Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1580

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
22-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
C/01/314242 / HA ZA 16-700
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Incidenten vrijwaring en 843a Rv. Vrijwaring toegestaan. De rechtbank ziet geen grond om eiseres in het vrijwaringsincident toe te staan om in een later stadium aanvullende vrijwaringsverzoeken aan de rechtbank voor te leggen. De wet voorziet niet in de mogelijkheid om ná het nemen van een conclusie van antwoord nog andere partijen in vrijwaring op te roepen. De vorderingen op grond van artikel 843a Rv worden afgewezen, nu incidenteel eisers daarbij geen rechtmatig belang hebben gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2017/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/314242 / HA ZA 16-700

Vonnis in incident van 22 maart 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VEOLIA TRANSPORT NEDERLAND HOLDING B.V.,

gevestigd te Hilversum,

eiseres in de hoofdzaak,

verweerster in de incidenten,

hierna te noemen Veolia,

advocaat mr. L.E.J. Korsten te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ,

wonende te Eindhoven,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiser in het vrijwaringsincident en het incident op grond van artikel 843a Rv,

hierna te noemen [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ,

advocaat mr. J.L.G.M. Verwiel te Breda,

en tegen

2. de naamloze vennootschap

N.V. NEDERLANDSE SPOORWEGEN,

gevestigd te Utrecht,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NS REIZIGERS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABELLIO TRANSPORT HOLDING B.V.,

gevestigd te Utrecht,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABELLIO NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Utrecht,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ABELLIO LIMBURG B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

QBUZZ B.V.,

gevestigd te Amersfoort,

gedaagden in de hoofdzaak,

eisers in het vrijwaringsincident,

hierna gezamenlijk te noemen NS c.s. en waar nodig ieder afzonderlijk respectievelijk NS, NS Reizigers, Abellio Transport, Abellio Nederland, Abellio Limburg en Qbuzz,

advocaat mr. A. Knigge te Amsterdam,

en tegen

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PTRM GROEP B.V.,

gevestigd te Rhoon,

gedaagde in de hoofdzaak,

eiseres in het vrijwaringsincident en het incident op grond van artikel 843a Rv,

hierna te noemen PTRM,

advocaat mr. M.J. Mookhram te Heerlen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 22 juli 2016 met producties;

  • -

    het vonnis van de kantonrechter te Eindhoven van 27 oktober 2016, waarbij onder meer de onderhavige zaak is verwezen naar de meervoudige civiele kamer van de rechtbank Oost-Brabant van 30 november 2016 voor het indienen van een conclusie van antwoord namens gedaagden;

  • -

    de op 30 november 2016 ingediende conclusies:

1. namens [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

2. namens NS c.s. een incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring;

3. namens PTRM een incidentele conclusie ex artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv);

4. namens PTRM een conclusie van antwoord (in de hoofdzaak);

5. namens Veolia aktes referte ten aanzien van de incidentele vorderingen tot oproeping in vrijwaring;

  • -

    de op 14 december 2016 namens Veolia ingediende conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv zijdens PTRM;

  • -

    de op 28 december 2016 ingediende conclusies:

1. namens [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] een conclusie van antwoord (in de hoofdzaak);

2. namens [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] een incidentele conclusie ex artikel 843a Rv;

3. namens NS c.s. een conclusie van antwoord (in de hoofdzaak);

- de op 11 januari 2017 namens Veolia ingediende conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv zijdens [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De beoordeling in het door [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] opgeworpen vrijwaringsincident

2.1.

[gedaagde sub 1 in hoofdzaak] vordert dat hem wordt toegestaan om zijn mede-gedaagden in de hoofdzaak en de heer [naam] in vrijwaring op te roepen.

Veolia refereert zich op dit punt aan het oordeel van de rechtbank.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

2.3.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3 De beoordeling in het door NS c.s. opgeworpen vrijwaringsincident

3.1.

NS c.s. vordert dat haar wordt toegestaan om [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en PTRM in vrijwaring op te roepen. Daarnaast vordert NS c.s. dat haar wordt toegestaan in een later stadium van de procedure aanvullend verlof te vragen om additionele partijen in vrijwaring te dagvaarden.

Daarbij stelt NS c.s. dat zij, gelet op de gebrekkige motivering door Veolia van haar vorderingen en de onzekerheid ten aanzien van de uitkomsten van de lopende strafrechtelijke onderzoeken naar NS c.s. en een aantal van haar voormalig functionarissen, thans niet in staat is om te bepalen of en zo ja, welke additionele partijen zij (mogelijk) in vrijwaring wenst op te roepen. Uit eventuele nadere stellingen van Veolia (zij heeft zich immers het recht voorbehouden om haar stellingen en vorderingen aan te vullen) of de medegedaagden of uit de lopende strafrechtelijke onderzoeken zou nieuwe informatie in het geding kunnen worden gebracht, waaruit volgt dat meer partijen dan [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en PTRM hoofdelijk aansprakelijk kunnen zijn voor de door Veolia gestelde schade. Het voeren van afzonderlijke vrijwaringsprocedures tegen deze mogelijke overige partijen is omslachtig, aldus NS c.s.

Veolia refereert zich voor wat betreft de vordering om [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en PTRM in vrijwaring te mogen oproepen aan het oordeel van de rechtbank. Verlof voor vrijwaring kan volgens Veolia echter niet omvatten het toestaan van latere vrijwaringsincidenten (ten behoeve van de oproep van nog onbekende partijen) in een fase na de conclusie van antwoord.

3.2.

De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering voor zover die zich richt tot [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en PTRM moet worden toegewezen, nu de aangevoerde en niet weersproken gronden die vordering kunnen dragen.

3.3.

De rechtbank ziet geen grond om NS c.s. toe te staan om - indien zij dat wenst - in een later stadium aanvullende vrijwaringsverzoeken aan de rechtbank voor te leggen. Uit artikel 210, lid 1 Rv - gelezen in samenhang met artikel 211 Rv - volgt dat een oproeping in vrijwaring moet plaatsvinden vóór alle weren op de voor het nemen van een conclusie van antwoord bepaalde roldatum. Deze regeling voorziet niet in de mogelijkheid om ná het voeren van een inhoudelijk verweer middels het nemen van een conclusie van antwoord, nog andere partijen in vrijwaring op te roepen.

3.4.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beoordeling in het incident ex artikel 843a Rv tussen PTRM en Veolia

4.1.

De hoofdzaak gaat in de kern om de gang van zaken rond de openbare aanbesteding voor het openbaar vervoer in de provincie Limburg voor de periode 2016-2031. De provincie heeft die aanbesteding op 26 juni 2014 uitgeschreven, waarna Veolia, NS c.s. en Arriva op de aanbesteding hebben ingeschreven. De rechtbank laat voor nu in het midden welke onderneming uit het Veolia- en NS-concern de inschrijving feitelijk heeft gedaan.

De provincie heeft de concessie in eerste instantie gegund aan NS c.s. Na een onderzoek door de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) is deze gunning aan NS c.s. vervolgens - om redenen die in de hoofdzaak nader zullen worden uiteengezet en

besproken - ingetrokken. De provincie heeft daarna gegund aan Arriva, waarna Veolia bestuursrechtelijke rechtsmiddelen heeft ingezet tegen deze gunningsbeslissing en tegen het besluit van de provincie om de inschrijving van Veolia niet te beoordelen. In april 2016 heeft Veolia met de provincie een schikking getroffen, in welk kader Veolia de lopende bestuursrechtelijke procedures rond deze aanbesteding heeft ingetrokken.

In de hoofdzaak formuleert Veolia een aantal vorderingen die verband houden met de schade die Veolia stelt te hebben geleden met betrekking tot deze aanbesteding door het handelen en/of nalaten van de gedaagde partijen.

4.2.

PTRM vordert in dit incident op de voet van artikel 843a Rv dat Veolia wordt gelast tot het verstrekken van alle documenten die betrekking hebben op het door Veolia ingestelde bezwaar en beroep bij de Provincie Limburg tegen het besluit tot gunning aan Arriva en het besluit de aanbieding van Veolia niet te beoordelen en op de medio april 2016 getroffen regeling met de Provincie Limburg, waarvan onderdeel uitmaakt het intrekken van de aanhangige beroepsprocedures.

Ter onderbouwing hiervan, brengt PTRM het volgende naar voren. In de voorliggende hoofdzaak stelt Veolia schade te hebben geleden doordat zij als gevolg van handelen door gedaagden de Limburg-aanbesteding niet heeft gewonnen. Daarbij is volgens PTRM relevant wat voor Veolia de overwegingen zijn geweest om de beroepsprocedures tegen de Provincie in te trekken. De civiele rechter dient immers uit te gaan van de rechtmatigheid van de besluiten van de provincie. Veolia heeft de daarmee samenhangende documenten niet overgelegd. PTRM stelt daarbij wel een belang te hebben, nu daaruit de motivering van het uitsluiten van Veolia voor de aanbesteding, het gunnen van de aanbesteding aan Arriva en het door Veolia op vrijwillige basis intrekken van de beroepsprocedures tegen de Provincie Limburg volgt. Veolia kan door die intrekking geen schade hebben geleden en PTRM kan dan niet tot enige schadevergoeding gehouden zijn (cva PTRM sub 82 en 85 e.v.).

4.3.

Veolia voert - samengevat - de volgende verweren.

  1. PTRM heeft geen rechtmatig belang bij haar incidentele vordering. Het leerstuk van formele rechtskracht speelt in casu geen rol en uit de gevraagde stukken kan niet volgen dat Veolia geen schade heeft geleden, zoals PTRM stelt.

  2. De incidentele vordering is prematuur. De gevraagde documenten zien op de omvang van de schade en die is in de hoofdzaak niet aan de orde.

  3. De incidentele vordering is onnodig. Verschillende documenten zijn publiekelijk beschikbaar en PTRM had zich met een Wob-verzoek tot de provincie kunnen richten.

  4. Een behoorlijke rechtsbedeling is ook zonder het verschaffen van de gevraagde gegevens gewaarborgd.

  5. De vordering moet als een fishing-expedition worden aangemerkt.

  6. Vanwege de bedrijfsgevoeligheid van bepaalde documenten, bestaan er voor Veolia gewichtige redenen om inzage te weigeren.

  7. De vordering is onvoldoende onderbouwd.

  8. Een belangenafweging wijst in de richting van afwijzing van de vordering.

4.4.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Een vordering als bedoeld in artikel 843a Rv is toewijsbaar indien aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan. Degene die de vordering instelt dient een rechtmatig belang te hebben en het moet gaan om bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is, welke bescheiden de wederpartij te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Ook indien aan deze voorwaarden voldaan is, bestaat toch geen gehoudenheid tot overlegging van de opgevraagde bescheiden, onder meer indien daarvoor gewichtige redenen bestaan of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

4.5.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft PTRM niet een rechtens te respecteren belang gesteld bij het gevorderde. PTRM legt niet, althans onvoldoende concreet uit waarom het in het onderhavige geschil voor haar relevant is te weten wat de overwegingen voor Veolia zijn geweest om de bezwaar- en/of beroepsprocedures tegen de Provincie in te trekken. Datzelfde geldt ten aanzien van de motivering van het uitsluiten van Veolia voor de aanbesteding en het gunnen van de aanbesteding aan Arriva. De enkele stelling dat de civiele rechter van de rechtmatigheid van deze besluiten dient uit te gaan, levert zonder nadere toelichting - die ontbreekt - niet een belang in voormelde zin op.

Het voorgaande klemt temeer nu PTRM haar incidentele vordering heeft neergelegd in een conclusie die tevens haar inhoudelijke conclusie van antwoord behelst. PTRM heeft zich niet - althans onvoldoende kenbaar - op het standpunt gesteld dat zij haar verweer zonder de gevorderde bescheiden onvoldoende vorm kan geven. Vooralsnog kan daarom naar het oordeel van de rechtbank redelijkerwijs worden aangenomen dat ook zonder de gevorderde inzage een behoorlijke rechtsbedeling is gewaarborgd.

Het verweer van Veolia op deze punten slaagt.

4.6.

De vordering voor zover die inhoudt dat Veolia afschrift dient te verschaffen van “alle documenten” die betrekking hebben op - kort gezegd - de bestuursrechtelijke rechtsgang, acht de rechtbank bovendien onvoldoende concreet. Op dat punt is niet voldaan aan het vereiste dat het moet gaan om bepaalde bescheiden.

Ook dit verweer van Veolia slaagt derhalve.

4.7.

De incidentele vordering zal op grond van het voorgaande worden afgewezen en PTRM zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

5 De beoordeling in het incident ex artikel 843a Rv tussen [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en Veolia

5.1.

[gedaagde sub 1 in hoofdzaak] vordert in dit incident op de voet van artikel 843a Rv dat Veolia wordt gelast tot het verstrekken van:

  1. Het volledige ACM-dossier, meer specifiek de stukken die hebben geleid tot het besluit van de ACM van 6 maart 2015;

  2. Het volledige dossier van het kort geding tussen Veolia en de Provincie Limburg;

  3. Het volledige bezwaar- en beroepsdossier in de kwestie tussen Veolia en de Provincie Limburg;

  4. Alle stukken die door Veolia aan de deskundige SEO ter hand zijn gesteld;

  5. Alle informatie die door Veolia in de dagvaarding wordt benoemd als “de Gestolen Informatie”.

Ter onderbouwing van deze vordering heeft [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] erop gewezen dat Veolia in de dagvaarding naar niet overgelegde producties heeft verwezen ter onderbouwing van feiten en/of vorderingen en dat Veolia daarmee in deze procedure een onjuist en onvolledig beeld schetst. Voorts stelt [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] belang bij deze documenten te hebben om een deugdelijk verweer te kunnen voeren in relatie tot de vorderingen die voorliggen.

5.2.

Veolia voert - kort en zakelijk weergegeven - de volgende verweren.

  1. Veolia stelt de stukken te hebben overgelegd waarop zij zich beroept. Uit artikel 85 Rv volgt niet een verplichting om ook achterliggende stukken over te leggen.

  2. [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] heeft geen rechtmatig belang bij de gevraagde documenten en hij voldoet op dat punt niet aan zijn stelplicht.

  3. De stukken zijn onvoldoende bepaald.

  4. De stukken hebben niet rechtstreeks betrekking op een rechtsbetrekking waar [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] partij bij is.

  5. Een behoorlijke rechtsbedeling is voor [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ook zonder inzage gewaarborgd.

  6. Er bestaan gewichtige redenen om inzage te weigeren.

  7. Het belang van [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] bij inzage weegt minder zwaar dan het belang van Veolia bij de weigering daarvan.

5.3.

De rechtbank overweegt als volgt. De beoordeling van deze incidentele vordering vindt plaats binnen de kaders die de rechtbank hiervoor onder 4.4. heeft geschetst. [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] dient onder meer een rechtmatig belang te hebben bij het gevorderde. In dat kader schieten de stellingen van [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] tekort. De omstandigheid dat Veolia in de dagvaarding ter onderbouwing van feiten en vorderingen verwijst naar producties die zij niet heeft overgelegd, wat daar ook van zij, geeft [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] niet het vereiste belang bij de gevorderde inzage in die documenten. [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] kan immers niet op grond van artikel 843a Rv verlangen dat Veolia tot nadere onderbouwing van haar stellingen wordt gedwongen. Voor het al dan niet nader onderbouwen van stellingen van een procespartij gelden immers de regels van het bewijsrecht. Hoofdregel daarbij is, dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten of rechten, de bewijslast van die feiten of rechten draagt (vgl. artikel 150 Rv). In de hoofdzaak is het aan Veolia om het bestaan en de hoogte van haar vordering feitelijk te onderbouwen en - bij een voldoende gemotiveerde betwisting - te bewijzen. Of aan Veolia bewijs dient te worden opgedragen, is een vraag die thans niet ter beoordeling voorligt, maar in de hoofdzaak aan de orde zal komen.

Ook overigens heeft [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] onvoldoende gesteld om een belang bij inzage te kunnen aannemen. Zonder nadere toelichting - die [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] niet heeft gegeven - valt niet in te zien waarom [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] de gevorderde bescheiden nodig heeft om deugdelijk verweer te kunnen voeren. Temeer niet nu [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] deze incidentele vordering heeft neergelegd in een conclusie die tevens geldt als conclusie van antwoord. [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] voert daarin een uitgebreid inhoudelijk verweer tegen de vorderingen in de hoofdzaak. Tegen deze achtergrond moet ook voor [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] voor nu worden aangenomen dat een goede rechtsbedeling zonder de gevraagde inzage is gewaarborgd.

5.4.

De incidentele vordering zal op grond van het voorgaande worden afgewezen en [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

6 De beslissing

De rechtbank,

in het door [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] opgeworpen vrijwaringsincident:

6.1.

staat toe dat de volgende partijen door [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 5 april 2017;

  1. N.V. Nederlandse Spoorwegen;

  2. NS Reizigers B.V.;

  3. Abellio Transport Holding B.V.;

  4. Abellio Nederland B.V.;

  5. Abellio Limburg B.V.;

  6. QBuzz B.V.;

  7. PTRM Groep B.V.;

  8. de heer [naam] .

6.2.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het door NS c.s. opgeworpen vrijwaringsincident:

6.3.

staat toe dat de volgende partijen door NS c.s. worden gedagvaard tegen de terechtzitting van 5 april 2017:

  1. [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] ;

  2. PTRM Groep B.V.

6.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

6.5.

compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident ex artikel 843a Rv tussen PTRM en Veolia:

6.6.

wijst het gevorderde af;

6.7.

veroordeelt PTRM in de kosten van het incident, aan de zijde van Veolia tot op heden begroot op € 452,-;

in het incident ex artikel 843a Rv tussen [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] en Veolia:

6.8.

wijst het gevorderde af;

6.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1 in hoofdzaak] in de kosten van het incident, aan de zijde van Veolia tot op heden begroot op € 452,-;

in de hoofdzaak:

6.10.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 5 april 2017 voor beraad rolrechter omtrent het bepalen van een comparitie.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.J.C. Adang en in het openbaar uitgesproken op 22 maart 2017.