Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1714

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
24-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
SHE 17/762
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Woningsluiting 13b Opiumwet. Handelshoeveelheid harddrugs aangetroffen. Geen aanleiding om in afwijking van beleid met waarschuwing te volstaan. Verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/762

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. R.J. Laatsman),

en

de burgemeester van de gemeente Bernheze, verweerder

(gemachtigden: R. van Leeuwen, M.H.M. van Rijbroek en C. Fleuren).

Procesverloop

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder gelast dat de woning aan de [adres] (hierna: de woning) voor de duur van drie maanden wordt gesloten met ingang van 27 maart 2017 tot en met 27 juni 2017.

Verzoeker heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2017. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Verzoeker is huurder van de woning. Op 2 november 2016 is door de politie Oost Brabant, district 's-Hertogenbosch, team Maasland, op ambtseed een bestuurlijke rapportage opgemaakt. Daarin is het volgende opgenomen:

“Op dinsdag 1 november 2016 is de bewoner van perceel [adres] in de woning aangehouden omdat uit onderzoek vast was komen te staan dat deze persoon genaamd [verzoeker] gebruik zou maken van een telefoon die eerder dit jaar was weggenomen bij een woninginbraak in [plaatsnaam] .

In de woning roken de verbalisanten dat een penetrante henneplucht. Ze zagen dat op de salontafel in de kamer twee gripzakje met daarin een gebruikershoeveelheid hennep liggen.

Hierop hebben ze de uitlevering gevorderd van alle in de woning aanwezige drugs.

(…)

Het aanwezige poeder op bord is positief getest op cocaïne en had een netto gewicht van 5,5 gram. Het aangetroffen poeder in de gripzakjes is positief getest op cocaïne en hadden ieder een netto gewicht van 0,5 gram.

De vier doorzichtige zakje met versnijdingsmiddel hadden een totaal netto gewicht van 111,2 gram.

De inhoud van de twee aangetroffen gripzakjes op salontafel kamer alsmede de inhoud van de plastic zakje onder de TV zijn positief getest op hennep en hadden gezamenlijk een netto gewicht van 7 gram.

Ook de inhoud van de zaak buitenweed is positief getest op hennep en had een gewicht van netto 3,6 gram.

Mij rapporteur was als wijkagent bekend dat er in het verleden meer klachten uit de buurt zijn geweest van het mogelijk dealen van drugs door [verzoeker]. Ook waren er klachten uit de buurt over het feit dat er regelmatig overlast was van personen die korte tijd een bezoekje brachten aan de woning [adres] .

(…)

Gezien de totale hoeveelheid drugs waaronder 4 kant en klare gebruikers hoeveelheden, de aanwezigheid van versnijdingsmiddel en de aanwezigheid van ongebruikte snowseals en gripzakje is het aan te nemen dat de drugs niet voor eigen gebruik bestemd waren maar voor de verkoop.

Een klant heeft inmiddels ook verklaard dat hij regelmatig softdrugs bij [verzoeker] had gekocht.(…)”

Naar aanleiding van de bestuurlijke rapportage heeft verweerder bij brief van 23 december 2016 aan verzoeker het voornemen kenbaar gemaakt de woning gedurende drie maanden te sluiten.

Op 10 januari 2017 heeft verzoeker een zienswijze ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het 'Beleid inzake bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet gemeente Bernheze' (het beleid). Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat hij bevoegd was tot sluiting van de woning over te gaan, omdat uit de rapportage blijkt dat een handelshoeveelheid harddrugs is aangetroffen. In reactie op de zienswijze heeft verweerder vermeld dat de politie in de rapportage op ambtseed heeft verklaard dat een klant van verzoeker heeft aangegeven zijn softdrugs bij verzoeker te kopen. Verder heeft verweerder zich gebaseerd op de verklaring van de politie dat er in het verleden meer klachten uit de buurt zijn geweest over mogelijke drugshandel door verzoeker en over het feit dat er regelmatig overlast was van personen die korte tijd een bezoek brachten aan verzoekers woning. Het belang van verzoeker weegt volgens verweerder minder zwaar dan het belang van de openbare orde.

3. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

4. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoeker bij het treffen van de gevraagde voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

5. Verzoeker heeft aangevoerd dat verweerder in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel niet of onvoldoende de belangen van verzoeker heeft meegewogen. Daarbij heeft verzoeker erop gewezen dat hij geen drugshandelaar is. Hij had de drugs alleen in huis omdat hij zelf gebruikt. Verzoeker is op zijn twaalfde uit huis gezet door zijn ouders en lijdt nog steeds onder de gebeurtenissen die hij in zijn leven heeft meegemaakt. Hij probeert zijn mentale pijn te verzachten door verdovende middelen te gebruiken. Verzoeker is op zoek naar een baan, maar dat is tot op heden niet gelukt. Hij heeft zich inmiddels gemeld bij Novadic. Sluiting van de woning zal ontegenzeglijk tot gevolg hebben dat de huurovereenkomst tussen verzoeker en de woningbouwcorporatie buitengerechtelijk kan worden ontbonden. Dit zal betekenen dat verzoeker op straat komt te staan dan wel in het Verdihuis belandt. Verzoeker doet een beroep op de hardheidsclausule en verzoekt te volstaan met een waarschuwing.

6. Niet in geschil is dat in de woning een hoeveelheid harddrugs van 6,5 gram, 111,2 gram versnijdingsmiddel, 7 gram hennep en 3,6 gram buitenweed is aangetroffen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan de hoeveelheid van de in een pand aanwezige drugs indiceren dat ze voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn en dat artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van toepassing is (bijvoorbeeld de uitspraak van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1764). Om dat te beoordelen, kan in redelijkheid worden aangesloten bij de door het Openbaar Ministerie toegepaste criteria, waarbij een hoeveelheid harddrugs van maximaal 0,5 gram als hoeveelheid voor eigen gebruik wordt aangemerkt. Bij de aanwezigheid van een hoeveelheid drugs die groter is dan een hoeveelheid voor eigen gebruik is in beginsel aannemelijk dat die drugs bestemd zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Het ligt in dat geval op de weg van de rechthebbende op het pand om het tegendeel aannemelijk te maken. Als het tegendeel niet aannemelijk wordt gemaakt, is de burgemeester ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bevoegd om ten aanzien van het pand een last onder bestuursdwang op te leggen.

7. De rechtbank is van oordeel dat verzoeker met zijn verklaringen ter zitting het tegendeel niet aannemelijk heeft gemaakt. Verzoeker heeft verklaard dat hij de drugs in beheer had en van plan was om de drugs (al dan niet in versneden vorm) aan zijn vrienden te verstrekken om het behalen van zijn rijbewijs te vieren. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 maart 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:950) is de rechtbank van oordeel dat verzoeker met de verklaring dat hij de drugs in huiselijke kring met vrienden wilde nuttigen, heeft erkend dat de drugs aanwezig waren om in de woning te verstrekken. Verweerder heeft gelet hierop al aannemelijk kunnen achten dat de aangetroffen drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd waren.

8. Bovendien mocht verweerder volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder meer de uitspraak van 17 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7701), uitgaan van de juistheid van de op ambtseed opgemaakte bestuurlijke rapportage. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanwijzing dat de bestuurlijke rapportage op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen, dan wel dat deze onjuiste feiten bevat. De enkele ontkenning van verzoeker dat hij niet in drugs heeft gehandeld, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de inhoud van de rapportage. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat hij in beginsel heeft mogen uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage. Gelet hierop was verweerder dus bevoegd om tot sluiting van de woning over te gaan.

9. Over de stelling van verzoeker dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van de hardheidsclausule overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

10. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet blijkt dat verweerder bij

de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Daarom mag de rechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder slechts met enige terughoudendheid toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang (vergelijk de uitspraak van 5 november 2014 van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2014:3941).

11. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners is bij de invulling die verweerder in dat geval geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet van groot belang dat het uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

12. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in overeenstemming met zijn beleid heeft besloten de woning voor de duur van drie maanden te sluiten. In hoofdstuk 6 van dat beleid is de afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht opgenomen. Bepaald is dat verweerder kan afwijken van het beleid indien handelen overeenkomstig dat beleid gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen.

13. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de door verzoeker als bijzonder aangeduide omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het beleid. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet kon worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel of een sluiting van minder dan drie maanden. Verweerder heeft de belangen van verzoeker meegewogen en hem de gelegenheid gegeven andere woonruimte te zoeken door een begunstigingstermijn van ruim vijf weken te geven. Daarbij is van belang dat verzoeker zelf heeft aangegeven dat hij in het uiterste geval gebruik kan maken van de noodopvang in het Verdihuis. Hiermee zijn de belangen van verzoeker voldoende meegewogen. Daarnaast heeft verweerder in het verweerschrift kunnen stellen dat verzoeker zich had moeten realiseren dat hij zijn woning zou moeten verlaten, niet alleen op grond van het door verweerder gehanteerde beleid, maar ook op grond van de bepalingen in de huurovereenkomst. Het verhandelen van drugs leidt tot loop van- en naar de woning waardoor onrust in de woonomgeving ontstaat. Om die reden heeft verweerder op grond van artikel 13b van de Opiumwet het pand mogen sluiten om de bekendheid van het pand als drugspand teniet te doen.

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening daarom af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. Dworakowski - Kelders, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.E. van Langen - Wouda, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.