Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1584

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
24-03-2017
Zaaknummer
C/01/311313 / HA ZA 16-522
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

het beroep van de gemeente op onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2017/215
AR 2017/1532
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/311313 / HA ZA 16-522

Vonnis van 22 maart 2017

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BOXMEER,

zetelend te Boxmeer,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. T.E.P.A. Lam te Nijmegen,

tegen

1 [gedaagde 1] ,

wonende te [woonplaats 1] ,

2. [gedaagde 2]

wonende te [woonplaats 1] ,

3. [gedaagde 3],

wonende te [woonplaats 1] ,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. E.G.M. van Ewijk te 's-Hertogenbosch.

Eiseres zal hierna de gemeente worden genoemd; gedaagde sub 1 [gedaagde 1] ; gedaagden sub 1 en 2 [gedaagde sub 1 en 2] ; gedaagde sub 3 [gedaagde 3] en alle gedaagden gezamenlijk [gedaagden]

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 19 oktober 2016

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 31 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Tussen de gemeente enerzijds en [gedaagde sub 1 en 2] anderzijds is op 7 juni 1991 een overeenkomst gesloten, waarbij [gedaagde sub 1 en 2] aan de gemeente hun woning met varkensschuren, ondergrond, erf, tuin, bouwland en bos, plaatselijk bekend [adres 1] hebben verkocht. [gedaagde sub 1 en 2] hadden de percelen destijds in gebruik ten behoeve van hun agrarische bedrijf (varkenshouderij). De gemeente heeft deze percelen gekocht ten behoeve van de ontwikkeling van een bedrijventerrein.

2.2.

Op 23 september 1991 hebben [gedaagde sub 1 en 2] de percelen aan de gemeente geleverd. In de akte van levering van diezelfde datum is onder andere het volgende bepaald:

“1. De Gemeente kan het gekochte in eigen gebruik, vrij van huur of pacht, aanvaarden als volgt:

a. de woning, de schuren, ondergrond, erf en tuin, staande op ongeveer een hectare, anderhalf jaar na de datum van onherroepelijk zijn van de bouw- en hinderwetvergunning van de vervangende nieuwbouw op het perceel [A] doch niet eerder dan één juli negentienhonderd vierennegentig; (…)

b. de overige grond uitmakende ongeveer negentien hectare, negentien are en drieënzestig centiare per heden.”

(…)

10. Verkoper verplicht zich binnen twee maanden na heden deugdelijke aanvragen in te dienen voor het verkrijgen van bouw- en hinderwetvergunning van een vergelijkend vervangend object op het perceel [A] ; verkoper verplicht zich –samen met koper- zoveel mogelijk in te spannen om de gevraagde vergunningen te verkrijgen.

(…).”

2.3.

De koopsom van de percelen bedroeg 3,6 miljoen gulden. Deze koopsom was ter vermijding van een onteigening. Het betreft een volledige schadeloosstelling.

2.4.

Het perceel [A] is plaatselijk bekend als [adres 3] . Het in art. 1 onder a. genoemde gedeelte van de akte is (thans) kadastaal bekend [perceel B] gedeeltelijk.

2.5.

De gemeente heeft bij beschikking van 26 oktober 1992 de in de akte bedoelde vergunning aan [gedaagde sub 1 en 2] verleend, maar deze beschikking is bij uitspraak van 8 september 1994 door de Raad van State vernietigd. De Raad van State heeft de vergunning vervolgens geweigerd.

2.6.

Er is geen geschikte alternatieve locatie gevonden voor de varkenshouderij.

2.7.

[gedaagde sub 1 en 2] zijn in 1996 met de varkenshouderij gestopt en

[gedaagde 3] heeft in dat jaar de exploitatie van het bedrijf van zijn ouders overgenomen. Hij woont samen met zijn gezin sinds 23 mei 2000 op [adres 1] (het in art. 1 onder a. van de akte genoemde gedeelte). [gedaagde 3] heeft de exploitatie van de varkenshouderij op de [adres 1] vanaf 2008 gestaakt. [gedaagde 3] heeft een perceel aan de [adres 2] gekocht. Hij heeft een vergunning aangevraagd voor de uitoefening van een varkenshouderij op dat perceel. Deze heeft hij niet verkregen.

2.8.

Bij brief van 6 augustus 2015 heeft de gemeente het voortgezet gebruik van de percelen met ingang van 1 maart 2016 jegens [gedaagden] opgezegd.

2.9.

Blijkens een akte van 21 september 2016 heeft [gedaagde 1] de rechten en verplichtingen uit de in r.o. 2.1 genoemde koopovereenkomst willen overdragen aan [gedaagde 3] De gemeente heeft echter geen medewerking aan de contractsovername verleend.

3 Het geschil

in conventie

3.1.

De gemeente vordert samengevat – :

1. een verklaring voor recht dat art. 1 van de akte van 23 september 1991 op het punt van het voortgezet gebruik buiten toepassing moet blijven,

2. te bepalen dat de onder 1 bedoelde akte dient te worden gewijzigd en/of aangevuld aldus dat het voortgezet gebruik van de percelen, kadastraal bekend [perceel B] , gedeeltelijk (te weten voor zover in gebruik bij [gedaagde sub 1 en 2] en/of [gedaagde 3] ) opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden, althans dat die akte dient te worden gewijzigd en/of aangevuld op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen wijze zodanig dat het voortgezet gebruik van de percelen beëindigd is of kan worden;

3. te verklaren voor recht dat de gemeente het voortgezet gebruik van de onder 2 bedoelde percelen rechtsgeldig heeft opgezegd jegens [gedaagde sub 1 en 2] en, voor zover vereist, jegens [gedaagde 3] en dat [gedaagden] mitsdien gehouden zijn die percelen te ontruimen met ingang van 1 maart 2016;

4. veroordeling van [gedaagden] tot ontruiming van de onroerende zaak, kadastraal , kadastraal bekend [perceel B] , gedeeltelijk (te weten voor zover in gebruik bij gedaagden sub 1 en 2 en/of 3) binnen veertien dagen na betekening van het vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 2.000,00 per dag en met machtiging aan de gemeente om bij gebreke van volledige voldoening hieraan deze ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagden] ,

met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van deze procedure.

3.2.

De gemeente legt aan haar vordering het navolgende ten grondslag. [gedaagde 3] is tot ontruiming gehouden, omdat hij zonder recht of titel op de percelen verblijft. De gemeente heeft nimmer afspraken over het gebruik van de percelen met [gedaagde 3] gemaakt en zij heeft nimmer haar medewerking verleend aan de overdracht van afspraken die zij met [gedaagde sub 1 en 2] heeft gemaakt. [gedaagde sub 1 en 2] zijn op grond van de tekst van art. 1 van de akte pas gehouden het voortgezet gebruik van de percelen te staken, op het moment dat anderhalf jaar verstreken is na de datum waarop de vergunningen voor de nieuwe locatie (aan de [adres 3] ) onherroepelijk zijn geworden. Dat moment zal echter nooit aanbreken. Dit betekent dat [gedaagde sub 1 en 2] gerechtigd zouden zijn het gebruik van de percelen tot in de lengte van dagen voort te zetten. Dat is nooit de bedoeling van partijen geweest. Die bedoeling was immers dat [gedaagde sub 1 en 2] op termijn plaats zouden maken ten behoeve van de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Door partijen is destijds niet voorzien in de situatie dat de vergunningen voor de nieuwe locatie nooit onherroepelijk zouden worden. De gemeente stelt dat gelet op het voorgaande art.1 van de akte op het punt van voortgezet gebruik buiten toepassing dient te blijven op grond van onvoorziene omstandigheden (art. 6:258 BW) of op grond van de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid (6:248 BW). De akte dient op het punt van het voortgezet gebruik vervolgens te worden gewijzigd/aangevuld aldus dat het voortgezet gebruik (door opzegging) beëindigd kan worden. De gemeente heeft het gebruik, vooruitlopend op de wijziging/aanvulling van de akte, bij brief van 6 augustus 2015 opgezegd tegen 1 maart 2016. Daarmee heeft zij een redelijke opzegtermijn in acht genomen. Zij heeft een zwaarwegende grond bij de beëindiging van het gebruik aangezien zich inmiddels gegadigden voor het terrein hebben aangemeld. Tegenover het belang dat de gemeente heeft aangevoerd bij beëindiging van het voortgezet gebruik, hebben [gedaagde sub 1 en 2] geen belang gesteld bij de voortzetting daarvan.

3.3.

[gedaagden] voeren het navolgende verweer. Uitgangspunt van de koopovereenkomst is het voortzetten van het varkensbedrijf geweest. De bedoeling was dat [gedaagde sub 1 en 2] en nadien [gedaagde 3] dienden te beschikken over een vervangend bedrijf waarop zij hun agrarische activiteiten zouden kunnen continueren. Dit is dan ook de achtergrond van het bepaalde zoals opgenomen in de koopovereenkomst en in art. 10 van de transportakte. Deze bepaling houdt een inspanningsverplichting van de gemeente in om [gedaagden] de gevraagde vergunning te laten verkrijgen. Nadat de aanvankelijk verleende vergunning door de Raad van State werd geweigerd, kon de alternatieve locatie genoemd in art. 10 niet gerealiseerd worden. Gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst zou voor de hand hebben gelegen, maar in overleg zijn partijen alternatieve locaties gaan zoeken en gelijktijdig zijn zij in overleg gegaan om door het betalen van een schadevergoeding aan [gedaagden] tot beëindiging van het inmiddels gerezen geschil te komen. De alternatieve locaties die [gedaagde 3] nadien heeft voorgedragen zijn alle door de gemeente afgewezen. Ook een schadevergoeding is niet uitgekeerd. Uit de overgelegde vergaderverslagen van de gemeente blijkt dat de gemeente heeft erkend dat zij niet adequaat heeft gehandeld. De gemeente heeft de zaak laten versloffen in de hoop ‘ [naam 2] uit te roken’. De gemeente heeft tevens de vergunning tot uitbreiding van het perceel aan de [adres 1] geweigerd. Op de door [gedaagde 3] aangevraagde omgevingsvergunning voor het percel [adres 2] in [woonplaats 2] heeft de gemeente niet adequaat gereageerd. Dit heeft geleid tot een procedure bij de rechtbank Oost-Brabant, afdeling bestuurssector. In de uitspraak van 21 juli 2016 heeft de rechtbank partijen geadviseerd alsnog in overleg te treden om naar een andere oplossing voor het onderliggende geschil te zoeken. Dit advies heeft de gemeente kennelijk terzijde gelegd, nu zij acht dagen na de uitspraak de dagvaarding in de onderhavige procedure heeft uitgebracht. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het aan de gemeente te wijten is dat geen invulling gegeven heeft kunnen worden c.q. uitvoering gegeven kon worden aan de uitdrukkelijke voorwaarde zoals opgenomen in de koopovereenkomst en akte. De situatie van art. 6:258 lid 2 BW doet zich dan ook voor.

De stelling dat [gedaagde 3] zonder recht of titel op de percelen verblijft gaat niet op. De gemeente was er van meet af aan op de hoogte dat overdracht heeft plaatsgevonden aan [gedaagde 3] en heeft ook nooit bezwaar daartegen gemaakt.

Op grond van het Haviltexcriterium dient ten minste een alternatieve locatie gevonden te worden en zolang deze niet is gevonden loopt het gebruiksrecht door. Indien geen alternatieve locatie gevonden wordt dient gekomen te worden tot partiële ontbinding van de overeenkomst zodat [gedaagde 3] de exploitatie aan het adres [adres 1] kan voortzetten.

Er hebben aanzienlijke investeringen plaatsgevonden op het perceel en in de stallen. De ‘zwaarwegende’ grond die de gemeente aanvoert is gebaseerd op een nietszeggende brief van het bedrijf [naam 1] . Het belang van [gedaagde 3] is gelegen in voortzetting van het akkerbouwbedrijf.

Ten slotte beroepen [gedaagden] zich op rechtsverwerking. Door het lange stilzitten van de gemeente en door de positie van [gedaagde 3] worden [gedaagden] onredelijk benadeeld indien thans tot ontruiming zou moeten worden overgegaan zonder dat een alternatieve locatie voor hun agrarische bedrijven voorhanden is. Naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid is ontruiming onaanvaardbaar.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5.

[gedaagden] vorderen samengevat – primair veroordeling van de gemeente tot het aanbieden van een deugdelijke en geschikte alternatieve locatie aan [gedaagden] , welke vergelijkbaar is met de locatie zoals opgenomen in de oorspronkelijke overeenkomst, en veroordeling van de gemeente tot voldoening van een schadevergoeding aan [gedaagden] , nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Subsidiair vorderen zij partiële ontbinding van de overeenkomst, inhoudende dat [gedaagden] eigenaar blijven van de in de koopovereenkomst onder 3a en het in de notariële akte onder 1a genoemde perceel, met teruggave van de volgens de overeenkomst indertijd gestelde bankgarantie. Dit alles met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

3.6.

[gedaagden] hebben die vorderingen ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank oordeelt dat sprake is van onvoorziene omstandigheden. Aan hun vorderingen hebben zij het verweer dat zij in conventie gevoerd hebben ten grondslag gelegd.

3.7.

De gemeente voert verweer.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in conventie

4.1.

Op grond van het bepaalde in art. 6:258 BW kan de rechter op verlangen van een der partijen de gevolgen van een overeenkomst wijzigen of deze geheel of gedeeltelijk ontbinden op grond van onvoorziene omstandigheden welke van dien aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten. Volgens de wetsgeschiedenis zal hieraan slechts bij hoge uitzondering zijn voldaan. Redelijkheid en billijkheid vereisen in eerste instantie trouw aan het gegeven woord. De rechter moet de bepaling dan ook met terughoudendheid hanteren. Het gaat daarbij om de vraag of partijen het intreden van deze omstandigheden al dan niet hebben verdisconteerd in de voorwaarden waaronder zij tot de overeenkomst zijn toegetreden. De onvoorziene omstandigheid kan ook hierin bestaan dat een door partijen verwachte wijziging niet intreedt.

4.2.

De vraag is of aan de hiervoor weergegeven strenge toets voldaan is. Enerzijds is de koopovereenkomst aangegaan tussen de gemeente en [gedaagde sub 1 en 2] , en niet door [gedaagde 3] Niet in geschil is dat partijen ten tijde van het aangaan van de overeenkomst niet hebben voorzien dat de te verlenen bouw- en hinderwetvergunning voor de varkenshouderij aan de alternatieve locatie aan de [adres 3] uiteindelijk door de Raad van State geweigerd zou worden. Inmiddels zijn [gedaagde sub 1 en 2] al vele jaren gestopt met de exploitatie van de varkenshouderij. Ook wonen zij allang niet meer aan de [adres 1] . Er bestaat dus van hun zijde bezien geen behoefte meer aan een alternatieve locatie. Niet valt in te zien welk zelfstandig belang zij nog hebben bij het ongewijzigd handhaven van het voortgezet gebruik van de percelen, ook al is geen onherroepelijke bouw- en hinderwetvergunning voor de alternatieve locatie is verkregen. Daartegenover staat het belang van de gemeente tot ingebruikname van de percelen ten behoeve van het bedrijventerrein. Met het oog daarop heeft zij het bestemmingsplan aangepast en er is ook daadwerkelijk belangstelling voor dat perceel, zoals blijkt uit de door haar als productie 6 overgelegde brief. Al deze omstandigheden wijzen dus in de richting dat sprake is van onvoorziene omstandigheden.

4.3.

Anderzijds heeft [gedaagde 3] de exploitatie van het bedrijf voortgezet en woont deze met zijn gezin aan de [adres 1] . Anders dan zijn ouders, bestaat voor hem dus wel een zwaarwegend belang bij ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst. De vraag is of dit aan een beroep op onvoorziene omstandigheden in de weg staat. Daartoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.

Allereerst kan het derde lid van art 6:258 BW (“Voor de toepassing van dit artikel staat degene op wie een recht of een verplichting uit een overeenkomst is overgegaan, met een partij bij die overeenkomst gelijk”) [gedaagde 3] niet baten. Tussen partijen is immers niet in geschil dat er geen contractsovername heeft plaatsgevonden in de zin van art 6:159 BW, nu de daartoe wettelijk vereiste medewerking van de gemeente ontbreekt. Er bestaat dus geen zelfstandige rechtsbetrekking tussen de gemeente en [gedaagde 3] op grond waarvan de gemeente jegens [gedaagde 3] verbonden is tot het ongewijzigd laten voortzetten van het gebruik van de percelen. [gedaagde 3] kan dit dus ook niet zelfstandig van de gemeente eisen.

4.5.

Nu [gedaagde 3] niet zelfstandig ongewijzigde instandhouding van de gemeente kan verlangen, is de vraag of [gedaagde sub 1 en 2] dit kunnen doen. Anders dan de gemeente, is de rechtbank van oordeel dat de desbetreffende bepaling in de koopovereenkomst er niet aan in de weg staat dat [gedaagde sub 1 en 2] hun percelen hebben mogen laten gebruiken door een ander (in dit geval: [gedaagde 3] ) zolang niet anderhalf jaar na het onherroepelijk worden van de onderhavige bouw- en hinderwetvergunning is verstreken. [gedaagden] verblijft daar dus niet zonder recht of titel, zoals door de gemeente is gesteld. De vraag is echter of dat gebruik een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden verhindert. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat [gedaagde 3] ook al sinds 2008 met de exploitatie van het varkenshouderijbedrijf aan de [adres 1] gestopt is en zich nu alleen bezig houdt met akkerbouw. Zoals door [gedaagden] zelf is gesteld, was de bepaling van voortzetting van het gebruik juist opgenomen met het oog op de voortzetting van de exploitatie van de varkenshouderij. Nu die exploitatie al jaren geleden is gestaakt, en gelet op de overige onder r.o. 4.2. omschreven omstandigheden, moet geoordeeld worden dat het gebruik door [gedaagde 3] niet aan geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden in de weg staat. De omstandigheid dat de gemeente al jaren op de hoogte was van het gebruik van het perceel door [gedaagde 3] brengt daar geen verandering in.

4.6.

Ook de stelling dat de gemeente al bij aangaan van de koopovereenkomst met [gedaagde sub 1 en 2] wist van de uitdrukkelijke wens/bedoeling van [gedaagden] om het bedrijf te laten voortzetten door [gedaagde 3] , treft, wat daar verder ook van zij, geen doel. Niet valt in te zien dat dit een verbintenis in het leven roept op grond waarvan de gemeente jegens [gedaagden] gehouden is tot voortzetting van het gebruik van de percelen. Bovendien is [gedaagde 3] met de voortzetting van het varkensbedrijf gestopt. Ook die omstandigheid staat dus niet in de weg aan een geslaagd beroep op onvoorziene omstandigheden.

4.7.

[gedaagden] hebben zich voorts nog beroepen op het bepaalde in lid 2 van art. 6:258 BW. Op grond van die bepaling mag de rechter niet tot wijziging overgaan voor zover de omstandigheden waarop de eiser zich beroept, krachtens de aard van de overeenkomst of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komen (lid 2 van art. 6:258 BW). De stellingen van [gedaagden] leiden echter niet tot de conclusie dat die situatie zich voordoet. Gesteld noch gebleken is dat de omstandigheid dat de vergunning uiteindelijk door de Raad van State vernietigd is voor rekening van de gemeente komt. Ook is niet gesteld welke inspanningen van de gemeente nog meer verlangd konden worden om een onherroepelijke vergunning van het perceel aan de [adres 3] te verkrijgen. Namens [gedaagden] heeft de advocaat ter zitting desgevraagd verklaard dat er geen andere contractuele verplichtingen zijn die de gemeente niet is nagekomen. Voorzover [gedaagden] nog hebben beoogd te stellen dat de gemeente gehouden was aan hen een schadevergoeding uit te keren of alternatieve percelen aan te bieden, treft dat betoog dan ook geen doel. Er bestaat immers geen contractuele verplichting daarvoor. Evenmin leidt een redelijke uitleg van de overeenkomst op grond van het Haviltexcriterium tot het aannemen van het bestaan van het dergelijke verplichting, zoals door [gedaagden] nog is gesteld.

4.8.

Tot slot slaagt ook het beroep van [gedaagden] op rechtsverwerking niet. Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Daartoe is immers vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Door [gedaagden] zijn geen omstandigheden gesteld op grond waarvan zij er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat de gemeente zich niet zou beroepen op onvoorziene omstandigheden. Ook is niet gebleken van omstandigheden die de positie van [gedaagden] bij dat beroep onredelijk benadelen of verzwaren.

4.9.

Gelet op het vorenstaande worden alle verweren van [gedaagden] verworpen. Het beroep van de gemeente op onvoorziene omstandigheden in de zin van art. 6:258 BW slaagt. Dit betekent dat de onder 2. gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen, in die zin dat de akte van 23 september 1991 dient te worden gewijzigd en/of aangevuld aldus dat het voortgezet gebruik van de percelen, kadastraal bekend [perceel B] , gedeeltelijk (te weten voor zover in gebruik bij [gedaagde sub 1 en 2] en/of [gedaagde 3] ) opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

4.10.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de overeenkomst in verdergaande mate te wijzigen, zodat de vordering onder 1 zal worden afgewezen.

4.11.

Het ingrijpen in de overeenkomst krachtens art. 6:258 BW kan alleen plaatsvinden bij een constitutieve rechterlijke uitspraak. Daaruit volgt dat de gemeente niet vóór dit vonnis de overeenkomst rechtsgeldig heeft kunnen opzeggen. Dit leidt tot afwijzing van de vordering onder 3.

4.12.

Vast staat dat alleen [gedaagde 3] gebruik maakt van de percelen, zodat de vordering tot ontruiming alleen tegen hem zal worden toegewezen.

Voorzover de gemeente aan de ontruimingsvordering mede ten grondslag heeft willen leggen dat [gedaagde 3] er reeds nu zonder recht of titel verblijft, stuit die stelling af op hetgeen in r.o. 4.5. is bepaald.

De ontruimingsvordering is pas toewijsbaar, indien [gedaagde 3] na verstrijken van de opzegtermijn niet vrijwillig tot ontruiming overgaat. Immers eerst dan is er sprake van een verblijf zonder recht of titel. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen.

4.13.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.14.

[gedaagden] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 619,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00(2 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.600,75

in reconventie

4.15.

De vordering in reconventie vloeit voort uit het verweer in conventie. Nu dit verweer is verworpen, moet de vordering worden afgewezen.

4.16.

[gedaagden] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- explootkosten € 0,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 226,00 (1 punt × factor 0,5 × tarief € 452,00)

Totaal € 226,00

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1.

verklaart voor recht dat de akte van 23 september 1991 dient te worden gewijzigd en/of aangevuld aldus dat het voortgezet gebruik van de percelen, kadastraal bekend [perceel B] , gedeeltelijk (te weten voor zover in gebruik bij [gedaagde sub 1 en 2] en/of [gedaagde 3] ) opzegbaar is met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden.

5.2.

veroordeelt [gedaagde 3] indien deze na verstrijken van onder 5.1. genoemde opzegtermijn -welke termijn op zijn vroegst zal ingaan na ontvangst van [gedaagde 3] van de opzegging- niet tot ontruiming is overgegaan, tot ontruiming van de in 5.1. genoemde onroerende zaak,

5.3.

veroordeelt [gedaagde 3] om aan de gemeente een dwangsom te betalen van € 2000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in 5.2. uitgesproken veroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,

5.4.

bepaalt dat geen dwangsommen zullen worden verbeurd voorzover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht, in aanmerking genomen de mate waarin aan het vonnis is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid van de overtreding,

5.5.

machtigt de gemeente om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde 3] in gebreke blijft aan het onder 5.2. van dit vonnis bepaalde te voldoen,

5.6.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.600,75,

5.7.

verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.8.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.9.

wijst de vorderingen af,

5.10.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 226,00,

5.11.

verklaart dit vonnis in reconventie wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Bartels en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.