Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1809

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
30-03-2017
Datum publicatie
30-03-2017
Zaaknummer
17_510
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toestemming om beveiligingswerkzaamheden te verrichten ingetrokken. Artikel 7 van de Wet Particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is onvoldoende gemotiveerd dat verzoeker er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen die als een tamelijke ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd. Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/510

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. J. Geuze),

en

de korpschef van de politie, verweerder

(gemachtigden: mr. M. van de Vall en D. Troeijen).

De in deze uitspraak genoemde wetsartikelen zijn opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Procesverloop

Bij besluit van 31 januari 2017 (het bestreden besluit) heeft de korpschef de aan verzoekers werkgever verleende toestemming om verzoeker beveiligingswerkzaamheden te laten verrichten, ingetrokken.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat het bestreden besluit wordt geschorst en de korpschef wordt bevolen om verzoeker toestemming te verlenen tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden en hem daartoe een beveiligingspas te verstrekken.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

De feiten

1. Op 7 juni 2016 heeft de korpschef aan verzoekers werkgever ten behoeve van verzoeker toestemming verleend tot het verrichten van (beveiligings)werkzaamheden als bedoeld in artikel 7 van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr).

Voordat verzoeker in dienst is getreden bij zijn werkgever heeft hij een opleiding bij de Nederlandse Politie (de politie) gevolgd. Bij aanvang van zijn aanstelling bij de politie omstreeks oktober 2012 heeft verzoeker van de politie goederen ontvangen, waaronder een trainingspak met daarop het logo van de politie. Per 7 juli 2015 is de aanstelling van verzoeker beëindigd. Na beëindiging van zijn aanstelling heeft verzoeker contact gezocht met zijn voormalig leidinggevende bij de politie en in overleg met hem zijn operationele kleding geretourneerd. Verzoeker heeft het trainingspak toen niet geretourneerd en daar is niet naar gevraagd. Een jaar later, omstreeks oktober 2016, heeft verzoeker het trainingspak op de verkoopwebsite Marktplaats te koop aangeboden.

Op 4 november 2016 heeft een verbalisant van de politie eenheid Oost-Brabant onderzoek ingesteld naar het trainingspak dat te koop werd aangeboden op Marktplaats. Het ging om een trainingspak van het merk Nike met daarop zichtbaar het logo van de politie. Op 14 november 2016 is het trainingspak tijdens een huiszoeking bij verzoeker door de politie in beslag genomen. De politie heeft een onderzoek ingesteld waarbij verzoeker werd verdacht van verduistering van het trainingspak.

De Officier van Justitie heeft de strafzaak tegen verzoeker geseponeerd wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs. In een e-mailbericht van de Officier van Justitie van 14 januari 2017 aan de gemachtigde van verzoeker is onder meer vermeld dat de stukken die de gemachtigde van verzoeker heeft opgestuurd wat hem betreft toch een ander licht op de zaak werpen, ook op het punt of er sprake is van een wederrechtelijke toe-eigening van het trainingspak.

Op 21 november 2016 heeft de korpschef zijn voornemen kenbaar gemaakt om de toestemming in te trekken. Op 14 december 2016 heeft een zienswijzegesprek met verzoeker plaatsgevonden. Vervolgens heeft de korpschef het bestreden besluit genomen.

Karakter van deze procedure: een voorlopige voorziening

2. Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige voorziening. Uitgangspunt van de wet is dat het maken van bezwaar de werking van een besluit niet opschort (artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Met andere woorden: het besluit blijft van kracht ook als er bezwaar tegen is gemaakt. Die hoofdregel kan worden doorbroken door het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid daartoe is geregeld in artikel 8:81, eerste lid van de Awb. In dat artikel is verwoord dat wanneer tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. De verzoeker moet dus goede redenen hebben die maken dat hij de beslissing op zijn bezwaarschrift niet kan afwachten en een uitzondering op de hoofdregel dat het bezwaar de uitvoering van het besluit niet schorst, rechtvaardigen. Een voorlopige voorziening heeft – zoals de term al zegt – het karakter van een tussenmaatregel, in afwachting van de beslissing op bezwaar. De beoordeling die de voorzieningenrechter maakt, is dus voorlopig van aard en de rechtbank die in een later stadium in een eventuele bodemprocedure over de zaak beslist, is niet aan het oordeel van de voorzieningenrechter gebonden.

Onverwijlde spoed?

3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet kan wachten tot de korpschef heeft beslist op het bezwaar. De werkgever van verzoeker zal het dienstverband met verzoeker beëindigen als hij geen beveiligingswerkzaamheden meer mag verrichten. De werkgever is bereid om te wachten met beëindiging van het dienstverband totdat op dit verzoek om een voorlopige voorziening is beslist, maar niet langer. Ook als het besluit op bezwaar mogelijk over vier weken kan worden genomen, is daarom sprake van onverwijlde spoed in de zin van artikel 8:81 van de Awb.

Beoordeling van het bestreden besluit

4. De voorzieningenrechter zal hierna beoordelen of het bezwaar tegen het bestreden besluit een redelijke kans van slagen heeft.

5. Bij het bestreden besluit heeft de korpschef de toestemming van verzoeker om als beveiligingsmedewerker te werken, ingetrokken, omdat verzoeker volgens hem niet langer voldoet aan het vereiste van betrouwbaarheid. Hoewel de Officier van Justitie de strafzaak tegen verzoeker heeft geseponeerd bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs dat sprake is van verduistering, heeft de korpschef zich op het standpunt gesteld dat bestuursrechtelijk voldoende aannemelijk is dat sprake is van verduistering. Volgens de korpschef had verzoeker er als voormalig politieagent van doordrongen moeten zijn dat goederen waarop het logo van de politie staat, te allen tijde eigendom van de politie blijven. De korpschef neemt het verzoeker vooral kwalijk dat hij het trainingspak op Marktplaats heeft aangeboden en het dus te gelde heeft willen maken. Daarmee heeft verzoeker volgens de korpschef ook de maatschappij in gevaar gebracht, omdat het zeer aannemelijk is dat het trainingspak in verkeerde handen zou zijn gevallen. Algemeen bekend is dat veelvuldig misbruik wordt gemaakt van het politielogo door daar eerst vertrouwen mee te wekken. De handelingen van verzoeker acht de korpschef niet verenigbaar met het werk als beveiliger, omdat hij heeft laten zien niet zorgvuldig om te gaan met goederen die niet van hem zijn. De korpschef heeft zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde en dat de goede naam van de beveiligingsbranche hierdoor kan worden geschaad. Het algemeen belang van een betrouwbare veiligheidszorg heeft de korpschef zwaarder laten wegen dan het persoonlijk belang van verzoeker bij het verwerven van inkomen met zijn beveiligingswerkzaamheden en het werkplezier dat hij daaraan beleeft.

6. Verzoeker heeft betoogd dat de korpschef zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat verzoeker er blijk van heeft gegeven dat hij rechtsregels naast zich neerlegt die als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd. Er is geen sprake van een serieuze verdenking tegen verzoeker. Verzoeker is het niet eens met het standpunt van de korpschef dat bestuursrechtelijk voldoende aannemelijk is dat sprake is van verduistering. Verzoeker heeft aangevoerd dat hij zich er niet bewust van was dat hij nog een trainingspak onder zich had op het moment dat hij zijn operationele kleding bij de politie inleverde. Volgens verzoeker is van belang dat vanuit de politie daar ook niet meer naar is gevraagd. Verzoeker is ook in dienst geweest bij de Koninklijke Marechaussee (Kmar) en bij zijn vertrek mocht hij een trainingspak met het logo van de Kmar houden. Verzoeker is er dan ook van uitgegaan dat het trainingspak met het logo van de politie ook zijn eigendom was. Aan verzoeker is ook nooit gemeld dat kleding met het politielogo eigendom blijft van de politie. Daarover bestaat ook geen regelgeving. Evenmin is beschreven welke goederen na beëindiging van een aanstelling bij de politie moeten worden geretourneerd. De stelling van de korpschef dat verzoeker de maatschappij in gevaar heeft gebracht door het trainingspak te koop aan te bieden, is volgens verzoeker onjuist en onaannemelijk. Nergens blijkt uit dat het trainingspak in verkeerde handen zou vallen. Bovendien straalt een trainingspak geen enkel vertrouwen of gezag uit. De korpschef heeft onvoldoende acht geslagen op verzoekers huidige functioneren als beveiligingsmedewerker en de gevolgen die het besluit voor verzoeker heeft. De gevolgen van het bestreden besluit zijn disproportioneel. Door het intrekken van de toestemming zal verzoeker zijn baan kwijt raken, waardoor hij in de financiële problemen komt. Hij zal niet meer in de beveiligingsbranche kunnen werken. Er is sprake van een onjuiste en onzorgvuldige belangenafweging, aldus verzoeker.

7. Zoals hiervoor al vermeld, heeft de Officier van Justitie de strafzaak tegen verzoeker voor verduistering geseponeerd, omdat dat feit niet wettig en overtuigend kon worden bewezen. De voorzieningenrechter is het eens met de korpschef dat het ook bij een geseponeerde strafzaak nog steeds mogelijk is om te concluderen dat iemand niet langer over de vereiste betrouwbaarheid beschikt op grond van punt 2.3, onder c, van de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (de Beleidsregels), maar in de toelichting op de Beleidsregels is duidelijk bepaald onder welke omstandigheden dat mogelijk is. Vereist is dat verzoeker er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen die als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd en dat er nog altijd een serieuze verdenking tegen hem bestaat. Het beleid schrijft dus voor dat er een concrete rechtsregel moet zijn geschonden. Volgens de korpschef is de rechtsregel die verzoeker naast zich heeft neergelegd en die als een ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd, het strafbare feit verduistering. De korpschef heeft ter zitting het standpunt dat bestuursrechtelijk voldoende aannemelijk is dat sprake is van verduistering, verder toegelicht. Volgens de korpschef blijven goederen met het logo van de politie, altijd eigendom van de politie en had verzoeker dit kunnen en moeten weten omdat hij die goederen verstrekt heeft gekregen bij indiensttreding. Dat de goederen met het logo van de politie eigendom van de politie blijven, blijkt volgens de korpschef uit de Kledingregeling Politie 2014. In artikel 4 van die regeling is vermeld dat het uniform eigendom blijft van de politie en dat dit door de korpschef wordt ingenomen bij onder meer beëindiging van het dienstverband. In de bijlage bij de regeling is onder meer vermeld dat het politielogo bestaat uit de afbeelding, zoals opgenomen in hoofdstuk 7 van het handboek politielogo en huisstijl. In dit handboek is volgens de korpschef vermeld dat het politielogo een beschermd logo is. Daaruit vloeit volgens de korpschef voort dat alle goederen met daarop het logo van de politie eigendom van de politie blijven.

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft de korpschef ook met deze nadere toelichting, onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van verduistering en daarmee dat verzoeker een rechtsregel naast zich heeft neergelegd. In de Kledingregeling en het in de bijlage daarbij genoemde handboek, staat niet dat alle goederen met het logo van de politie, waaronder dus ook het trainingspak, eigendom blijven van de politie en naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan dit hier ook niet uit worden afgeleid. Dat het logo van de politie een beschermd logo is, leidt niet zonder meer tot de conclusie dat dus alle goederen waar dit logo op staat, eigendom van de politie blijven. Daar komt bij dat de korpschef niet heeft betwist dat het initiatief tot inlevering van de goederen die verzoeker van de politie nog in zijn bezit had na beëindiging van zijn dienstverband, bij verzoeker heeft gelegen, dat hij heeft gevraagd om een inleverlijst en dat die er niet bleek te zijn. Ook is van belang dat vanuit de politie niet is gezegd dat hij zijn trainingspak ook nog moest inleveren, zelfs niet bij het inleveren van de overige goederen, en dat hij zijn trainingspak van de Kmar wel mocht houden.

De voorzieningenrechter vindt het geen verstandige beslissing van verzoeker om het trainingspak met het logo van de politie te koop aan te bieden op Marktplaats, maar onder de hiervoor geschetste omstandigheden is dit onvoldoende om te kunnen spreken van verduistering en het naast zich neerleggen van rechtsregels die als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde kan worden beschouwd.

8. Het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is dus dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd (artikel 3:46 van de Awb) en de verwachting is dat het besluit geen stand zal houden in bezwaar, aangezien de korpschef ook met de aanvullende toelichting ter zitting niet voldoende heeft kunnen motiveren dat sprake is van verduistering. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter weegt het belang van verzoeker bij schorsing van het bestreden besluit zwaarder dan het belang van de korpschef bij onverkorte uitvoering van het besluit. Als het besluit niet wordt geschorst, verliest verzoeker zijn baan en het is maar de vraag of hij die baan weer zou kunnen terugkrijgen op het moment dat de korpschef zou besluiten om het bezwaar gegrond te verklaren. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt daarom toegewezen.

9. Omdat het verzoek om een voorlopige voorziening wordt toegewezen, moet de korpschef het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Ook veroordeelt de voorzieningenrechter de korpschef in de proceskosten die verzoeker heeft gemaakt. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op een totaalbedrag van € 1.004,64. Dit bedrag is als volgt opgebouwd. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden vastgesteld op € 990,– (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 495,– en een wegingsfactor 1). De kosten voor de gemaakte reiskosten worden vastgesteld op € 14,64 (reiskosten openbaar vervoer 2e klas).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot op het bezwaar is beslist en beveelt de korpschef om verzoeker toestemming te verlenen tot het verrichten van beveiligingswerkzaamheden en hem daartoe een beveiligingspas te verstrekken tot op het bezwaar is beslist;

- draagt de korpschef op het betaalde griffierecht van € 168,– aan verzoeker te vergoeden;

- veroordeelt de korpschef in de proceskosten tot een bedrag van € 1.004,64, te betalen aan verzoeker.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen - Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Bijlage:

In artikel 7, tweede lid, van de Wpbr is bepaald dat een beveiligingsorganisatie waaraan een vergunning is verleend geen personen tewerkstelt die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan leidinggevend werk, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef.

In het vierde lid is onder meer bepaald dat de toestemming wordt onthouden, als de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

In het vijfde lid is bepaald dat de toestemming kan worden ingetrokken als zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, als zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Ter uitvoering van de Wpbr heeft de minister van Veiligheid en Justitie criteria voor het bepalen van bekwaamheid en betrouwbaarheid als hiervoor bedoeld neergelegd in de Beleidsregels particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus 2014 (de Beleidsregels).

In punt 2.3 van de Beleidsregels is – voor wat betreft de betrouwbaarheid – vermeld dat de toestemming aan een beveiligingsorganisatie of recherchebureau om personen te werk te stellen, zoals bedoeld in artikel 7, eerste, tweede en derde lid, van de wet wordt onthouden indien:

a. a) de betrokkene binnen vier jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke geldboete is opgelegd, dan wel een strafbeschikking of een transactie wegens het plegen van een misdrijf van het Openbaar Ministerie heeft aanvaard, of

b) de betrokkene binnen acht jaar voorafgaande aan het moment van toetsing is veroordeeld wegens het plegen van een misdrijf waarbij een (on)voorwaardelijke vrijheidsstraf of taakstraf is opgelegd, of

c) op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze onvoldoende betrouwbaar is om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau werkzaamheden te verrichten dan wel onvoldoende betrouwbaar is om de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In de toelichting op punt c is onder meer het volgende vermeld:

Van het bepaalde onder c zal sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Dat de betrokkene onvoldoende betrouwbaar is, kan worden aangenomen op basis van andere, niet uit veroordelingen of transacties gebleken, omtrent betrokkene bekende feiten. Zo kunnen (tegen betrokkene) opgemaakte processen-verbaal of (dag/mutatie)rapporten ertoe leiden dat betrokkene onvoldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of een recherchebureau te werken. Uiteraard is daarbij van belang dat tegen betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

Ook sepots kunnen een rol spelen bij de beoordeling van de betrouwbaarheid. Hierbij dient de aard van het sepot in ogenschouw te worden genomen. Een technisch sepot, bijvoorbeeld wegens onvoldoende bewijs, zal bij de beoordeling naar de betrouwbaarheid een minder grote rol spelen dan een sepotbeslissing die op beleidsmatige gronden is genomen. In het geval dat een sepot wordt meegenomen in de beoordeling, wordt als datum gehanteerd de datum dat het Openbaar Ministerie de beslissing heeft genomen de zaak te seponeren.