenteken 1] )

Voertuig, merk Ford, type C-Max, [kenteken 2]

De twee betrokken voertuigen reden elkaar op dezelfde weg tegemoet. Uit sporenonderzoek bleek dat de Daf, net voor het ontstaan van het ongeval, zich geheel links op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer bevond. De vrachtwagen botste met de linker voorhoek tegen de linker voorhoek / linkerflank van de Ford. De bestuurder van de Ford is kort na het ongeval overleden.

Het verkeersongeval heeft plaatsgevonden op de weg N272, plaatselijk de Gemertseweg genaamd, gelegen buiten de bebouwde kom van Oploo in de gemeente Sint Anthonis.

De rijbaan had een breedte van circa 7.20 meter en was door middel van twee onderbroken witte strepen verdeeld in twee rijstroken.

In de rijrichting van de Daf was in de linker berm, net langs de wegrand, gezien in de richting van Boxmeer, een recent bandenspoor, namelijk een rolspoor zichtbaar. In dit rolspoor was profilering van een band zichtbaar.

Verder in de richting Boxmeer was op het wegdek van de linker rijstrook een bandenspoor afgetekend. Het bandenspoor tekende zich schuin naar links af in de richting van de positie van de aangetroffen vrachtwagen.

De vrachtwagen is aan de linkerzijde van de Gemertseweg, gezien in de richting van Boxmeer, met de linkerzijde liggend in een ondiepe sloot tot stilstand gekomen.

De profilering in het bandenspoor, welke links naast de rijbaan van de Gemertseweg ter plaatse van het ongeval werd aangetroffen, is vergeleken met de profilering van de banden welke op de linker achterwielen van de Daf gemonteerd waren. Volgens verbalisanten was het bandenspoor in de linker berm afkomstig van de banden die om de linker achterwielen van de Daf waren gemonteerd.

- proces-verbaal van bevindingen, p. 32:

Op dinsdag 26 januari 2016, omstreeks 09.50 kwamen wij ter plaatse bij een dodelijk verkeersongeval op de Gemertseweg te Oploo. Wij zagen dat het een ongeval betrof tussen een personenauto voorzien van het kenteken [kenteken 3] en een vrachtwagen voorzien van het [kenteken 1] . Wij zagen dat er achter het stuur van de personenauto een man zat welke later bleek te zijn:

[slachtoffer] , geboren op 17 augustus 1947.

- verslag van een schouw door lijkschouwer mw. drs. F. Aarts, forensisch arts 2 :

De schouw is uitgevoerd op 26 januari 2016. De heer [slachtoffer] , geboren te Venray op 17 augustus 1947 is overleden als gevolg van een niet natuurlijke dood door een verkeersongeval.

Bewijsoverwegingen.

Verdachte reed met een vrachtwagen, met een snelheid van ongeveer 80 kilometer per uur, over de provinciale weg, de N272. Verdachte is op de linker weghelft, bestemd voor het tegemoetkomende verkeer, gaan rijden en blijven rijden, terwijl een personenauto hem tegemoet reed. Dat is een verkeersfout. De rechtbank moet de vraag beantwoorden of die verkeersfout schuld oplevert als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Het is algemeen bekend dat provinciale wegen vanuit verkeersoogpunt gevaarlijk kunnen zijn, zeker als de rijbanen niet van elkaar gescheiden zijn door een berm of vangrails, maar door twee onderbroken witte strepen. Dergelijk wegen vergen daarom in de regel bijzondere oplettendheid en voorzichtigheid van de weggebruikers. Van verdachte, een ervaren bestuurder, mocht die oplettendheid en voorzichtigheid worden verwacht, temeer nu hij in een vrachtwagen reed. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte geheel over de linker weghelft heeft gereden en zelfs daaroverheen in de linker berm. De bijrijder van de Ford heeft de vrachtwagen waarin verdachte reed vanaf enige afstand op de verkeerde weghelft zien komen. Zij heeft de vrachtwagen op zich af zien komen en haar man, de bestuurder van de personenauto, heeft nog geprobeerd de vrachtwagen te ontwijken. Verdachte heeft in die tijdspanne de personenauto in het geheel niet gezien. Blijkens de resultaten van de verkeersongevallenanalyse heeft hij ook niet geremd ter voorkoming van een botsing. De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af, dat er geen sprake is geweest van een enkel moment van onoplettendheid. In de onderhavige zaak moet verdachte secondenlang de verkeerde manoeuvre hebben gemaakt, kennelijk ongeconcentreerd op de weg en zonder aandacht voor eventueel tegemoetkomend verkeer. Dit verkeersgedrag kan de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en onvoorzichtig heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 WVW te wijten is.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken. De raadsman heeft in dit kader aangevoerd dat er mogelijk sprake is geweest van kort bewustzijnsverlies door bloeddrukverlagende medicatie.

Verdachte heeft echter zelf verklaard dat hij zich die ochtend en ten tijde van het ongeval goed voelde en dat zijn medicatiegebruik nooit eerder tot flauwtes of problemen heeft geleid.

De door de raadsman van verdachte overgelegde verklaring van drs. F.G.M.H. van Asperdt, cardioloog, betreffende verdachte, houdt bovendien in:

“Een lage bloeddruk kan bewustzijnsverlies veroorzaken. Het gebruik van bloeddrukverlagende medicatie kan een dusdanige verlaging van de bloeddruk geven dat dit leidt tot bewustzijnsverlies…Een plotselinge bloeddrukdaling in zittende houding komt niet vaak voor. Bij patiënt hebben wij nooit een te lage bloeddruk gemeten. In de klinische observatieperiode aansluitend aan het ongeval is de bloeddruk nooit laag geweest. Dit alles sluit een eerdere bloeddrukverlaging voorafgaand aan het ongeval niet uit, maar ik acht het niet waarschijnlijk.”

Tenslotte acht de rechtbank in dit kader van belang dat bij toxicologisch onderzoek door het NFI in het bloed van verdachte geen (omzettingsproducten van) drugs en/of geneesmiddelen zijn aangetoond die de rijvaardigheid kunnen beïnvloeden.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank een tijdelijk bewustzijnsverlies ten tijde van het ongeval niet aannemelijk. De rechtbank verwerpt dit verweer.

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde feit bewezen.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte:

op 26 januari 2016 te Oploo, gemeente Sint Anthonis, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto), daarmede rijdende over de weg, N272 (Gemertseweg), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend

niet zoveel mogelijk rechts te houden, immers geheel heeft gereden op de weghelft, bestemd voor hem, verdachte, tegemoetkomend verkeer, waardoor een aanrijding is ontstaan tussen die door hem, verdachte, bestuurde vrachtauto en een hem, verdachte, tegemoetkomende personenauto, waardoor een ander (te weten de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie vordert een taakstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis en ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto een ernstig verkeersongeval veroorzaakt. Verdachte dient te gelden als een ervaren chauffeur en heeft door zijn onvoorzichtige en onoplettende rijgedrag een verkeersongeval veroorzaakt met zeer ernstige onomkeerbare gevolgen. De bestuurder van de hem tegemoetkomende personenauto is aan de verwondingen die hij bij het ongeval opliep overleden.

Zoals blijkt uit de op de terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen heeft het overlijden van het slachtoffer grote impact op het leven van diens echtgenote, kinderen en kleinkinderen. Zij ondervinden nog dagelijks de gevolgen hiervan en missen het contact met hun echtgenoot, vader en schoonvader enorm.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat verdachte zal moeten leven met de wetenschap dat hij verantwoordelijk is voor de dood van een ander. Verdachte vindt het heel erg wat er is gebeurd en hij was tijdens de zitting van de rechtbank zichtbaar aangeslagen. Na het ongeval is hij gestopt met zijn werk als chauffeur.

Uit het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 februari 2017 blijkt dat verdachte niet eerder met Justitie in aanraking is geweest.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten.

De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde taakstraf passend en geboden is.

De rechtbank is voorts met de officier van justitie van oordeel dat uit het oogpunt van een passende straftoemeting en gelet op de ernst van het feit de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen aan verdachte dient te worden ontzegd voor de duur van één jaar.

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte vrijwilligerswerk verricht en dat verdachte zijn rijbewijs bij het verrichten van die werkzaamheden niet kan missen. De rechtbank is van oordeel dat het persoonlijk belang van verdachte bij behoud van zijn rijbewijs niet opweegt tegen de belangen die gediend zijn met de ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank doelt dan op verkeersveiligheid, preventie en bestraffing.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9, 22c, 22d, 91.

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 175, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert het misdrijf:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen.

T.a.v. primair:

- een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

- ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder

begrepen) voor de duur van één jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. L.G.J.M. van Ekert en mr. R. van den Munckhof, leden,

in tegenwoordigheid van J.F.A. Verhagen, griffier,

en is uitgesproken op 28 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een dossier, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van de politie eenheid Oost Brabant, registratienummer PL2100-2016020314-1 met bijlagen, sluitingsdatum 14 juni 2016.

2 Modelformulier van het verslag van lijkschouwer mw. drs. F. Aarts, forensisch arts en lijkschouwer van de gemeenten Nijmegen en Tiel.