Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1534

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
17-03-2017
Datum publicatie
17-03-2017
Zaaknummer
01/865122-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich als medepleger schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van ruim 3,6 kilo MDMA en cocaïne door deze uitvoer te faciliteren. Daarnaast heeft verdachte 3,8 kilogram Xtc-pillen in zijn woning aanwezig gehad. Tevens heeft verdachte samen met een mededader vier vuurwapens met daarbij behorende munitie voorhanden gehad. De rechtbank veroordeelt verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 48 maanden. Het beroep van de verdediging op vrijspraak onder verwijzing naar de "Vidgen-jurisprudentie" wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Strafrecht

Parketnummer: 01/865122-16

Datum uitspraak: 17 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973,

thans gedetineerd in de P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 december 2016 en 3 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van de verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 3 november 2016. De tenlastelegging is op vordering van de officier van justitie ter terechtzitting van 3 maart 2017 gewijzigd. Van deze vordering is een kopie als bijlage 1 aan dit vonnis gehecht. Met inachtneming van deze wijziging is aan de verdachte ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 01 september 2016 te Eindhoven tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid pillen (met een totaalgewicht van ongeveer 2.825 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal, bevattende MDMA en/of een grote hoeveelheid poeder (met een totaalgewicht van ongeveer 843 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal, bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

[medeverdachte 1] op of omstreeks 01 september 2016 te Eindhoven opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, althans opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een grote hoeveelheid pillen (met een totaalgewicht van ongeveer 2.825 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal, bevattende MDMA en/of een grote hoeveelheid poeder (met een totaalgewicht van ongeveer 843 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal, bevattende cocaïne, zijnde MDMA en/of cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

welk feit verdachte in of omstreeks de periode van 29 augustus 2016 tot en met 1 september 2016 te Amsterdam en/of elders in Nederland en/of te Ibiza, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, door (een) gift(en) en/of (een) belofte(n) en/of misleiding en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen opzettelijk heeft uitgelokt, door met dat opzet met zijn mededader(s), althans alleen,

- die [medeverdachte 1] te benaderen om vanuit Ibiza naar Nederland te gaan en/of (vervolgens) vanuit Nederland met een koffer (met pillen) naar Ibizia te reizen en/of die [medeverdachte 1] daarvoor een geldelijke beloning in het vooruitzicht te stellen en/of

- die [medeverdachte 1] een hoeveelheid geld te geven ten behoeve van een vlucht van Ibiza naar Nederland en/of een vlucht van Nederland naar Ibiza en/of kosten van verblijf in Nederland en/of

- die [medeverdachte 1] te vergezellen tijdens zijn reis van Ibiza naar Amsterdam en/of

- die [medeverdachte 1] in Nederland onderdak te verschaffen en/of

- aan die [medeverdachte 1] een koffer, waarin voornoemd(e) materia(a)l(en) waren verborgen, te verstrekken en/of

- tegen die [medeverdachte 1] te zeggen dat er 95 procent kans was dat de smokkel zou slagen;

2. hij op of omstreeks 03 september 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid (XTC-)pillen (met een totaalgewicht van ongeveer 3.828 gram), in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3. hij op of omstreeks 03 september 2016 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meerdere, althans een, wapen(s) van categorie III, te weten vier vuurwapens, namelijk:

- een pistool van het merk Zastava, model M57-TT, kaliber 7,62 mm en/of

- een revolver van het merk Smith & Wesson, model 15 4, kaliber .38 en/of

- een revolver van het merk Smith & Wesson, model Lady Smith Gun, kaliber .22lr en/of - een pistool van het merk Mauser, model Luger P08, kaliber 9 mm

en/of een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten: - 47 patronen van het kaliber .38 special en/of

- 5 patronen van het kaliber .22LR en/of

- 50 patronen van het kaliber 9 mm

voorhanden heeft gehad;

de in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wet wapens en munitie betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Bovendien zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Bronnen.

  1. Een eindproces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, District Zuid, Brigade Brabant-Zuid, Afdeling Recherche, met BPS-mutatienummer 16-071692, afgesloten op 2 december 2016, in totaal 489 doorgenummerde bladzijden (hierna: eindproces-verbaal).

  2. Een NFI-rapport DNA onderzoek, van 20 december 2016, opgemaakt en ondertekend door ing. S. Tuinman, NFI-deskundige forensisch onderzoek (hierna: NFI-rapport DNA-onderzoek d.d. 20 december 2016 – [medeverdachte 2] ).

  3. Een NFI-rapport DNA onderzoek, van 20 december 2016, opgemaakt en ondertekend door ing. S. Tuinman, NFI-deskundige forensisch onderzoek (hierna: NFI-rapport DNA-onderzoek d.d. 20 december 2016 – [verdachte] ).

  4. Een rapport ‘Vergelijking van blauwe XTC-tabletten uit een koffer en een woning’, van het NFI, van 16 februari 2017, opgemaakt en ondertekend door dr. M.A. Hoitink, NFI-deskundige forensisch drugsonderzoek (hierna: NFI-rapport d.d. 16 februari 2017).

  5. Een proces-verbaal opgemaakt van de terechtzitting van 3 maart 2017, inhoudende de verklaring van de verdachte (hierna: proces-verbaal ter terechtzitting).

Bewijsbijlage.

Omwille van de leesbaarheid van de overwegingen, wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bijlage A bij dit vonnis (pagina’s 14 tot en met 23).

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit.

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1 primair.

De rechtbank stelt vast dat medeverdachte [medeverdachte 1] op 1 september 2016 op de luchthaven Eindhoven Airport als verdachte is aangehouden, nadat in zijn geprepareerde koffer verborgen verdovende middelen waren aangetroffen. In totaal werden in zijn koffer 2.825 gram pillen, bevattende MDMA, en 843 gram cocaïne gevonden.

[medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor van 13 oktober 2016 onder meer het volgende verklaard. Op 29 augustus 2016 zijn [medeverdachte 1] en medeverdachte [medeverdachte 2] – vergezeld door een vriendin van [medeverdachte 2] – gezamenlijk naar Amsterdam gevlogen. Hij heeft twee nachten verbleven in een bovenwoning aan de [adresgegevens] in Amsterdam. [medeverdachte 2] verbleef in die woning; de verdachte heeft hij daar ook ontmoet. [medeverdachte 1] kreeg van [medeverdachte 2] € 500 voor de kosten van de heen-en terugvlucht, de treinreis en zijn verblijf in Nederland. Op 1 september 2016 werd aan [medeverdachte 1] door de verdachte in de bovenwoning een geprepareerde koffer verstrekt met daarin verdovende middelen verborgen, waarna [medeverdachte 1] diezelfde dag naar luchthaven Eindhoven Airport is gereisd. De verdachte en [medeverdachte 2] vertelden [medeverdachte 1] dat er xtc-pillen in een geheim vak in de koffer zaten en dat de slagingskans van de smokkel 95% was. Vervolgens heeft [medeverdachte 1] de verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland gebracht door de koffer op de luchthaven Eindhoven Airport als bagage in te checken.

De verdachte heeft zijn betrokkenheid bij de uitvoer van de verdovende middelen ontkend.

Door en namens de verdachte is onder meer aangevoerd dat [medeverdachte 1] wisselend en niet consistent heeft verklaard en dat daarom zijn politieverklaring van 13 oktober 2016, waarin hij de verdachte heeft belast, niet betrouwbaar is en niet voor het bewijs gebezigd zou mogen worden.

De rechtbank overweegt het volgende.

De rechtbank acht de enkele omstandigheid dat [medeverdachte 1] in zijn eerste verklaringen bij de politie zijn betrokkenheid heeft ontkend of gemarginaliseerd, niet van zodanig doorslaggevend belang dat de voor het bewijs redengevende onderdelen van zijn latere verklaring, waarin hij (deels) openheid van zaken heeft gegeven, buiten het bewijs dienen te blijven. De rechtbank overweegt in dit kader bovendien dat [medeverdachte 1] met deze verklaring niet alleen de verdachte en [medeverdachte 2] aanzienlijk heeft belast, maar ook zichzelf.

Door de verdediging is, onder verwijzing naar de Vidgen-jurisprudentie, verder bepleit dat de verklaringen van [medeverdachte 1] van het bewijs uitgesloten dienen te worden aangezien de verdediging ten aanzien van hem het ondervragingsrecht niet heeft kunnen uitoefenen, teneinde de betrouwbaarheid te kunnen toetsen. [medeverdachte 1] heeft immers als getuige ten overstaan van de rechter-commissaris geen inhoudelijke vragen willen beantwoorden.

In het licht van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) heeft de Hoge Raad in vaste jurisprudentie geoordeeld dat het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal van de politie voor zover inhoudende een door enig persoon in het opsporingsonderzoek afgelegde, de verdachte belastende, verklaring niet zonder meer ongeoorloofd is en in het bijzonder niet onverenigbaar met artikel 6, eerste lid, en derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM. Van die onverenigbaarheid is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het EVRM gewaarborgde recht. Indien de verdachte belastende verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen, in die zin dat de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal, is gebruik van die verklaring niet ongeoorloofd. Dit steunbewijs zal dan betrekking moeten hebben op die onderdelen van de hem belastende verklaring die de verdachte betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [medeverdachte 1] van 13 oktober 2016 ten aanzien van de betrokkenheid van de verdachte bij de uitvoer van de harddrugs in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen en daarom acht zij deze verklaring redengevend voor het bewijs. De verdediging heeft tevens aangevoerd dat de andere bewijsmiddelen niet afdoende zijn voor een bewezenverklaring van het aan de verdachte onder feit 1 primair ten laste gelegde. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet noodzakelijk. Uit de Vidgen-jurisprudentie volgt namelijk dat het reeds voldoende is als de betrokkenheid van de verdachte bij het hem ten laste gelegde feit wordt bevestigd door ander bewijsmateriaal. De bewezenverklaring behoeft aldus niet volledig gegrond te zijn op het andere bewijsmateriaal. De rechtbank verwerpt het verweer van de verdediging op dit onderdeel.

De rechtbank overweegt dat op de telefoon van [medeverdachte 1] een foto is aangetroffen waarvan uit onderzoek is gebleken dat deze op 31 augustus 2016 is gemaakt in de bovenwoning aan de [adresgegevens] in Amsterdam. Verdachte was de huurder van die woning en verhuurde die destijds onder aan [medeverdachte 2] . In die bovenwoning is tijdens een doorzoeking onder meer een afschrift van een boeking van een vlucht van Ibiza naar Amsterdam op 29 augustus 2016 aangetroffen. Op deze boeking stonden als passagiers vermeld [betrokkene] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [betrokkene] stond als ‘contact information’ op de vluchtgegevens vermeld. Ook het paspoort van verdachte is in die woning aangetroffen.

Tevens is uit een observatie van het pand [adresgegevens] op 2 september 2016 en uit verklaringen van buurtbewoners gebleken dat de verdachte en [medeverdachte 2] vaak in elkaars nabijheid verkeerden en contact met elkaar hadden. Gezien is onder meer dat beiden tegelijk het pand aan de [adresgegevens] verlaten en op een scooter stappen. Naar het oordeel van de rechtbank rijmt dit met de verklaring van [medeverdachte 1] dat de verdachte en [medeverdachte 2] elkaar kenden.

Verder is een negental blauwe xtc-pillen, aangetroffen in een koffer in de zolderbox behorende bij de bovenwoning van de verdachte, door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) onderworpen aan een vergelijkend onderzoek met de pillen die zijn aangetroffen in de koffer van [medeverdachte 1] die in beslag is genomen op Eindhoven Airport. De resultaten van dit onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker wanneer deze xtc-pillen van dezelfde productiepartij xtc-pillen afkomstig zijn, dan wanneer zij uit verschillende productiepartijen komen.

Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam komen vast te staan dat [medeverdachte 1] als koerier feitelijk de verdovende middelen buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht. De rechtbank overweegt dat, nu voldoende bewijs ontbreekt dat de verdachte zelf alle elementen van de delictsomschrijving voor zijn rekening heeft genomen, om hem toch daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk te kunnen houden, bezien zal moeten worden of de onder feit 1 primair ten laste gelegde deelnemingsvorm medeplegen kan worden bewezen verklaard.

In het geval van medeplegen houden de voorwaarden voor aansprakelijkstelling vooral in dat sprake moet zijn geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht.

De vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken, laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezen verklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is.

Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt onder meer dat [medeverdachte 2] hem € 500 heeft gegeven voor de bekostiging van zijn heen- en terugreis en zijn verblijf in Nederland. Bovendien heeft [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] onderdak verschaft in de bovenwoning van de verdachte en heeft hij samen met de verdachte, nadat de verdachte in het bijzijn van [medeverdachte 2] aan [medeverdachte 1] de geprepareerde koffer ter beschikking had gesteld, tegen [medeverdachte 1] gezegd dat de verdovende middelen in een verborgen compartiment in de koffer verstopt zaten en dat de smokkel 95% kans van slagen zou hebben.

Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte samen met [medeverdachte 2] de drugssmokkel van [medeverdachte 1] in materiële zin heeft gefaciliteerd. In die zin acht de rechtbank de rol van de verdachte en [medeverdachte 2] bij de voorbereiding van de drugssmokkel omvangrijk, maar – belangrijker nog – voor het welslagen van de smokkel essentieel. Zonder hun handelen had de feitelijke smokkel door [medeverdachte 1] naar het oordeel van de rechtbank immers geen doorgang kunnen vinden. De rechtbank overweegt dat de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 2] hiermee een intellectuele en materiële bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd, dat van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hen en [medeverdachte 1] ten behoeve van de drugssmokkel kan worden gesproken en dat de verdachte daarom als medepleger daarvan kan worden aangemerkt. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] leidt de rechtbank bovendien af dat de intentie van de verdachte was gericht op de samenwerking. Verder kan op grond van die verklaring genoegzaam worden vastgesteld dat de verdachte ook bekend was met de intentie van de medeverdachten.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank dan ook feit 1 primair wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2 en feit 3.

De rechtbank stelt vast dat op 3 september 2016 in de zolderbox, behorende bij de bovenwoning van de verdachte aan de [adresgegevens] in Amsterdam, in een blauwe reiskoffer in totaal ongeveer 3.828 gram pillen, bevattende MDMA, is aangetroffen (feit 2), alsmede in een grijze reiskoffer vier vuurwapens en munitie (feit 3).

De verdachte heeft ontkend genoemde hoeveelheid xtc-pillen opzettelijk aanwezig gehad te hebben. Eveneens heeft hij ontkend zich bewust te zijn geweest van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie op de zolderbox.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Verbalisanten hebben de verdachte tijdens zijn verhoor op 4 september 2016 horen zeggen dat hij als enige een sleutel had van de betreffende zolderbox. Op deze verklaring is de verdachte later teruggekomen, naar eigen zeggen nadat hij door de politie was geconfronteerd met de hoeveelheid verdovende middelen en wapens en munitie die aldaar waren aangetroffen. Reeds hierom hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van de verdachte dat ook anderen dan hij een sleutel hadden van de zolderbox. Gelet op de waarde van de verdovende middelen ligt ook niet voor de hand dat anderen over een sleutel van de zolderbox beschikten. Evenmin is op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting aannemelijk geworden dat derden de zolderbox van de verdachte hebben betreden en daar vervolgens de verdovende middelen en wapens en munitie hebben achtergelaten.

Bovendien heeft de verdachte geen verklaring gegeven voor het feit dat er op een handschoen, aangetroffen in een Albert Heijn-tas in de blauwe reiskoffer waarin ook de verdovende middelen zijn aangetroffen, biologisch celmateriaal is gevonden waarvan het DNA-profiel matcht met dat van hem, met een frequentie van kleiner dan 1 op 1 miljard. De verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting dat hij als schilder heeft gewerkt en dat het daarom mogelijk is dat hij die handschoen heeft gebruikt bij het schilderen en deze vervolgens op de zolder heeft gelegd, acht de rechtbank ongeloofwaardig, temeer omdat de handschoen niet los in de zolderbox is aangetroffen, maar zoals reeds overwogen in een plastic tas in een koffer waarin ook de verdovende middelen zijn gevonden.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte genoemde hoeveelheid xtc-pillen opzettelijk aanwezig heeft gehad, zoals aan hem onder feit 2 is ten laste gelegd. De rechtbank zal de verdachte bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs vrijspreken van het onderdeel dat betrekking heeft op het medeplegen.

Met betrekking tot feit 3 overweegt de rechtbank nog in het bijzonder dat de verdachte in het licht van zijn verklaring dat alleen hij een sleutel van de zolderbox had, geen plausibele verklaring heeft gegeven waarom de koffer met daarin de vuurwapens en munitie op zijn zolderbox stond of – minst genomen – wie de vuurwapens en de munitie dan buiten zijn wetenschap om in de koffer zou(den) kunnen hebben gelegd.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat er op één van de aangetroffen wapens biologisch celmateriaal is aangetroffen waarvan het DNA-profiel matcht met dat van medeverdachte [medeverdachte 2] , met een berekende frequentie van kleiner dan 1 op 1 miljard. Gebleken is dat de verdachte regelmatig contact had met [medeverdachte 2] , aan wie hij zijn bovenwoning onderverhuurde. De verdachte heeft evenmin een redengevende verklaring gegeven voor de aanwezigheid van DNA van [medeverdachte 2] op één van de vuurwapens in een koffer op de zolderbox, terwijl [medeverdachte 2] niet beschikte over een sleutel van die zolderbox.

Omdat de vuurwapens en munitie in één koffer zijn aangetroffen op de zolderbox waarvan slechts de verdachte een sleutel had én deze koffer naast een koffer stond met daarin onder meer verdovende middelen en een handschoen waarop DNA van de verdachte is gevonden, acht de rechtbank voldoende bewezen dat de verdachte zich ook bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de vuurwapens en de munitie in de betreffende koffer.

De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de bewijsvoering, in het bijzonder de omstandigheden dat de verdachte zijn bovenwoning onderverhuurde aan [medeverdachte 2] en dat er DNA van [medeverdachte 2] op één van de vuurwapens is aangetroffen, worden afgeleid dat niet alleen de verdachte, maar ook medeverdachte [medeverdachte 2] bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie in de zolderbox. Verder is uit een observatie van het pand [adresgegevens] en uit verklaringen van buurtbewoners gebleken dat de verdachte en [medeverdachte 2] vaak in elkaars nabijheid verkeerden en contact met elkaar hadden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen dat [medeverdachte 2] wetenschap moet hebben gehad van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie. De rechtbank acht daarom sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte 2] bij het voorhanden hebben van die wapens en munitie, zodat er sprake is van medeplegen in de zin van artikel 47, eerste lid, onder 1º, van het Wetboek van Strafrecht.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierna uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

(1 primair.) op 1 september 2016 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland heeft gebracht, een grote hoeveelheid pillen, bevattende MDMA (met een totaalgewicht van ongeveer 2.825 gram) en een grote hoeveelheid poeder, bevattende cocaïne (met een totaalgewicht van ongeveer 843 gram), zijnde MDMA en cocaïne telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(2.) op 3 september 2016 te Amsterdam opzettelijk aanwezig heeft gehad een grote hoeveelheid xtc-pillen, bevattende MDMA (met een totaalgewicht van ongeveer 3.828 gram), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

(3.) op 3 september 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, wapens van categorie III, te weten vier vuurwapens, namelijk:

- een pistool van het merk Zastava, model M57-TT, kaliber 7,62 mm en

- een revolver van het merk Smith & Wesson, model 15 4, kaliber .38 en

- een revolver van het merk Smith & Wesson, model Lady Smith Gun, kaliber .22lr en - een pistool van het merk Mauser, model Luger P08, kaliber 9 mm en een hoeveelheid munitie van categorie III, te weten: - 47 patronen van het kaliber .38 special en

- 5 patronen van het kaliber .22LR en

- 50 patronen van het kaliber 9 mm,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van de verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

De motivering van de beslissing.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van de tijd die de verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is als bijlage 2 aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval dat de rechtbank tot strafoplegging zou overgaan, heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat rekening gehouden dient te worden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij is first offender en uit het adviesrapport van Reclassering Nederland blijkt dat hij dringend behandeling nodig heeft voor zijn antisociale persoonlijkheidsstoornis, depressieve klachten en narcistische en borderline trekken. Daarnaast heeft de verdachte twee kinderen met wie het momenteel erg slecht gaat, omdat zij hun vader missen. De verdachte heeft er een groot persoonlijk belang bij om zijn rol als vader te kunnen vervullen. Ook kan de verdachte na zijn detentie nu nog bij zijn ex-vriendin terecht, teneinde een andere woning te kunnen zoeken, maar naarmate zijn detentie langer duurt, wordt deze mogelijkheid minder waarschijnlijk.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door de verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich in vereniging schuldig gemaakt aan de opzettelijke uitvoer van ruim 3,6 kilo harddrugs. Hij heeft weliswaar feitelijk niet zelf deze aanzienlijke hoeveelheid verdovende middelen gesmokkeld, maar hij heeft samen met medeverdachte [medeverdachte 2] de smokkel gefaciliteerd door onder meer aan de drugskoerier een geprepareerde koffer met daarin de verdovende middelen ter beschikking te stellen, hem onderdak te bieden en zijn reis- en verblijfskosten te betalen. De verdachte heeft bij het plegen van de feiten gehandeld uit puur winstbejag en heeft zich niets aangetrokken van het feit dat MDMA en cocaïne voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen betreffen. De uitgevoerde hoeveelheid harddrugs was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in dit soort harddrugs gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stoffen.

Daarnaast heeft de verdachte ook ruim 3,8 kilogram xtc-pillen opzettelijk aanwezig gehad in zijn bovenwoning in Amsterdam. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.

Tevens heeft de verdachte vier vuurwapens en munitie voorhanden gehad. Drie van de vier vuurwapens waren geladen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens en munitie verhoogt het risico op een levensbedreigend geweldsdelict. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben daarvan.

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde acht de rechtbank, evenals de officier van justitie, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

De rechtbank zal een gevangenisstraf van kortere duur opleggen dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank van oordeel is dat de straf die zij aan de verdachte zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 2] ieder een wezenlijk aandeel hebben gehad bij de uitvoer van de harddrugs. Ook hebben zij de vuurwapens en munitie in vereniging voorhanden gehad. Weliswaar heeft de verdachte ook nog ruim 3,8 kilogram MDMA opzettelijk voorhanden gehad, maar – anders dan [medeverdachte 2] – is hij niet eerder voor een strafbaar feit veroordeeld. Gelet op dit alles acht de rechtbank het daarom passend om aan de verdachte en [medeverdachte 2] dezelfde straf op te leggen.

Gelet op de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten acht de rechtbank geen termen aanwezig om een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm op te leggen, zoals bij wijze van subsidiair standpunt geadviseerd door Reclassering Nederland in haar adviesrapport van 5 december 2016.

Alles overziend zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden. De rechtbank zal bevelen dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen 27, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 2, 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. De uitspraak.

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor onder feit 1 primair, feit 2 en feit 3 bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart dat het bewezen verklaarde oplevert:

ten aanzien van feit 1 primair: medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd; ten aanzien van feit 2: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod; ten aanzien van feit 3: medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden;

beveelt dat de tijd, door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, in mindering zal worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van de aan de verdachte opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.M. Kooijmans-de Kort, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. R.M.L. Heemskerk-Pleging, leden,

in tegenwoordigheid van mr. I.J.M. Weemers, griffier,

en is uitgesproken op 17 maart 2017.

Bijlage A – de bewijsmiddelen (verkort en zakelijk weergegeven).

(…)