Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1784

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
29-03-2017
Datum publicatie
31-03-2017
Zaaknummer
C/01/313263 / HA ZA 16-646
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incident. 3 bevoegdheidsincidenten. t.a.v. twee gedaagden rechtbank bevoegd o.g.v. art. 7 lid 1 en/of 2 Herschikte EEX-Vo. t.a.v. 1 gedaagde rechtbank onbevoegd i.v.m. forumkeuze (Italiaanse rechter)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1690
AR 2017/1678
INS-Updates.nl 2017-0156
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/313263 / HA ZA 16-646

Vonnis in incident van 29 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres 1] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de drie bevoegdheidsincidenten,

advocaat mr. L.M. Schelstraete te Oisterwijk,

tegen

1. de vennootschap naar buitenlands recht

BLUE MILANO SRL,

gevestigd te Mariano C.se CO, Italië,

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

eiser in het eerste bevoegdheidsincident,

advocaat mr. R. de Falco te Amsterdam,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

niet verschenen,

4. de vennootschap naar buitenlands recht

[gedaagde 4] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

gedaagde,

eiser in het derde bevoegdheidsincident,

advocaat mr. K.Y. van Oosten te Rotterdam,

5. de vennootschap naar buitenlands recht

GRUPPOC14 SRL,

gevestigd te Milano, Italië,

gedaagde,

eiseres in het tweede bevoegdheidsincident,

advocaat mr. M. Uijen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres 2] en [gedaagden] genoemd worden. Afzonderlijk zullen gedaagden respectievelijk Blue Milano, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en C14 worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding

  • -

    tegen de niet verschenen Blue Milano is geen verstek verleend

  • -

    tegen de niet verschenen [gedaagde 3] is verstek verleend

  • -

    de conclusie voor alle weren van [gedaagde 2]

  • -

    de conclusie van antwoord in het eerste bevoegdheidsincident

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van C14

  • -

    de conclusie van antwoord in het tweede bevoegdheidsincident

  • -

    de akte houdende overlegging productie van [eiseres 2]

  • -

    de akte uitlaten producties van C14

  • -

    de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid en voorwaardelijke conclusie van antwoord van [gedaagde 4]

  • -

    de conclusie van antwoord in het derde bevoegdheidsincident.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

1.3.

Het is de rechtbank gebleken dat zij per abuis geen nieuwe termijn heeft verleend aan [eiseres 2] om de dagvaarding op juiste wijze aan Blue Milano te betekenen. Aan [eiseres 2] zal alsnog een termijn worden verleend van drie maanden om haar daartoe alsnog in de gelegenheid te stellen.

2 De feiten

2.1.

[eiseres 2] en C14 hebben op 27 februari 2015 een overeenkomst (hierna: overeenkomst 1) gesloten. Hierin is aan C14 de opdracht gegeven voor: “Interior design, Art Direction and Supply Chain Management of the Interior of the VIP-Building and the Spyder-Building; monitoring uniformity and identity of store layout of shops of South Stand”. Deze opdracht heeft betrekking op het nieuwe stadion van [eiseres 2] : de [eiseres 2] International Arena (hierna: het stadion) te [woonplaats] .

2.2.

Artikel 16.4 van overeenkomst 1 bevat de volgende bepaling: “The Court of Milan shall have sole jurisdiction over any dispute or litigation.”

2.3.

Op 20 mei 2015 hebben [eiseres 2] en Blue Milano een overeenkomst (hierna: overeenkomst 2) gesloten. Daarin is aan Blue Milano de opdracht gegeven voor het leveren en installeren van “sound absorbing ceiling panels for interior spaces + external covering panels” voor het van het stadion deel uitmakende VIP- en Spidergebouw.

2.4.

[gedaagde 2] en [gedaagde 3] waren ten tijde van het aangaan van overeenkomst 1 de bestuurders van Blue Milano.

2.5.

Blue Milano heeft de non-akoestische panelen voor het buitengedeelte en de akoestische (binnen)plafondpanelen voor het stadion laten produceren door [gedaagde 4] .

2.6.

Blue Milano heeft de door [gedaagde 4] geproduceerde panelen in juli 2015 gemonteerd.

2.7.

Op 27 november 2015 heeft [eiseres 2] een spoedplaatsopneming laten uitvoeren door de Raad van Arbitrage voor de Bouw.

2.8.

Blue Milano is op 13 juni 2016 door de rechtbank te Como (Italië) failliet verklaard.

3 De vordering in de hoofdzaak

3.1.

[eiseres 2] vordert in de hoofdzaak – zakelijk weergegeven –

  • -

    Blue Milano, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en C14 hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 1.183.342,11 + PM, vermeerderd met rente,

  • -

    [gedaagde 4] te gebieden om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis aan [eiseres 2] ten behoeve van het plafond van het VIP-gebouw panelen te leveren zonder gebreken, op straffe van een dwangsom van € 25.000,00 per dag indien [gedaagde 4] niet aan dit gebod voldoet,

  • -

    Voor recht te verklaren dat [gedaagde 4] uit hoofde van wanprestatie althans onrechtmatige daad jegens [eiseres 2] aansprakelijk is, met veroordeling van [gedaagde 4] tot vergoeding van de dientengevolge door [eiseres 2] geleden schade, nader op te maken bij staat,

  • -

    C14 te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis een bedrag van € 126.630,92 aan [eiseres 2] terug te betalen, vermeerderd met rente,

  • -

    Blue Milano, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en C14 hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de buitengerechtelijke kosten van € 6.775,00,

  • -

    Blue Milano, [gedaagde 2] , [gedaagde 3] en C14 hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiseres 2] legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

De door [gedaagde 4] geproduceerde non-akoestische panelen, bestemd voor het buitengedeelte van het VIP-gebouw, die omstreeks 6 juli 2015 in [woonplaats] zijn geleverd, bleken direct non-conform. Dit probleem is provisorisch opgelost doordat [naam 1] de panelen met later door Blue Milano geleverde verf heeft beschilderd. Ook de door [gedaagde 4] geproduceerde akoestische plafondpanelen, bestemd voor de binnenruimte van het VIP-gebouw, zijn non-conform. Deze panelen vertonen een optische kleurafwijking en hebben niet de juiste afmeting. Blue Milano heeft conform haar voorstel het plafond geïnstalleerd, omdat tussen 13 en 16 augustus 2015 het GCT-event zou plaatsvinden in het stadion. Zij zou de panelen na het GCT-event vervangen. [gedaagde 4] heeft [eiseres 2] toen ook uitdrukkelijk toegezegd om na het GCT-event panelen te leveren die in overeenstemming zijn met de overeenkomst 2.

Medio oktober 2015 ontstonden zeer ernstige problemen. De door Blue Milano geïnstalleerde plafondpanelen gingen o.a. scheef staan, vielen uit elkaar en naar beneden, waardoor een zeer onveilige situatie ontstond. Na de spoedplaatsopneming op 27 november 2015 heeft [eiseres 2] de plafonds van het VIP- en Spidergebouw door [naam 1] laten borgen. Blue Milano is tekort geschoten in de nakoming van overeenkomst 2. Blue Milano dient de schade die [eiseres 2] heeft geleden als gevolg van deze tekortkoming te vergoeden.

Ten tijde van de totstandkoming van overeenkomst 2 verkeerde Blue Milano in een zeer slechte financiële positie. Zij was de facto failliet. Desondanks hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] tot het aangaan van de overeenkomst met [eiseres 2] besloten. Nadat [eiseres 2] Blue Milano meerdere malen met haar wanprestatie had geconfronteerd, hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 3] een besluit tot liquidatie genomen teneinde de gevolgen van de wanprestatie zoveel mogelijk af te wenden. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben door zo te handelen als bestuurders van Blue Milano een onrechtmatige daad jegens [eiseres 2] gepleegd als bedoeld in artikel 6:162 BW. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dienen de schade die [eiseres 2] heeft geleden als gevolg van dit onrechtmatig handelen te vergoeden.

[gedaagde 4] heeft zich op 10 juli 2015 jegens [eiseres 1] en Blue Milano verbonden om de non-conforme panelen te vervangen. [gedaagde 4] heeft ondanks meerdere verzoeken c.q. sommaties zijdens [eiseres 2] en Blue Milano geweigerd om de toegezegde panelen te leveren. Daarmee heeft [gedaagde 4] jegens [eiseres 2] wanprestatie althans een onrechtmatige daad gepleegd. Ook jegens Blue Milano is [gedaagde 4] tekortgeschoten. Deze wanprestatie van [gedaagde 4] jegens Blue Milano levert ook een zelfstandige onrechtmatige daad op jegens [eiseres 2] , nu de belangen van [eiseres 2] zo nauw bij de overeenkomst tussen [gedaagde 4] en Blue Milano waren betrokken, dat [gedaagde 4] die belangen had behoren te ontzien. [gedaagde 4] dient alsnog goede panelen te leveren. Daarnaast dient [gedaagde 4] de schade die [eiseres 2] heeft geleden als gevolg van de tekortkoming/onrechtmatige daad te vergoeden.

C14 is tekort geschoten in de nakoming van overeenkomst 1. C14 heeft de haar in deze overeenkomst opgedragen taken niet goed uitgevoerd. C14 dient de schade die [eiseres 2] heeft geleden als gevolg van deze tekortkoming te vergoeden.

Voorts is het [eiseres 2] uit uitgebreid onderzoek in Italië gebleken dat C14, die zich tegenover [eiseres 2] heeft gepresenteerd als een deskundig ontwerp- en architectenbureau, voor [eiseres 2] architectenwerkzaamheden heeft verricht terwijl zij daartoe niet bevoegd was. Geen van de bij C14 werkzame architecten voldoet aan de voorwaarden zoals beschreven in de Wet op de Architectentitel als geldend in Nederland. C14 als besloten vennootschap naar Italiaans recht mag slechts architectenwerkzaamheden verrichten indien de vennootschap is opgericht in overeenstemming met de Italiaanse Wet nr. 183/2010. Dit laatste is niet het geval. Gevolg daarvan is dat overeenkomst 1 nietig is en C14 geen aanspraak kan maken op vergoeding van architectenwerkzaamheden. C14 dient daar om het door [eiseres 2] reeds aan haar betaalde bedrag van € 126.630,92 terug te betalen.

4. Het geschil en de beoordeling daarvan in het eerste (door Pedrioni opgeworpen) bevoegdheidsincident

4.1.

[gedaagde 2] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagde 2] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

  • -

    De vorderingen van [eiseres 2] jegens [gedaagde 2] zijn gebaseerd op onrechtmatige daad. Het vermeende schadebrengende feit (met name het handelen van [gedaagde 2] (en [gedaagde 3] ) als bestuurders van Blue Milano) heeft zich voorgedaan in Italië, waar Blue Milano haar zetel heeft. [gedaagde 2] verwijst naar het arrest van het Europese Hof van Justitie (HvJEU) van 10 september 2015 in de zaak C-47/14 (Ferho/Spies von Büllesheim). [gedaagde 2] heeft zijn functies als bestuurder van Blue Milano verricht in Italië, de zetel van Blue Milano. Daarom kan de bevoegdheid van de Nederlandse rechter niet op basis van artikel 7 lid 3 Herschikte EEX-Vo ontstaan. Dat [eiseres 2] vanwege de vermeende onrechtmatige daad van [gedaagde 2] economische schade stelt te hebben geleden in Nederland is onvoldoende om de bevoegdheid van de Nederlandse rechter te rechtvaardigen. [gedaagde 2] verwijst naar het arrest van het HvJEU van 16 juni 2016 in de zaak C-12/15 (Universal Music/Schilling c.s.)

  • -

    De door [eiseres 2] als onrechtmatig beschouwde handelingen van [gedaagde 2] (voor zover aanwezig) zijn in Italië strafbaar. Op basis van artikel 7 lid 1 sub 3 Herschikte EEX-Vo is de Italiaanse rechter degene die kennis kan nemen van een vordering tot vergoeding van schade als gevolg van het strafbare feit. Het voorgaande leidt ertoe dat de bevoegdheid van de Nederlandse rechter geen basis kan vinden in artikel 7 Herschikte EEX-Vo.

- Op grond van artikel 24 Herschikte EEX-Vo is de Italiaanse rechter exclusief bevoegd. [eiseres 2] stelt immers: “Indien de schulden de in de vennootschap aanwezige baten overtreffen, dan dient overigens ook in Italië het faillissement van de vennootschap te worden aangevraagd. Het is het bestuur alsdan niet toegestaan om een besluit tot liquidatie te nemen”. Deze stelling betekent dat [gedaagde 2] , als bestuurder van Blue Milano, in de ogen van [eiseres 2] een ongeldig besluit zou hebben genomen. Artikel 24 Herschikte EEX-Vo bepaalt het volgende: “Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd: …

2. voor de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen met een plaats van vestiging in een lidstaat, dan wel van de besluiten van hun organen: de gerechten van die lidstaat. …” Op basis van die bepaling kan slechts de Italiaanse rechter als rechter van de plaats van vestiging van Blue Milano, kennis nemen van een vordering die de geldigheid (en de gevolgen van de mogelijke ongeldigheid, zoals de schade die daaruit voortvloeit) van een besluit van het bestuur van een vennootschap betreft.

- Nu Blue Milano failliet is verklaard en de handelingen op basis waarvan [eiseres 2] [gedaagde 2] aanspreekt door [gedaagde 2] als bestuurder van Blue Milano zijn verricht en (tevens) schade aan (het vermogen van) de failliete vennootschap hebben veroorzaakt, meent [gedaagde 2] dat mogelijke schadevorderingen die op die handelingen gebaseerd zijn vallen onder artikel 3 lid 1, van Verordening 1346/2000 (Insolventieverordening). Op basis van artikel 24 van de Italiaanse Faillissementswet is de rechtbank die het faillissement heeft uitgesproken bevoegd om kennis te nemen van alle vorderingen die uit het faillissement voortvloeien. [gedaagde 2] verwijst naar de arresten van het HvJEU van 4 december 2014, zaak C-295/13 en van 10 december 2015, zaak C-594/14. Volgens [gedaagde 2] blijkt uit die arresten dat alle vorderingen die crediteuren van de failliete vennootschap tegen bestuurders van die vennootschap zouden kunnen instellen wegens hun handelingen als bestuurders, als vorderingen in nauw verband met de insolventieprocedure moeten worden beschouwd. Zij hebben immers als doel het vermogen van de vennootschap en de paritas creditorum te beschermen.

- De bevoegdheid van de Nederlandse rechter kan geen steun kan vinden in artikel 8 Herschikte EEX-Vo. De samenhang met de vorderingen jegens de andere gedaagden is niet zodanig dat er geen risico is dat een beslissing jegens deze gedaagden onverenigbaar zou kunnen zijn met een beslissing in Italië tegen [gedaagde 2] .

4.2.

[eiseres 2] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

4.3.1.

De hoofdregel, neergelegd in artikel 4 Herschikte EEX-Vo, is dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Daaraan is in het onderhavige geval niet voldaan. [gedaagde 2] is immers woonachtig in Italië. Derhalve moet onderzocht worden of de Nederlandse rechter op andere grond bevoegdheid kan ontlenen aan de Herschikte EEX-Vo.

4.3.2.

Ingevolge artikel 7 lid 2 van de Herschikte EEX-Vo kan een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een EU-lidstaat ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad ook worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Conform de jurisprudentie van het HvJEU moet onder de uitdrukking ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ worden verstaan dat deze zowel doelt op de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort), als op de plaats van de veroorzakende gebeurtenis die aan de schade ten grondslag ligt (Handlungsort) en kan de verweerder, ter keuze van de eiser, voor de rechter van de ene dan wel van de andere plaats worden opgeroepen. Volgens vaste rechtspraak berust de bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 op het bestaan van een bijzonder nauw verband tussen de vordering en de gerechten van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen, op grond waarvan het om redenen verband houdend met een goede rechtsbedeling en nuttige procesinrichting gerechtvaardigd is dat deze laatste bevoegd zijn. Ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad is het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich dreigt voor te doen immers normaliter het best in staat om uitspraak te doen, vooral omdat de afstand geringer is en de bewijsvoering gemakkelijker. (HvJEU 21 mei 2015, C-352/13 (CDC Hydrogen Peroxide). Het begrip ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ mag niet zo ruim worden uitgelegd dat het iedere plaats omvat waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. Het is aan de rechtbank om aan de hand van de feitelijke omstandigheden van de zaak het aanknopingspunt te bepalen dat het nauwst verband houdt met de plaats van de gebeurtenis die met de schade in een oorzakelijk verband staat en met de plaats waar de schade is ingetreden. (HvJEU 10 september 2015, C-47/14 (Ferho/Spies von Büllesheim). Naar het oordeel van de rechtbank is Valkenswaard de plaats waar de schade van het door [eiseres 2] gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 2] is ingetreden. Het mag zo zijn dat [gedaagde 2] zijn functie als bestuurder van Blue Milano heeft verricht ter plaatse van de zetel van Blue Milano te Italië, dat betekent niet dat de initiële schade daar is ingetreden. Uit de stellingen van [gedaagde 2] volgt ook niet dat sprake is van reeds elders ingetreden initiële schade. De schade heeft zich, zoals [eiseres 2] terecht aanvoert, concreet voorgedaan in het stadion, dat is gelegen te Valkenswaard. Er is geen sprake van schade die reeds elders daadwerkelijk is ingetreden.

4.3.3.

[eiseres 2] betoogt terecht dat het bepaalde in artikel 7 lid 3 Herschikte EEX-Vo niet van toepassing is. Die bepaling is immers geschreven voor zaken waarin strafvervolging is ingesteld. Gesteld noch gebleken is dat er tegen [gedaagde 2] strafvervolging is ingesteld in verband met het hem door [eiseres 2] verweten onrechtmatige handelen. Het door [gedaagde 2] gedane beroep op deze bepaling gaat dan ook niet op.

4.3.4.

Artikel 24 van de Herschikte EEX-Vo is naar het oordeel van de rechtbank evenmin van toepassing. De vorderingen van [eiseres 2] jegens [gedaagde 2] zien immers niet op de geldigheid van het besluit tot liquidatie van Blue Milano, zoals [eiseres 2] terecht aanvoert.

4.3.5.

Met betrekking tot het door [gedaagde 2] gedane beroep op artikel 3 Verordening 1346/2000 (Insolventieverordening) overweegt de rechtbank het volgende.

Om te bepalen onder welk gebied een vordering als de onderhavige valt, moet worden nagegaan of het recht of de verbintenis waarop de vordering is gebaseerd voortvloeit uit de gemeenschappelijke regels van het burgerlijk recht en het handelsrecht dan wel uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures (arrest Nickel & Goeldner Spedition, EU:C:2014:2145). Anders dan in de zaken C-295/13 en C-594/14 betreffen de vorderingen van [eiseres 2] jegens [gedaagde 2] geen vorderingen die geldend worden gemaakt in een insolventieprocedure. De verbintenis waarop [eiseres 2] de vordering baseert vloeit evenmin voort uit specifieke afwijkende regels voor insolventieprocedures. Of [gedaagde 2] onrechtmatig heeft gehandeld dient daarentegen te worden beoordeeld naar burgerlijk recht. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 3 lid 1 van de Insolventieverordening dan ook niet van toepassing.

4.4.

De conclusie is dat deze rechtbank op grond van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen jegens [gedaagde 2] en dat de incidentele vordering van [gedaagde 2] moet worden afgewezen.

4.5.

[gedaagde 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5. Het geschil en de beoordeling daarvan in het tweede (door C14 opgeworpen) bevoegdheidsincident

5.1.

C14 vordert primair dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Subsidiair vordert C14 dat de rechtbank de procedure op de voet van het bepaalde in artikel 31 lid 2 van den Herschikte EEX-Vo aanhoudt totdat de rechtbank in Milaan verklaart geen bevoegdheid te ontlenen aan overeenkomst 1.

C14 legt aan haar primaire vordering het volgende ten grondslag.

In artikel 16.4 van overeenkomst 1 is een forumkeuze opgenomen, inhoudend dat de rechter te Milaan uitsluitende bevoegdheid heeft. Anders dan [eiseres 2] betoogt is de overeenkomst niet nietig. In haar redenering gaat [eiseres 2] er ten onrechte van uit dat de werkzaamheden van C14 architectenwerkzaamheden waren. C14 heeft echter enkel het interieur van delen van de [eiseres 2] International Arena ontworpen. Dat is geen architectenwerk. C14 verwijst naar de door haar als productie 1 overgelegde ‘legal opinion’ van [naam 2] .

Zelfs als de overeenkomst nietig zou zijn, is de forumkeuze geldig. Dat volgt uit artikel 25 lid 5 Herschikte EEX-Vo. Uit artikel 25 lid 1 van de Herschikte EEX-Vo volgt dat dit hooguit anders is wanneer de forumkeuze zelf nietig is wat haar materiële geldigheid betreft volgens het recht van de lidstaat waar zich de als bevoegd aangewezen rechter bevindt. Daarvan is echter geen sprake.

Voor zover [eiseres 2] zou willen betogen dat de Nederlandse rechter bij gebreke van een forumkeuze internationale rechtsmacht kan ontlenen aan het bepaalde in artikel 8 van de Herschikte EEX-Vo, wijst C14 erop dat de daarvoor noodzakelijke nauwe band tussen de vorderingen tegen Blue Milano en die tegen C14 ontbreekt.

C14 legt aan haar subsidiaire vordering het volgende ten grondslag.

C14 is zelf bij de rechtbank in Milaan een procedure begonnen om een verklaring voor recht te verkrijgen op het punt van de geldigheid van overeenkomst 1 en het ontbreken van aansprakelijkheid voor eventuele tekortkomingen van Blue Milano. Gelet op het bepaalde in artikel 31 lid 2 van de Herschikte EEX-Vo betekent dit dat de Nederlandse rechter zich hoe dan ook voorlopig niet zal kunnen buigen over de door [eiseres 2] tegen C14 ingestelde vorderingen.

5.2.

[eiseres 2] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

5.3.1.

Ook nu geldt weer de hoofdregel dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Daaraan is in het onderhavige geval niet voldaan. C14 is immers gevestigd in Italië. Derhalve moet onderzocht worden of de Nederlandse rechter op andere grond bevoegdheid kan ontlenen aan de Herschikte EEX-Vo.

5.3.2.

[eiseres 2] heeft zich in haar dagvaarding op het standpunt gesteld dat deze rechtbank bevoegd is op grond van artikel 7 onder a) en b) Herschikte EEX-Vo, nu ten aanzien van C14 sprake is van een verbintenis uit overeenkomst. Vast staat echter dat in overeenkomst 1 het volgende forumkeuzebeding is opgenomen: “The Court of Milan shall have sole jurisdiction over any dispute or litigation.” [eiseres 2] betwist dat dit forumkeuzebeding geldig is overeengekomen. Volgens [eiseres 2] heeft C14 uit hoofde van overeenkomst 1 architectenwerkzaamheden verricht, terwijl zij niet bevoegd was dergelijke werkzaamheden te verrichten. Weliswaar betwist C14 dat zij architectenwerkzaamheden heeft verricht, maar dat standpunt is volgens [eiseres 2] onjuist. [eiseres 2] verwijst naar de door haar als productie 42 overgelegde legal opinion van prof. Schiano di Pepe en prof. Afferni. Uit die legal opinion blijkt volgens [eiseres 2] dat overeenkomst 1, daar waar het de architectenwerkzaamheden betreft, in strijd is met de Italiaanse rechtsorde. [eiseres 2] stelt zich op het standpunt dat overeenkomst 1 daarom nietig is en dat op grond van artikel 25 lid 1 Herschikte EEX-Vo de bevoegdheid van de aangewezen rechter is vervallen. De nietigheid van de overeenkomst heeft volgens [eiseres 2] ‘ex tunc’ werking. Daaruit volgt volgens [eiseres 2] dat er nooit overeenstemming over de forumkeuze heeft bestaan.

De rechtbank verwerpt het betoog van [eiseres 2] dat de forumkeuze ongeldig is omdat overeenkomst 1 nietig zou zijn. Artikel 25 lid 5 Herschikte EEX-Vo bepaalt dat een beding tot aanwijzing van een bevoegd gerecht dat deel uitmaakt van een overeenkomst (zoals in het onderhavige geval) aangemerkt wordt als een beding dat los staat van de overige bepalingen van de overeenkomst en dat de geldigheid van het forumkeuzebeding niet kan worden bestreden op grond van het enkele feit dat de overeenkomst niet geldig is.

Of het forumkeuzebeding geldig is, dient dus afzonderlijk van de geldigheid van de overeenkomst te worden beoordeeld en wel naar Italiaans recht, zo volgt uit het door [eiseres 2] genoemde lid 1 van artikel 25 Herschikte EEX-Vo.

5.3.3.

[eiseres 2] voert met betrekking tot de geldigheid van het forumkeuzebeding aan dat de door C14 opgestelde overeenkomst 1 op vele punten bijzonder onduidelijk is en dat mogelijke onduidelijkheden/tegenstrijdigheden in het nadeel van C14 dienen te worden uitgelegd. De uitleg van de contractuele verhouding tussen [eiseres 2] en C14 mag volgens [eiseres 2] niet meebrengen dat de rechter in Milaan uitsluitend bevoegd is. Daar was volgens [eiseres 2] haar wil niet opgericht zodat de wilsovereenstemming tussen partijen ten aanzien van de forumkeuze ontbreekt c.q. moet worden geacht te ontbreken.

Naar het oordeel van de rechtbank is het forumkeuzebeding niet onduidelijk, zoals hierna onder 5.3.4. nog nader zal worden overwogen. [eiseres 2] voert geen feiten of omstandigheden aan die ertoe zouden kunnen leiden dat C14 had moeten of kunnen begrijpen dat de wil van [eiseres 2] ten aanzien van het forumkeuzebeding ontbrak. Er is dan ook noch naar Nederlands recht noch, naar mag worden aangenomen, naar Italiaans recht sprake van een ongeldig forumkeuzebeding.

5.3.4.

Volgens [eiseres 2] is de vraag of het forumkeuzebeding een exclusief karakter heeft een kwestie van uitleg, waarbij alle omstandigheden van het geval en alles hetgeen partijen over en weer hebben verklaard en redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten een rol spelen. [eiseres 2] verwijst hierbij naar HR 9 november 2012, NJ 2012/638, waarbij de vraag of sprake was van exclusiviteit van een forumkeuzebeding diende te worden uitgelegd naar Russisch recht. In de onderhavige kwestie dient de vraag hoe het forumkeuzebeding moet worden uitgelegd te worden beoordeeld aan de hand van de Herschikte EEX-Vo. Artikel 25 lid 1 Herschikte EEX-Vo bepaalt dat de overeengekomen bevoegdheid exclusief is, tenzij partijen iets anders zijn overeengekomen. Partijen zijn in overeenkomst 1 niet iets anders overeengekomen. Integendeel, uit de bewoordingen van het onderhavige forumkeuzebeding zelf blijkt dat partijen exclusieve bevoegdheid van de rechter te Milaan hebben bedoeld. ‘Sole jurisdiction’ betekent immers ‘exclusieve rechtsmacht’. [eiseres 2] stelt niets op grond waarvan deze bewoordingen anders zouden moeten worden uitgelegd. Dat betekent dat alleen de rechter te Milaan bevoegd is en dat alle andere rechters, waaronder deze rechtbank zijn uitgesloten om kennis te nemen van de uit overeenkomst 1 voortvloeiende geschillen. Dit betekent ook dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan de Herschikte EEX-Vo.

5.4.

De conclusie is dat de incidentele vordering van C14 moet worden toegewezen en de rechtbank zich onbevoegd moet verklaren om kennis te nemen van de vorderingen jegens C14.

5.5.

[eiseres 2] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het incident. Daarnaast zal zij worden veroordeeld in de proceskosten in de hoofdzaak jegens C14, nu zij nodeloos kosten heeft veroorzaakt door die hoofdzaak bij de verkeerde rechter aanhangig te maken. De kosten aan de zijde van C14 in de hoofdzaak worden begroot op € 3.903,00 griffierecht.

6. Het geschil en de beoordeling daarvan in het derde (door [gedaagde 4] opgeworpen) bevoegdheidsincident

6.1.

[gedaagde 4] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [gedaagde 4] legt aan haar vordering het volgende ten grondslag.

[eiseres 2] baseert de bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant op artikel 7 van de Herschikte EEX-Vo. Het betreft in dat artikel een bijzondere bevoegdheid ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst. Tussen [gedaagde 4] en [eiseres 2] bestaat echter geen contractuele relatie, zodat artikel 7 lid 1 en 2 toepassing mist. Evenmin is sprake van een exclusieve bevoegdheid ex artikel 24 of een forumkeuze als bedoeld in artikel 25 Herschikte EEX-Vo. Ten aanzien van het vermeende onrechtmatige handelen door [gedaagde 4] baseert [eiseres 2] de bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant op lid 3 van artikel 7. Nu [eiseres 2] daarbij spreekt over het schadebrengende feit neemt [gedaagde 4] aan dat [eiseres 2] lid 2 van artikel 7 bedoelt. Alleen de schade die het rechtstreekse gevolg is van het schadebrengende feit vormt een grondslag voor internationale bevoegdheid van de rechter. Het Erfolgsort omvat niet iedere plaats waar de schadelijke gevolgen voelbaar zijn van een feit dat reeds elders daadwerkelijk ingetreden schade heeft veroorzaakt. De bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo mag niet verder worden uitgebreid met toekenning van bevoegdheid aan de rechter van de plaats waar door de eisende partij indirecte vermogensschade wordt geleden. Er is geen sprake van initiële schade, maar van indirecte vermogensschade voor [eiseres 2] . Artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo mist daarom toepassing. De bevoegdheid van de rechtbank Oost-Brabant dient derhalve te worden vastgesteld op grond van de hoofdregel neergelegd in artikel 4 van de Herschikte EEX-Vo. Die bevoegdheidsregel geeft aan dat in casu de Italiaanse rechter bevoegd is.

6.2.

[eiseres 2] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

6.3.

De rechtbank overweegt als volgt.

6.3.1.

Ook nu geldt weer de hoofdregel dat zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat opgeroepen worden voor de gerechten van die lidstaat. Daaraan is in het onderhavige geval niet voldaan. [gedaagde 4] is immers gevestigd in Italië. Derhalve moet onderzocht worden of de Nederlandse rechter op andere grond bevoegdheid kan ontlenen aan de Herschikte EEX-Vo.

6.3.2.

De beantwoording van de vraag of er wel of niet een contractuele relatie tot stand is gekomen tussen [eiseres 2] en [gedaagde 4] , zoals [eiseres 2] stelt, maar [gedaagde 4] betwist, zal dienen plaats te vinden in de hoofdzaak. Voor de beoordeling van de vraag of deze rechtbank bevoegd is is het antwoord op die vraag niet relevant. Er veronderstellenderwijs van uitgaand dat sprake is van een overeenkomst zoals door [eiseres 2] gesteld, dient de levering van de panelen plaats te vinden te Valkenswaard. Dit is door [gedaagde 4] niet betwist. Gelet op het bepaalde in artikel 7 lid 1 onder b Herschikte EEX-Vo is de rechtbank Oost-Brabant bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van [eiseres 2] jegens [gedaagde 4] voor zover deze vorderingen hun grondslag vinden in de gestelde overeenkomst.

6.3.3.

Voor wat betreft het gestelde onrechtmatig handelen van [gedaagde 4] ontleent de rechtbank Oost-Brabant haar bevoegdheid aan artikel 7 lid 2 Herschikte EEX-Vo. De rechtbank verwijst hieromtrent naar hetgeen zij hiervoor onder 4.3.2. heeft overwogen met betrekking tot de ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ en ‘de plaats waar de schade is ingetreden’. De schade heeft zich, zoals [eiseres 2] terecht aanvoert, concreet voorgedaan in het stadion, dat is gelegen te Valkenswaard. Uit de stellingen van [gedaagde 4] volgt niet dat sprake is van elders ingetreden initiële schade.

6.4.

De conclusie is dat deze rechtbank op grond van artikel 7 lid 1 en 2 Herschikte EEX-Vo bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen jegens [gedaagde 4] en dat de incidentele vordering van [gedaagde 4] moet worden afgewezen.

6.5.

[gedaagde 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

7 De beslissing

De rechtbank

in het eerste (door [gedaagde 2] opgeworpen) bevoegdheidsincident

7.1.

wijst het gevorderde af,

7.2.

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres 2] tot op heden begroot op € 452,00,

7.3.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.4.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 mei 2017 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 2] ,

in het tweede (door C14 opgeworpen) bevoegdheidsincident

7.5.

verklaart zich onbevoegd van de vorderingen in de hoofdzaak jegens C14 kennis te nemen,

7.6.

veroordeelt [eiseres 2] in de kosten van het incident, aan de zijde van C14 tot op heden begroot op € 452,00,

7.7.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.8.

veroordeelt [eiseres 2] in de proceskosten, aan de zijde van C14 tot op heden begroot op € 3.903,00,

7.9.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in het derde (door [gedaagde 4] opgeworpen) bevoegdheidsincident

7.10.

wijst het gevorderde af,

7.11.

veroordeelt [gedaagde 4] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiseres 2] tot op heden begroot op € 452,00,

7.12.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

7.13.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 10 mei 2017 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde 4] .

in de hoofdzaak ten aanzien van Blue Milano

7.14.

verleent aan [eiseres 2] een termijn van drie maanden om de dagvaarding alsnog op juiste wijze aan Blue Milano te betekenen.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 29 maart 2017.