Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1572

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
03-04-2017
Zaaknummer
16_2878
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beëindiging, intrekking bijstandsuitkering. Terugvordering en boete

Beëindiging en intrekking bijstandsuitkering en terugvordering van ten onrechte betaalde uitkering vanwege verzwegen samenwoning. Observaties over een eerdere periode hebben niet tot de conclusie geleid dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Dit laat onverlet dat deze observaties in samenhang met nadien verkregen bewijs alsnog aan de intrekking van de bijstandsuitkering ten grondslag kunnen worden gelegd. Eiser kan aan zijn aanvankelijke verklaringen ten overstaan van de sociale recherche worden gehouden. Die verklaringen en een getuigenverklaring bieden ook voldoende grondslag voor intrekking van de bijstandsuitkering over de periode voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek. Uit de gedingstukken volgt namelijk niet dat de feitelijke situatie in de periode in geding in betekenende mate is veranderd. De stelling dat eiseres door het opleggen van de boete naast de terugvordering in een onnodig uitzichtloze financiële situatie komt te verkeren is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van onaanvaardbare (financiële of sociale) omstandigheden die een dringende reden zouden vormen om van het opleggen van een boete af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummers: SHE 16/2878 en SHE 16/2883

uitspraak van de meervoudige kamer van 21 maart 2017 in de zaken tussen

[eiseres] eiseres, en [eiser], eiser, te [woonplaats 1] , gezamenlijk te noemen eisers

(gemachtigde: mr. T. Kemper),

en

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Hertogenbosch, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Verzandvoort).

Procesverloop

SHE/16/2878

Bij besluit van 14 april 2016 (primair besluit I) heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) met ingang van 1 januari 2016 beëindigd. Daarbij heeft verweerder eiseres bijstandsuitkering over de periode van 22 september 2012 tot en met 1 januari 2016 ingetrokken. Tevens heeft verweerder de over die periode ten onrechte betaalde uitkering ten bedrage van € 53.863,92 bruto van eisers teruggevorderd.

Bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard.

SHE 16/2883

Bij besluit van 11 mei 2016 (primair besluit II) heeft verweerder eisers een boete opgelegd van € 8.200,00. Eisers hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 juni 2016 (het vervangingsbesluit) heeft verweerder het primair besluit II ingetrokken en aan eiseres een boete opgelegd van € 1.440,00. Verweerder heeft het vervangingsbesluit met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij de beoordeling van het bezwaar tegen primair besluit II betrokken. Bij besluit van 15 augustus 2016 (bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard, de boete van € 1.440,00 gehandhaafd, en een vergoeding in de proceskosten in bezwaar van eiser van € 496,00 toegekend.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten I en II afzonderlijk beroep ingesteld.

De zaken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 12 januari 2017. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers het beroep ingetrokken, voor zover dat tevens namens eiser was ingesteld tegen bestreden besluit II.

Overwegingen

SHE 16/2878

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontving sinds 1 januari 2012 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat ingeschreven op het adres [adres 1] te [woonplaats 1] . Eiser staat ingeschreven aan de [adres 2] te [woonplaats 2] .

Verweerder heeft in 2014 een anonieme melding ontvangen dat eiseres zou samenwonen met haar (ex)-partner [eiser] (eiser) en dat hij de vader is van haar twee kinderen, geboren op 23 april 2010 en 22 september 2012. Zij zouden nooit uit elkaar zijn geweest. Eiser zou vroeg in de ochtend de woning van eiseres verlaten en aan het einde van de dag weer terugkeren. De observaties die hebben plaatsgevonden naar aanleiding van de melding in 2014 hebben verweerder destijds niet tot de conclusie geleid dat sprake was van een gezamenlijke huishouding.

2. In 2015 heeft verweerder wederom een anonieme tip ontvangen dat eisers samen zouden wonen. Verweerder is naar aanleiding van deze melding opnieuw een onderzoek gestart. Daarbij is onder andere dossieronderzoek gedaan en hebben waarnemingen plaatsgevonden bij de woning van eiseres in de periode maart/april 2015 en november 2015. Vanwege het vermoeden van bijstandsfraude gedurende 4 jaar van meer dan € 50.000,00 is het onderzoek strafrechtelijk voortgezet. Eiseres is op 17 januari 2016 door de politie aangehouden in haar woning. Eiser is een dag later aangehouden. Er zijn met toestemming van eisers foto’s gemaakt in de woningen van eisers. Eiseres heeft vier verklaringen afgelegd, waarvan ze er twee heeft ondertekend. Eiser heeft drie ondertekende verklaringen afgelegd. Er is voorts buurtonderzoek bij beide woningen verricht, waarbij diverse buren van eisers verklaringen hebben afgelegd. Tot slot is het energie- en waterverbruik van de woningen opgevraagd. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van de sociale recherche van 4 maart 2016.

3. Naar aanleiding van deze resultaten heeft verweerder de uitbetaling van de uitkering van eiseres met ingang van 1 januari 2016 geblokkeerd.

4. Aan primair besluit I, dat is gehandhaafd bij bestreden besluit I, heeft verweerder ten grondslag gelegd dat gebleken is dat eiser sinds de geboorte van hun tweede kind op 22 september 2012 hoofdverblijf heeft bij eiseres. Dit blijkt uit de herhaalde verklaringen van eiser en is in overeenstemming met de overige onderzoeksresultaten. Het feit dat eiser hoofdverblijf heeft bij eiseres en zij samen twee kinderen hebben rechtvaardigt de conclusie dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Zij hebben dat niet gemeld bij verweerder en daarmee de inlichtingenverplichting geschonden. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is er in de periode in geding ten onrechte uitkering verstrekt. In verband hiermee heeft verweerder de uitkering herzien en teruggevorderd. Omdat eiser wist dat eiseres een bijstandsuitkering ontving en omdat de door verweerder verschafte bijstand ook ten goede is gekomen aan eiser, zijn eisers allebei op grond van artikel 59 van de Pw hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering.

5. Eisers hebben bestreden dat eiser in de periode in geding hoofdverblijf heeft gehad bij eiseres. Eiser heeft wel verklaard dat hij regelmatig bij eiseres verblijft maar betwist nadrukkelijk dat hij heeft verklaard dat hij meer bij eiseres is dan in zijn eigen woning. Ze hebben een affectieve relatie (gehad) en ze hebben samen twee kinderen. Dit is de reden dat hij bij eiseres komt. Hij blijft wel eens slapen. Zij hebben echter ieder hun eigen woning en betalen daar zoveel mogelijk zelf de vaste lasten voor. De observaties zijn te kort en te weinig in aantal om daar conclusies aan te verbinden. Uit de verklaringen van eisers blijkt juist dat zij niet samenwonen. Eiser heeft geen sleutel van haar woning en eisers hebben beiden verklaard dat zij niet samenwonen. Aan de verklaringen van de buren mag geen waarde worden gehecht, onder andere omdat zij op slechte voet staan met eiseres. Eiser gebruikt zijn woning wel maar maakt lange dagen en eet vaak buiten de deur. Dit verklaart de nagenoeg lege koelkast en het lage energieverbruik in zijn woning.

In 2014 is op grond van de observaties geconcludeerd dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding. Daarmee valt niet te rijmen dat op basis van het onderzoek in 2015 alsnog wordt vastgesteld dat vanaf 22 september 2012 sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding.

Subsidiair hebben eisers aangevoerd dat, indien toch uitgegaan wordt van een gezamenlijke huishouding, dit hooguit vanaf 17 maart 2015 kan zijn (de datum van de eerste observatie).

Nu er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding is eiser ook niet hoofdelijk aansprakelijk voor de vordering.

6. Verweerder heeft bij primair besluit I de uitkering beëindigd met ingang van 1 januari 2016. De beoordeling door de bestuursrechter betreft daarom in dit geval de periode vanaf 22 september 2012, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot 1 januari 2016 (hierna: periode in geding).

7. Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust. Het voorgaande betekent dat verweerder aannemelijk dient te maken dat eiseres in de periode in geding een gezamenlijke huishouding met eiser voerde. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Pw wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht als de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en uit hun relatie een kind is geboren. Nu vaststaat dat uit de relatie van eisers kinderen zijn geboren, is voor de beantwoording van de vraag of gedurende de hier te beoordelen periode sprake was van een gezamenlijke huishouding alleen bepalend of eisers hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.

8. De vraag waar iemand hoofdverblijf heeft, moet volgens vaste jurisprudentie (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 4 november 2014, ECLI:NL: CRVB:2014:3648) worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

Eisers stonden in de te beoordelen periode op verschillende adressen ingeschreven. Het aanhouden van afzonderlijke adressen hoeft niet aan het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning in de weg te staan. In dat geval zal aannemelijk moeten zijn dat desondanks een feitelijke situatie van samenwoning bestaat doordat slechts een van beide ter beschikking staande woningen wordt gebruikt dan wel doordat op een andere wijze zodanig gebruik van de woningen wordt gemaakt dat in feite van samenwonen moet worden gesproken.

9. De rechtbank neemt bij de beoordeling van het beroep de volgende, in het rapport van de Sociale Recherche van 4 maart 2016 neergelegde, verklaringen en bevindingen tot uitgangspunt.

a. Verhoor eiseres op 20 januari 2016, omstreeks 10.20 uur

Vraag: Blijft [eiser] ook bij u slapen?

Antwoord: In het weekend. En af en toe doordeweeks.

Vraag: Blijft hij niet door de weeks slapen?

Antwoord: Een paar dagen doordeweeks blijft hij wel bij mij slapen. Hij komt wel naar mij, maar hij vertrekt soms ook in de nacht naar zijn eigen huis.”

Verhoor eiser op 18 januari 2016 omstreeks 13.30 uur

“Ik kan niet precies zeggen hoeveel dagen ik gemiddeld in de week bij [eiseres] zit. Ik kan wel zeggen dat ik meestal bij [eiseres] ben, dan in mijn eigen huis. Dat is al zeker tenminste vanaf de geboorte van mijn 2e kind.”

Verhoor eiser op 19 januari 2016 omstreeks 10.15 uur

“Sinds de geboorte van mijn tweede kind, verbleef ik wel meestal bij [eiseres] ,

Voor de geboorte van mijn tweede kind kwam ik wel eens in de weekends naar [eiseres] . Maar ook niet elk weekend.” (…) “Ja, mijn woning is volledig ingericht. Je kunt er zo wonen. Ik heb geen levensmiddelen in mijn huis. Ik eet weinig en ik eet bij [eiseres] en ook op mijn werk. Als ik levensmiddelen in mijn huis heb, dan gaat het kapot. Ik kom er regelmatig. De mensen die in de buurt van mijn woning wonen, zien mij waarschijnlijk niet. Ik ben dan binnen in mijn huis en ga vaak slapen omdat ik moe ben. Maar sinds de geboorte van mijn tweede kind, ben ik meer bij [eiseres] dan in mijn eigen huis”.

Gehoor op 18 januari 2016 omstreeks 09.40 uur, op het adres [adres 3] te [woonplaats 1] van [naam 1] en [naam 2] als getuigen:

“Wij wonen al 40 jaar op dit adres. Vier jaar geleden is de woning boven ons aan een vrouw met kind toegewezen. Die vrouw kwam hier kijken en liep daarna naar een oude sportwagen. Daar kwam een man uit en samen gingen ze weer de woning in. Hij is niet meer weggegaan. De man heet [eiser] , met een streepje op de [letter] . De vrouw heet [eiseres] met een moeilijke achternaam. Ik herken de man van de foto op uw telefoon als [eiser] .

(…) Van de 7 dagen in de week is hij er 6 bij [eiseres] . Wij weten dat hij in de [adres 2] in [woonplaats 2] woont. Dat hebben wij gezien toen we boodschappen deden in [woonplaats 2] .

Wij horen elke ochtend rond 04.30 uur bij de buren, iemand van de trap afgaan en vertrekken. Ik weet dan dat het [eiser] is, want ik ga wel eens kijken dan.”

Gehoor op maandag 18 januari 2016 omstreeks 13.15 uur, op het adres [adres 4] te [woonplaats 2] , van [naam 3] als getuige:

“Ik woon sinds april 2015 op het adres [adres 4] . Naast mij op nummer [adres 2] woont [eiser] . De keren dat ik hem gezien heb in ons complex is op 1 hand te tellen. De andere bewoners op onze verdieping, zie ik wel geregeld. Ik ga in de ochtend rond 08.30 uur weg en ben rond 18.30 uur thuis. Als ik hem zie dan zie ik eigenlijk ook altijd dat hij een aanhangwagen bij zich heeft. Een boedelbak of zo. Toen ik er kwam wonen zeiden de andere bewoners al dat ik weinig last van de buurman zou hebben omdat hij er bijna nooit is. De helft van de keren dat ik hem zag, was hij met matrassen aan het sjouwen samen met anderen.”

In het proces-verbaal van bevindingen van 28 januari 2016 ter zake van het met toestemming van eisers verrichte onderzoek in de woning van eiser aan de [adres 4] op 19 januari 2016 is het volgende opgenomen:

“Vanwege de grote hoeveelheid opgeslagen matrassen en onderdelen van bedden in de woon/slaapkamer lijkt het niet aannemelijk dat verdachte [eiser] op deze plaats zijn hoofdverblijf had. De koelkast was op een paar items na, leeg. De vriezer was helemaal leeg. De aanwezige televisie was nog voorzien van een plastic beschermfolie. Het bankstel stond opgestapeld om zodoende meer ruimte voor bedden en matrassen te creëren. De matrassen zaten allen nog in een soort van plastic hoes. De buitenberging kon niet worden betreden zonder eerst de aanwezige matrassen weg te halen.

10. De verklaringen onder a. tot en met f. bieden naar het oordeel van de rechtbank een toereikende grondslag voor de conclusie dat eisers in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden. Deze leveren een met de overige onderzoeksbevindingen samenhangend beeld op, dat de verklaringen van eiser dat hij vanaf de geboorte van het tweede kind van eisers meer bij eiseres heeft verbleven dan in zijn eigen huis, bevestigt. De verklaring van eiseres is niet eenduidig met betrekking tot het aantal nachten dat eiser in de periode in geding bij haar heeft verbleven, en vormt daarom geen zodanig sterke betwisting van verklaringen van eiser dat niet van die verklaringen kan worden uitgegaan.

Aan deze conclusie doet niet af dat de onderzoeksbevindingen buiten de verklaringen, bedoeld onder b., c. en d. geen informatie bevatten over de periode voorafgaand aan de aanvang van het onderzoek. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting bieden geen aanknopingspunten voor de veronderstelling dat de feitelijke situatie in de periode in geding in betekenende mate is veranderd. Verweerder heeft de periode van intrekking dan ook terecht niet beperkt tot 17 maart 2015.

11. Dat eisers deze situatie niet bestempelen als samenwonen omdat zij ieder nog een eigen huis hebben, maakt niet dat geen sprake is van gezamenlijk hoofdverblijf in de woning van eiseres. De omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie zijn daartoe immers niet van belang.

12. Eiser heeft in bezwaar en in beroep betwist dat hij op 18 en 19 januari 2016 tegenover de sociale recherche heeft verklaard dat hij meer bij eiseres is dan thuis. Aan die betwisting komt echter niet de betekenis toe die eisers daaraan gehecht willen zien. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van de CRvB van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012: BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens zonder enig voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Eiser heeft niet gesteld of aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit algemeen uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. Eiser heeft met name geen feiten gesteld die voeding geven aan de veronderstelling dat eiser – zoals hij ter zitting heeft betoogd – zich vanuit zijn culturele achtergrond verplicht voelde om de hem door de sociale recherche voorgehouden verklaring ongeacht de inhoud daarvan te ondertekenen.

13. Dat bij de waarnemingen in 2014 niet is vastgesteld dat sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf, betekent niet dat thans niet van de verklaring van eiser mag worden uitgegaan. De rechtbank merkt in dit verband op dat – anders dan namens verweerder ter zitting is betoogd – bij de keuze voor de tijdstippen van de waarnemingen in 2014 wel degelijk rekening lijkt te zijn gehouden met de anonieme tip, waarin melding gemaakt werd van het feit dat eiser ’s morgens om 5.30 uur vertrok en tussen 16.00 uur en 17.00 uur weer terugkwam. Die waarnemingen boden verweerder destijds onvoldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat eiser zijn hoofdverblijf in de woning van eiseres had, en vormden daarom ook onvoldoende reden een onaangekondigd huisbezoek te verrichten. Dit betekent echter niet dat in het onderzoek van 2014 is vastgesteld dat geen sprake was van samenwoning. De rechtbank ziet om die reden ook geen grond voor het oordeel dat verweerder zich in 2015 niet alsnog op grond van de onderzoeksbevindingen, waarvan de waarnemingen uit 2014 onderdeel uitmaken, op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van samenwoning.

14. Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers in de periode in geding een gezamenlijke huishouding voerden. Nu eiseres dit niet aan verweerder heeft gemeld heeft zij de inlichtingenverplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Pw geschonden, als gevolg waarvan zij ten onrechte bijstand heeft ontvangen. Gelet hierop was verweerder verplicht op grond van artikel 54, derde lid, van de Pw de uitkering over de periode in geding in te trekken en de ten onrechte ontvangen uitkering op grond van artikel 58, eerste lid, van de Pw terug te vorderen.

15. Aangezien eisers een gezamenlijke huishouding vormen kunnen de kosten van bijstand op grond van artikel 59, tweede lid, van de Pw mede worden teruggevorderd van eiser. Niet is gesteld of gebleken dat verweerder niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt. Eisers zijn op grond van het vierde lid van dit artikel hoofdelijk aansprakelijk voor betaling van de terugvordering.

16. Hieruit volgt dat het beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

SHE 16/ 2883

17. Eisers zijn bij brief van 18 april 2016 in de gelegenheid gesteld toe te lichten waarom de inlichtingenverplichting niet is nagekomen. Dit in verband met het voornemen een boete op te leggen. Eisers hebben hier bij brief van 21 april 2016 op gereageerd, maar deze reactie bevat geen gemotiveerde betwisting van de gestelde schending van de inlichtingenverplichting.

18. Bij primair besluit II heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor zij ten onrechte bijstand heeft ontvangen over de periode van 22 september 2012 tot 1 januari 2016. Bij de bepaling van de hoogte van de boete heeft verweerder het terugvorderingsbedrag over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2015, te weten € 37.895,00, tot uitgangspunt genomen. Niet is gebleken van grove schuld of opzet. De boete is daarbij voor eisers vastgesteld op 50% en ingevolge artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, vastgesteld op de maximale boete van € 8.200,00. Daarbij is rekening gehouden met een draagkracht gebaseerd op het inkomen van eiser dat netto € 2.156,28 bedraagt.

19. Bij het vervangingsbesluit heeft verweerder, onder intrekking van primair besluit II, de boete verlaagd naar € 1.440,00 en deze alleen aan eiseres opgelegd. Omdat sprake is van ‘gewone’ verwijtbaarheid heeft verweerder een aflossingsperiode gehanteerd van 12 maanden. Verweerder heeft de draagkracht van eiseres fictief vastgesteld op € 120,00 per maand, hetgeen leidt tot een boete van € 1.440,00.

20. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen treffen de gronden dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding en dat eiseres niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden, alsmede dat er geen grond is voor terugvordering, geen doel.

21. Eiseres heeft geen gronden aangevoerd tegen de wijze waarop verweerder de boete heeft vastgesteld. Slechts is aangevoerd dat verweerder op grond van dringende redenen af had kunnen zien van het opleggen van een boete. Eiseres heeft hiertoe aangevoerd dat de boete naast de terugvordering tot een onnodig uitzichtloze financiële situatie leidt.

22. Op grond van het artikel 18a, zevende lid, van de Pw kan verweerder slechts van een boete afzien indien daartoe dringende redenen bestaan. Van dringende redenen is, volgens vaste rechtspraak, kort weergegeven, slechts sprake, indien het gaat om onaanvaardbare (financiёle of sociale) omstandigheden in een individueel geval. Er bestaat geen aanleiding deze rechtspraak niet eveneens van toepassing te achten in het kader van een boete op grond van artikel 18a van de Pw. Niet is gebleken dat in de situatie van eiseres sprake is van dergelijke onaanvaardbare omstandigheden.

23. Gelet op het voorgaande kan bestreden besluit II standhouden voor zover daarbij de boete is gehandhaafd op € 1.440,00.

24. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt. Verweerder heeft het bezwaar tegen primair besluit II terecht mede gericht geacht tegen het vervangingsbesluit. Het had echter op de weg van verweerder gelegen het bezwaar tegen primair besluit II niet-ontvankelijk te verklaren omdat gesteld noch gebleken is dat eiseres nog een rechtens te honoreren belang had bij beoordeling van het bezwaar van eiseres tegen het ingetrokken primair besluit II. Het voorgaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Het bestreden besluit II zal worden vernietigd, voor zover dit strekt tot ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het ingetrokken primair besluit II. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door, doende hetgeen verweerder zou behoren te doen, het bezwaar tegen primair besluit II niet ontvankelijk te verklaren. Het beroep zal voor het overige ongegrond worden verklaard.

25. De rechtbank ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten. Deze worden met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op € 990,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor de behandeling ter zitting, met een waarde per punt van € 495,00). Tevens zal worden bepaald dat verweerder het betaalde griffierecht aan eiseres moet voldoen.

Beslissing

In zaak SHE 16/2878

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

In zaak SHE 16/2883

De rechtbank:

  • -

    Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II gegrond, voor zover daarbij het bezwaar tegen primair besluit II ongegrond is verklaard;

  • -

    Vernietigt bestreden besluit II in zoverre;

  • -

    Verklaart het bezwaar tegen primair besluit II niet-ontvankelijk;

  • -

    Verklaart het beroep tegen bestreden besluit II ongegrond, voor zover daarbij het bezwaar tegen het vervangingsbesluit ongegrond is verklaard;

  • -

    Veroordeelt verweerder in de proceskosten in zaak SHE 16/2883 tot een bedrag van € 990,00;

  • -

    Bepaalt dat verweerder aan eiseres het betaalde griffierecht ad € 46,00 voldoet.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.F.C.J. Mosheuvel, voorzitter, en mr. M van ’t Klooster en mr. S.A.J. de Jong-Nibourg, leden, in aanwezigheid van J.H. van Wordragen-van Kampen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.