Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:168

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
18-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
C/01/293284 / HA ZA 15-320
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Letselschade. Begroting van de schade na mishandeling in de hoofdzaak. Hoofdelijke aansprakelijkheid van gedaagden. Beoordeling van de onderlinge verhouding van ieders bijdrage in de schadevergoeding in vrijwaring. De ene gedaagde heeft door het uitdelen van de eerste klap de aanzet gegeven tot een vechtpartij. De andere gedaagde heeft het grootste aandeel gehad in de schadeoorzaak door het slachtoffer te schoppen terwijl dat weerloos op de grond lag. De onderlinge vergoedingsplicht is vastgesteld op 10% tegenover 90%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/338
PS-Updates.nl 2017-0108
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 18 januari 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/01/293284 / HA ZA 15-320 van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. F.J. Straathof te 's-Hertogenbosch,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.M.M. Rohof te Nijmegen,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. L.P.M. van Erp te Oss,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/01/301246 / HA ZA 15-800 van

[gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. L.M.M. Rohof te Nijmegen,

tegen

[gedaagde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. L.P.M. van Erp te Oss.

Partijen zullen hierna [eiser] , [gedaagde 1] en [gedaagde 2] genoemd worden.

1 De procedure in de hoofdzaak

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 14 september 2016

  • -

    de akte overleggen NRL-berekening en gegevens betreffende WAO-uitkering van [eiser] van 28 september 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 1] van 12 oktober 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 2] van 12 oktober 2016

  • -

    de akte overleggen pro forma salarisstroken van [eiser] van 9 november 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 1] van 23 november 2016

  • -

    de antwoordakte van [gedaagde 2] van 23 november 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de vrijwaringszaak

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 14 september 2016.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De verdere beoordeling

in de hoofdzaak

3.1.

Bij vonnis van 14 september 2016 is onder 5.8.10 overwogen dat in beginsel kan worden uitgegaan van de NRL-berekening die door [eiser] in het geding is gebracht. Deze NRL-berekening diende echter te worden aangepast omdat de rechtbank had overwogen dat de kans van 10% op een salaris als operator 5 zich pas 7 ½ jaar na de mishandeling zou kunnen voordoen. Bovendien diende [eiser] inzicht te verschaffen in zijn WAO-uitkering voor zover hij die na 1 januari 2013 zou hebben ontvangen. [eiser] is in de gelegenheid gesteld bij akte een aangepaste NRL-berekening in het geding te brengen, onder bijvoeging van de gegevens betreffende zijn WAO-uitkering. [eiser] heeft daarop bij akte overleggen NRL-berekening en gegevens betreffende WAO-uitkering, twee NRL-berekeningen, twee bruto-netto berekeningen en een aantal brieven van het UWV in het geding gebracht. Bij akte overleggen pro forma salarisstroken heeft [eiser] drie pro forma salarisberekeningen en twee NRL-berekeningen in het geding gebracht.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij antwoordaktes gereageerd op de nadere producties van [eiser] .

3.2.

De brieven van het UWV die [eiser] in het geding heeft gebracht zien op de periode vanaf 1 juli 2013. Uit die gegevens volgt dat [eiser] over de periode vanaf 1 juli 2013 geen WAO-uitkering heeft ontvangen en ook in de toekomst niet zal ontvangen gelet op de hoogte van zijn inkomsten uit arbeid. Bij de bepaling van de inkomensschade van [eiser] vanaf 1 juli 2013 zullen daarom geen WAO-aanspraken van [eiser] in aanmerking worden genomen. Over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2013 heeft [eiser] geen gegevens van zijn WAO-uitkering in het geding gebracht. [eiser] heeft niet nader gesteld dat hij over deze periode geen WAO-uitkering heeft ontvangen en hij heeft, in aanmerking nemende zijn verklaring ter comparitie dat het UWV zijn inkomen heeft aangevuld, onvoldoende onderbouwd dat hij over deze periode inkomensschade heeft geleden. Voor zover de vordering van [eiser] ziet op vergoeding van inkomensschade over de periode van 1 januari 2013 tot 1 juli 2013 zal deze worden afgewezen.

3.3.

Tegen de wijze waarop in de nadere NRL-berekeningen is verwerkt dat [eiser] zonder mishandeling gedurende 7 ½ jaar na 19 februari 2011 een salaris als operator level 4 zou hebben ontvangen en dat er daarna een 10% kans zou zijn dat [eiser] een salaris als operator level 5 zou ontvangen, is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen verweer gevoerd. [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben bij hun antwoordaktes van 12 oktober 2016 de door [eiser] in het geding gebrachte bruto-netto berekeningen betwist en in verband daarmee gesteld dat [eiser] van zijn werkgever pro formasalarisberekeningen had moeten vragen. Nadat [eiser] vervolgens de door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gevraagde pro formasalarisberekeningen in het geding had gebracht hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesteld dat het nog steeds niet mogelijk is om de daadwerkelijke loonschade van [eiser] te berekenen en dat [eiser] heeft verzuimd om recente salarisspecificaties te overleggen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om terug te komen op haar oordeel dat in beginsel van de NRL-berekening kan worden uitgegaan. Het nadere verweer van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tegen de uitgangspunten voor de NRL-berekening is tardief en bovendien hebben zij de NRL-berekeningen niet voldoende onderbouwd weerlegd. In de NRL-berekening die [eiser] als productie 20 in het geding heeft gebracht, is voor wat betreft hetgeen bij de bepaling van het salaris in aanmerking moet worden genomen blijkens eerdergenoemde pro formasalarisberekeningen van andere bedragen uitgegaan dan in de NRL-berekening bij dagvaarding. Nu de afwijkende salarisberekening in productie 20 van [eiser] in het voordeel is van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , ziet de rechtbank geen aanleiding om niet van die NRL-berekening uit te gaan bij de bepaling van de inkomensschade van [eiser] . In productie 20 is inkomensschade vanaf 1 juli 2013 in aanmerking is genomen op de wijze zoals door de rechtbank bepaald. Daarom zal voor de vaststelling van de inkomensschade van [eiser] van die berekening worden uitgegaan. De inkomensschade van [eiser] wordt vastgesteld op € 73.512,00.

3.4.

Gelet op het voorgaande en hetgeen bij vonnis van 14 september 2016 is overwogen, worden in de relatie tussen [eiser] en [gedaagde 1] de volgende schadeposten in aanmerking genomen: € 1.531,99 (beschadigde en in beslag genomen kleding, vonnis 14 september 2016 onder 5.5.2 ), € 163,76 (telefoon- en portokosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.6.1), € 320,00 ziekenhuisdaggeldvergoeding (vonnis 14 september 2016 onder 5.7.1), € 73.512,00 (verlies aan arbeidsvermogen, hierboven onder 3.3), € 3.150,00 (persoonlijke verzorging, vonnis 14 september 2016 onder 5.10.4), € 162,24 (reis- en parkeerkosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.11.1), € 2.776,99 (niet-verzekerde medische kosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.12.4), € 225,00 (verlies zelfwerkzaamheid, vonnis 14 september 2016 onder 5.13.4), € 340,00 (extra kosten vakantie, vonnis 14 september 2016 onder 5.14.1) en € 15.000,00 (immateriële schade, vonnis 14 september 2016 onder 5.15.1). Het totaal van de schadeposten bedraagt

€ 97.181,98.

Uit hetgeen bij vonnis van 14 september 2014 onder 5.16 is overwogen volgt dat [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor 80% van de schade. De schade aan de kleding (waarvoor alleen [gedaagde 1] tegenover [eiser] aansprakelijk is) bedraagt (80% van

€ 1.531,99 =) € 1.225,59. Hiervan is een gedeelte van € 500,00 bij het strafvonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2011 (vonnis 14 september 2016 onder 3.10) al toegewezen zodat nog toewijsbaar is een bedrag van € 725,59. De verplichting tot vergoeding van deze schade rust in relatie tot [eiser] alleen op [gedaagde 1] .

De overige schadeposten waarvoor [gedaagde 1] naast [gedaagde 2] aansprakelijk is, bedragen in totaal (80% van € 95.649,99 =) € 76.519,99. Hiervan is bij het strafvonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2011 (vonnis 14 september 2016 onder 3.10) al toegewezen een bedrag van € 5.695,39, zodat voor de andere schadeposten nog toewijsbaar is een bedrag van € 70.824,60. Ten aanzien van deze schade is er sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Tegen de gevorderde rente is geen verweer gevoerd zodat deze zal worden toegewezen.

3.5.

Gelet op het voorgaande en hetgeen bij vonnis van 14 september 2016 is overwogen, worden in de relatie tussen [eiser] en [gedaagde 2] de volgende schadeposten in aanmerking genomen: € 163,76 (telefoon- en portokosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.6.1), € 320,00 ziekenhuisdaggeldvergoeding (vonnis 14 september 2016 onder 5.7.1), € 73.512,00 (verlies aan arbeidsvermogen, hierboven 3.3), € 3.150,00 (persoonlijke verzorging, vonnis 14 september 2016 onder 5.10.4), € 162,24 (reis- en parkeerkosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.11.1), € 2.776,99 (niet-verzekerde medische kosten, vonnis 14 september 2016 onder 5.12.4), € 225,00 (verlies zelfwerkzaamheid, vonnis 14 september 2016 onder 5.13.4), € 340,00 (extra kosten vakantie, vonnis 14 september 2016, onder 5.14.1) en € 15.000,00 (immateriële schade, vonnis 14 september 2016 onder 5.15.1). Het totaal van de schadeposten bedraagt

€ 95.649,99. Uit hetgeen bij vonnis van 14 september 2014 onder 5.16 is overwogen volgt dat [gedaagde 2] tegenover [eiser] aansprakelijk is voor 80% hiervan, zijnde

€ 76.519,99. Hiervan is bij arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 13 november 2012 al een bedrag van € 2.901,62 toegewezen, zodat nog voor vergoeding door [gedaagde 2] in aanmerking komt een bedrag van € 73.618,37. Ten aanzien van deze schade is er sprake van hoofdelijke aansprakelijkheid.

Tegen de gevorderde rente is geen verweer gevoerd zodat deze zal worden toegewezen.

3.6.

Partijen zijn over en weer gedeeltelijk in het ongelijk gesteld in verband waarmee de kosten van deze procedure, waaronder de kosten van het vrijwaringsincident, zullen worden gecompenseerd als na te melden.

in de vrijwaringszaak

in conventie en in reconventie

3.7.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in de hoofdzaak grotendeels veroordeeld tot vergoeding van dezelfde schade. Zoals in artikel 6:102 BW is bepaald wordt voor de bepaling van hetgeen zij krachtens artikel 6:10 BW in hun onderlinge verhouding jegens elkaar moeten bijdragen, de schade verdeeld met overeenkomstige toepassing van artikel 6:101 BW, tenzij uit de wet of rechtshandeling een andere verdeling voortvloeit. Nu laatstbedoelde uitzondering is gesteld noch gebleken, moet de schade tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden verdeeld met toepassing van artikel 6:101 BW.

[gedaagde 1] heeft gesteld dat hij geen dan wel een zeer geringe bijdrage heeft geleverd aan het letsel van [eiser] omdat het letsel van [eiser] niet is ontstaan door de slag tegen het hoofd die hij [eiser] heeft gegeven. Vast staat echter dat [eiser] achter [gedaagde 2] is aangegaan als gevolg van de slag tegen het hoofd die [gedaagde 1] aan [eiser] had gegeven en dat er vervolgens een gevecht tussen [eiser] en [gedaagde 2] is ontstaan, aan het eind waarvan [gedaagde 2] de op de grond liggende [eiser] heeft geschopt. [gedaagde 1] heeft aldus de aanzet gegeven tot de vechtpartij tussen [eiser] en [gedaagde 2] waarbij de schade is ontstaan. De schade is gelet hierop mede het gevolg van een omstandigheid die aan [gedaagde 1] kan worden toegerekend. De schade van [eiser] is echter in overwegende mate het gevolg van het handelen waarvoor [gedaagde 2] aansprakelijk is geacht, te weten het schoppen van [eiser] terwijl deze op de grond lag. De verhouding van ieders aandeel in de schade wordt in verband daarmee gesteld op 10% voor [gedaagde 1] en 90% voor [gedaagde 2] . Dit brengt mee dat de vordering van [gedaagde 1] in conventie in zoverre zal worden toegewezen dat [gedaagde 2] wordt veroordeeld tot betaling van 90% van hetgeen waartoe [gedaagde 1] hoofdelijk is veroordeeld in de hoofdzaak (waaronder begrepen de eigen proceskosten van [gedaagde 1] ) en bij het strafvonnis van deze rechtbank van 19 oktober 2011 (behoudens ten aanzien van de kleding). Dit komt neer op bedragen van respectievelijk € 63.742,14 te vermeerderen met rente en € 5.125,85. De eigen proceskosten van [gedaagde 1] in de hoofdzaak worden begroot op in totaal € 3.372,00, waarvan € 78,00 griffierecht en

€ 3.294,00 salaris advocaat (2 punten x € 1.421,00, tarief V, in de hoofdzaak en 1 punt x

€ 452,00, tarief II, in het incident). 90% hiervan bedraagt € 3.034,80.

3.8.

Voor de reconventie betekent hetgeen hiervoor onder 3.7 is overwogen dat [gedaagde 1] wordt veroordeeld tot betaling van 10% van hetgeen waartoe [gedaagde 2] hoofdelijk is veroordeeld in de hoofdzaak (waaronder begrepen de eigen proceskosten van [gedaagde 2] ). Dit komt neer op een bedrag van € 7.361,84 te vermeerderen met rente. De eigen proceskosten van [gedaagde 2] in de hoofdzaak worden begroot op in totaal € 2.920,00, waarvan € 78,00 griffierecht en € 2.842,00 salaris advocaat (2 punten x € 1.421,00, tarief V). 10% hiervan bedraagt € 292,00.

3.9.

[gedaagde 2] zal als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van deze procedure in de vrijwaring in conventie en in reconventie, welke kosten in conventie worden begroot op in totaal € 1.866,00, waarvan € 78,00 griffierecht en € 1.788,00 salaris advocaat (2 punten x € 894,00, tarief IV) en in reconventie worden begroot op € 894,00 salaris advocaat (2 punten x € 894,00, tarief IV, x factor ½).

4 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak

4.1.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 725,59, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele betaling,

4.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 70.824,60, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele betaling, met dien verstande dat indien en voorzover [gedaagde 2] aan zijn hierna onder 4.3 te noemen betalingsverplichting heeft voldaan, [gedaagde 1] daarvan in zoverre zal zijn bevrijd,

4.3.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [eiser] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 73.618,37, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele betaling, met dien verstande dat indien en voorzover [gedaagde 1] aan zijn hierna onder 4.2 genoemde betalingsverplichting heeft voldaan, [gedaagde 2] daarvan in zoverre zal zijn bevrijd,

4.4.

compenseert de kosten van deze procedure in de hoofdzaak en in het vrijwaringsincident in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in vrijwaring

in conventie

4.7.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen 90% van al hetgeen waartoe [gedaagde 1] in de hoofdzaak (C/01/293284 / HAZA 15-320) tegen [eiser] hoofdelijk is veroordeeld, zijnde een bedrag van € 63.742,14 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele betaling,

4.8.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen 90% van de eigen proceskosten van [gedaagde 1] in de hoofdzaak en in het incident, zijnde een bedrag van € 3.034,80,

4.9.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan [gedaagde 1] te betalen een bedrag van € 5.125,85,

4.10.

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 1.866,00,

4.11.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.12.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd,

in reconventie

4.13.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [gedaagde 2] te betalen 10% van al hetgeen waartoe [gedaagde 2] in de hoofdzaak (C/01/293284 / HAZA 15-320) tegen [eiser] hoofdelijk is veroordeeld, zijnde een bedrag van € 7.361,84 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 6 februari 2015 tot aan de dag der algehele betaling,

4.14.

veroordeelt [gedaagde 1] om aan [gedaagde 2] te betalen 10% van de eigen proceskosten van [gedaagde 2] in de hoofdzaak, zijnde een bedrag van € 292,00,

4.15.

veroordeelt [gedaagde 2] in de kosten van deze procedure aan de zijde van [gedaagde 1] gevallen en tot aan deze uitspraak begroot op € 894,00,

4.16.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

4.17.

wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2017.