Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:146

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
01/993300-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor kort gezegd opzetheling van een sloep en een trailer, de aanwezigheid van een hennepkwekerij (440 hennepplanten), witwassen meermalen gepleegd en uitkeringsfraude.

Vrijspraak voor diefstal van de sloep en de trailer en voor valsheid in geschrift.

Opgelegd wordt een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest.

Niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen in de vorderingen.

Uitzondering una via-beginsel.

Beroep op schending van een vormverzuim ex art. 359a Sv niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/993300-14

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1967] ,

wonende te [woonplaats] , [adres 1] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 28 november 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 29 december 2016 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

1.

hij op een tijdstip in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 13 december 2014 te Lemmer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in / uit een loods heeft weggenomen een sloep (merk Polar) en/of een trailer (merk Freewheel), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en / of zijn mededader(s), waarbij verdachte en / of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft / hebben verschaft en / of de / het weg te nemen goed(eren) onder zijn / hun bereik heeft / hebben gebracht door middel van braak, verbreking en / of inklimming, hebbende hij en/of zijn mededader(s) een cilinderslot en/of een overheaddeur van voornoemde loods geforceerd en/of vernield;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 december 2014 tot en met 12 februari 2015 te Lemmer en/of Amsterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een sloep (merk Polar) en/of een trailer (merk Freewheel) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en/of zijn mededader(s) ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van voornoemde goed(eren) wist(en) dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

Dossiermap 19

2.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 maart 2014 te Oosterhout, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid hennep en/of ongeveer 440 hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;

Dossiermap 13

3.

hij op een tijdstip in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 21 augustus 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een huurcontract - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk dat huurcontract(Marquette 12) ondertekend (met de gegevens "Amsterdam 21.10.2013"), zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Dossiermap 14

4.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2011 tot en met 12 februari 2015, te Amsterdam, althans in Nederland,

  • -

    van (een) voorwerp(en), te weten een of meer geldbedrag(en) (in totaal ongeveer 349.014,54 euro), de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op (een) voorwerp(en) was of wie bovenomschreven voorwerp(en), te weten voornoemd(e) geldbedrag(en), voorhanden had, terwijl hij wist dat dat/die voorwerp(en) - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit misdrijf, en/of

  • -

    heeft hij, verdachte bovenomschreven geldbedrag(en) (in totaal ongeveer € 349.014,54) verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van bovenomschreven geldbedrag(en) gebruik gemaakt, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf

immers heeft verdachte meerdere malen, in ieder geval eenmaal (een) contante storting(en) gedaan op een bankrekening op naam van [persoon 1] (dochter van verdachte);

Dossiermap 20

5.

(parketnummer: 01/993299-15)

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 20 december 2011 tot en met 30 september 2013 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Inlichtingenplicht, zoals bedoeld in artikel 17 Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten het recht op bijstand of op zijn arbeidsinschakeling, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door het niet melden van inkomsten (uit kamerverhuur en/of woningbemiddeling) en/of vermogensbestanddelen;

art 227b Wetboek van Strafrecht

Ad informandum gevoegde strafbare feiten

Parketnr. Feitgegevens (pleegperiode, -lokatie, -plaats, omschr.feit)

993300-14

1)

1 maart 2014 tot en met 1 april 2014, Oosterhout en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, Valsheid in geschrifte en poging tot oplichting van [verzekeringsmaatschappij] (art. 225 en 326 wetboek van Strafrecht)

dossiermap 18

2)

1 oktober 2014 tot en met 25 maart 2015, Amsterdam en/of Huizen, oplichting van [autoverhuurbedrijf] en het laten wijzigen van tellerstanden van twee, in elk geval een of meer personenauto's (art. 326 Wetboek van Strafrecht en art 70m Wegenverkeerswet)

dossiermap 18

3)

29 november 2011 tot en met 23 september 2014, Amsterdam, faillissementsfraude: bedrieglijke bankbreuk en handelen in strijd met de wettelijke inlichtingenplicht (artt 341 en 194 Wetboek van Strafrecht)

dossiermap 22

4) - 29 februari 2012 en 22 januari 2013, Doetinchem en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, onjuist of onvolledig doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2011

- 26 en 28 februari 2013, Doetinchem en/of Apeldoorn, in elk geval in Nederland, onjuist of onvolledig doen van aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2012 ( art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen)

dossiermap 23

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is.

De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen.

De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 5 ten laste gelegde bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging.

Hij heeft daartoe aangevoerd dat het beleid is dat een geringe bijstandsfraude bestuursrechtelijk wordt afgehandeld. In deze zaak betreft het een nadeel dat onder de grens van € 50.000,-- ligt. De zaak is dan ook onterecht door justitie binnen het bereik van het strafrecht gebracht. Ook is niet aan de orde dat justitie terecht een beroep op een uitzonderingsbepaling zou kunnen doen.

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en overweegt als volgt.

In de Aanwijzing (afhandeling) sociale zekerheidsfraude (geldend van 01-01-2013 t/m 31-03-2016 en gewijzigd vanaf 1 april 2016), met betrekking tot het opsporings- en vervolgingsbeleid met betrekking tot fraude bij uitkeringen verstrekt krachtens de sociale zekerheidswetgeving, is vermeld dat zaken met een nadeel van minder dan € 50.000,-- in beginsel bestuursrechtelijk worden afgedaan. Een strafrechtelijke interventie vindt in beginsel plaats wanneer er sprake is van een benadelingsbedrag van € 50.000,-- of meer. Gelet op het una via-beginsel dient in elke zaak een keuze gemaakt te worden tussen één van beide stelsels. In deze aanwijzing zijn diverse uitzonderingen gemaakt. Een van deze uitzonderingen (uitzondering 2) is dat een strafrechtelijke afdoening kan plaatsvinden als er sprake is van een combinatie van sociale zekerheidsfraude met een of meer (andersoortige) strafbare feiten.

In deze zaak is sprake van een benadelingsbedrag van minder dan € 50.000,--. Gelet op de samenloop van deze zaak met de verdenking van andere misdrijven (bedrieglijke bankbreuk) is in overleg met de officier van justitie gekozen voor een strafrechtelijke afdoening (pag. 23 van dossier 2). Uit het betreffende dossier blijkt dat verdachte vanaf 29 november 2011 in staat van faillissement is verklaard en dat de curator op 17 september 2013 is gehoord als getuige. De curator heeft verklaard dat verdachte geen inkomsten heeft gemeld bij de curator. Op grond hiervan roept het bij de rechtbank geen vragen op dat er in deze zaak bij de keuze over de afdoening is uitgegaan van samenloop met een of meer andere misdrijven, waarvan verdachte wordt verdacht.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de officier van justitie niet in strijd heeft gehandeld met voornoemde Aanwijzing en dat de officier van justitie ten aanzien van feit 5 kan worden ontvangen in de vervolging.

Ook ten aanzien van de overige ten laste gelegde feiten kan de officier van justitie in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak ten aanzien van feit 3.

De officier van justitie acht het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak van feit 3 bepleit.

De rechtbank overweegt als volgt.

Onder feit 3 is ten laste gelegd dat verdachte en/of zijn mededader(s) valselijk het huurcontract (Marquette 12) heeft/hebben ondertekend met de gegevens “Amsterdam 21.10.2013”. Uit deze tekst van de tenlastelegging blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de steller van de tenlastelegging heeft beoogd om het verwijt tot uitdrukking te brengen dat de verdachte en/of zijn mededaders(s) valsheid aan het huurcontract heeft/hebben aangebracht door in strijd met de waarheid deze gegevens daarin op te nemen. Anders gezegd, om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, dient te worden vastgesteld dat de gegevens ‘Amsterdam’ en ’21.10.2013’ vals zijn. Van deze gegevens staat naar het oordeel van de rechtbank echter niet vast dat deze vals zijn.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is wel gebleken dat in het huurcontract personalia van de huurder zijn vermeld, die in strijd zijn met de waarheid. Deze valsheid is echter niet ten laste gelegd.

De rechtbank acht gelet op het hiervoor overwogene niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 3 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1 subsidiair ten laste gelegde heling van de sloep en trailer wettig en overtuigend bewezen.

Voorts acht de officier van justitie de feiten 2, 4 en 5 wettig en overtuigend bewezen. Ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde feit ‘witwassen’ acht de officier van justitie bewezen dat verdachte geldbedragen die verkregen zijn met het plegen van strafbare feiten heeft omgezet en gebruikt.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1, 2 en 4.

Het oordeel van de rechtbank.

Omwille van de leesbaarheid van het vonnis wordt voor wat betreft de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen verwezen naar de uitwerking daarvan. Deze is gevoegd als bewijsbijlage (pag. 16 tot en met 31) bij dit vonnis, en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot de feiten waarop deze in het bijzonder betrekking hebben.

Nadere bewijsoverwegingen en de bewijsbeoordeling.

Ten aanzien van feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte van de onder 1 primair ten laste gelegde diefstal met braak in vereniging gepleegd dient te worden vrijgesproken. Op grond van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat verdachte als medepleger betrokken is geweest bij de diefstal van de sloep en de trailer.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opzetheling van de ten laste gelegde sloep (merk Polar) en een trailer (merk Freewheel).

Verdachte heeft bekend de sloep en trailer voor een bedrag van € 6.000,-- van [persoon 2] te hebben gekocht. [persoon 2] heeft -kort gezegd- verklaard dat verdachte de sloep en trailer van hem heeft gekocht, dat er daarvoor al telefonisch contact tussen beiden is geweest over het wegnemen en afnemen van de sloep en dat verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de sloep en trailer wist dat deze goederen van diefstal afkomstig waren.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de belastende verklaring van [persoon 2] , welke verklaring wordt ondersteund door de overige bewijsmiddelen, waaronder de tapgesprekken, zoals opgenomen in de bewijsbijlage.

Ten aanzien van feit 2.

De raadsman van verdachte heeft bezwaar gemaakt tegen de bewijsgaring ten aanzien van feit 2. De verhuurder heeft aldus de raadsman in het pand ingebroken en daarna de politie ingelicht. Het is, aldus de raadsman, de vraag of voor het bewijs gebruik mag worden gemaakt van de op deze wijze verkregen informatie.

De rechtbank laat het bezwaar van de verdediging onbesproken. Van de verdediging die een beroep doet op schending van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv, mag worden verlangd dat duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de wettelijke beoordelingsfactoren wordt aangegeven dat en tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg het verzuim dient te leiden. Alleen op een zodanig verweer moet door de rechter een met redenen omklede beslissing worden gegeven. Het door de verdediging aangevoerde voldoet hieraan niet. Ook ambtshalve heeft de rechtbank geen redenen gevonden om bijzondere aandacht te besteden aan de rechtmatigheid van de bewijsgaring.

Op grond van de in de bewijsbijlage opgenomen bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 maart 2014 opzettelijk in het pand aan de [adres 2] te Oosterhout 440 hennepplanten tezamen en in vereniging met een ander of anderen aanwezig heeft gehad.

Uit de bewijsmiddelen blijkt het navolgende.

Verdachte is in de bewezen verklaarde periode huurder van het pand [adres 2] te Oosterhout. Verdachte verbleef in deze periode veelvuldig in voornoemd pand. Verdachte had een deel van het pand, het deel waar de hennepkwekerij is aangetroffen, ter beschikking gesteld aan anderen. Op papier had hij dit deel onderverhuurd aan [persoon 3] .

Verdachte heeft bij de politie op 30 september 2015 verklaard dat hij wist van het plan dat ‘ze’ op de [adres 2] een wietplantage gingen beginnen. Ter terechtzitting is verdachte teruggekomen op deze verklaring. De rechtbank houdt verdachte echter aan zijn op 30 september 2015 afgelegde verklaring dat hij wist van het plan in het pand een wietplantage te beginnen.

Dat verdachte wist van de aanwezigheid van de hennep wordt bevestigd door de belastende verklaring van [getuige 1] . Deze getuige heeft verklaard dat verdachte 100% wist van de plantage op de [adres 2] en dat er vooroverleg is geweest in de keuken tussen onder meer [verdachte] en hem en dat hij aan verdachte jongens heeft aangedragen voor de kwekerij.

Dat verdachte op de hoogte was van de aanwezigheid van de hennepkwekerij leidt de rechtbank tevens af uit de omstandigheid dat verdachte tijdens een inspectie op 5 maart 2014 de verhuurder het hele pand heeft laten zien, behalve de achterste ruimte waar de hennep is aangetroffen. Verdachte zei tegen de verhuurder dat er alleen maar handel in stond en dat hij niet in die ruimte kon. Bij de ontruiming op 27 maart 2014 vroeg verdachte de verhuurder [persoon 4] of hij de hennepkwekerij mocht zien. Toen verdachte in de ruimte stond zei hij, aldus de verhuurder: ‘O, ze hebben wel alles meegenomen’. Hieruit kan eveneens worden afgeleid dat verdachte wist wat er in de ruimte stond.

Voorts is verdachte op 6 maart 2014 gezien tijdens werkzaamheden op het dak van de studio. Dit is op dezelfde plaats waar de drie doorvoeren van de hennepkwekerij zaten.

Uit het vorenstaande leidt de rechtbank af dat verdachte wist van de aanwezigheid van de hennepkwekerij in het pand [adres 2] te Oosterhout en dat hij ook bij deze hennepkwekerij betrokken is geweest. Verdachte had als huurder en bewoner van het pand ook de beschikkingsmacht over de hennepkwekerij. Bij een controle van het pand heeft verdachte de verhuurder, de heer [persoon 4] , bewust weggehouden van het deel waar de hennepkwekerij zich bevond.

Op grond van deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte schuldig is aan het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 440 hennepplanten in het pand [adres 2] te Oosterhout.

De rechtbank acht de verklaringen van de vermeende onderhuurder [persoon 3] dat verdachte niets te maken heeft met de hennepkwekerij, gelet op de hiervoor vermelde bewijsmiddelen, waaronder de belastende verklaring van [getuige 1] , volstrekt ongeloofwaardig en schuift deze verklaringen van [persoon 3] dan ook terzijde. Uit opgenomen telecommunicatie tussen verdachte en [persoon 3] op 18 december 2014 blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte en [persoon 3] verklaringen op elkaar willen afstemmen, kennelijk om de waarheid te bemantelen. Er wordt tijdens dit gesprek onder meer gesproken over het feit dat verdachte graag op een lijn wil blijven met [persoon 3] , zodat als de politie komt ze niet tegen elkaar worden uitgespeeld. Vervolgens wordt afgesproken dat alles goed besproken moet worden, maar niet via de telefoon.

Ten aanzien van feit 4.

De rechtbank leidt uit de beschikbare bewijsmiddelen de volgende feiten en omstandigheden af.

Verdachte heeft sinds 2008 de beschikking over de ING-bankrekening ten name van zijn dochter [persoon 1] . Uit de verklaring van verdachte en de verklaring van zijn dochter [persoon 1] blijkt dat verdachte de enige persoon was die in de ten laste gelegde periode van 1 januari 2011 tot en met 12 februari 2015 beschikte over deze rekening. Het betreft de [rekeningnummer] .

In de periode van 1 januari 2011 tot en met 12 februari 2015 is een bedrag van € 349.014,54 aan contante stortingen bijgeboekt op deze rekening. Dit betrof in totaal 193 cashstortingen.

In deze periode werden in totaal 61 huurbetalingen van in totaal € 37.854,-- op voornoemd rekeningnummer ontvangen. In genoemde periode hebben in totaal 41 terugbetalingen plaatsgevonden met een totaalbedrag van € 54.254,06.

Verdachte heeft bekend contante stortingen op voornoemde rekening te hebben gedaan. Uit opgevraagde beelden is ook gebleken dat verdachte bij verschillende kantoren van de [bank 1] is te zien direct voor, tijdens of na een contante storting op voornoemde rekening.

Verdachte heeft via voornoemde rekening ook diverse betalingen gedaan zoals onder meer overschrijvingen naar rekeningen van zijn kinderen, betalingen in verband met de huur van personenauto’s en een betaling in verband met de aanschaf van een auto.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte in de periode van 1 januari 2011 tot en met 12 februari 2015 niet voldoende legale inkomsten heeft gehad om voornoemde stortingen en uitgaven te kunnen verklaren. De fiscaal bekende legale inkomsten en/of het vermogen van verdachte waren volstrekt ontoereikend om dit contante geld en/of girale tegoeden te verwerven. Ook is door de curator, in het kader van het faillissement van verdachte van 29 november 2011, geen vermogen of inkomen vastgesteld dat de herkomst van het contante geld en girale tegoeden kunnen verklaren.

Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij regelmatig inkomsten uit de verhuur contant heeft ontvangen en regelmatig ook weer contant heeft terugbetaald. Van deze betalingen of terugbetalingen zijn geen kwitanties opgemaakt. Daarnaast hield verdachte in de ten laste gelegde periode geen administratie bij van zijn gestelde inkomsten en uitgaven.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte zich voor en in de ten laste gelegde periode bezig hield met criminele praktijken en daar eerder ook onherroepelijk voor is veroordeeld.

Verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij gedwongen was de bankrekening op naam van zijn dochter te gebruiken omdat hij in verband met eerdere veroordelingen geen bankrekening op eigen naam kon openen.

Deze verklaring van verdachte wordt echter weerlegd door de bevindingen van de financiële rechercheur.

Deze heeft onderzoek naar de stelling van verdachte gedaan en uit dit onderzoek is gebleken dat binnen het bankwezen afspraken zijn gemaakt met verschillende instanties dat een ieder moet kunnen beschikken over ten minste een basis bankrekening. Daarbij dient deze persoon aan een aantal voorwaarden te voldoen. Hij moet meerderjarig zijn, een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland en een geldig legitimatiebewijs hebben. Niet is gebleken dat verdachte niet aan deze voorwaarden kon voldoen.

Uit de door de verdediging ter zitting overgelegde salarisspecificatie d.d. 30 september 2016 blijkt overigens dat zijn salaris is betaald op [rekeningnummer] op naam van verdachte.1 Verdachte had reeds in 2012 deze rekening bij [bank 2] , zo blijkt uit het procesdossier.2 Kennelijk kon verdachte toch over een bankrekening beschikken.

Op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, zoals opgenomen in de bewijsmiddelen, was er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.

Verdachte gebruikte zonder goede reden de bankrekening op naam van zijn dochter, deed vele contante stortingen op deze rekening, had geen of onvoldoende legale inkomsten die de vele contante stortingen verklaarden en kon op geen enkele wijze de herkomst van de contante stortingen en de omvangrijke girale tegoeden inzichtelijk maken. Verdachte kon over de gelden op deze rekening beschikken. Een concrete, min of meer verifieerbare verklaring over de herkomst van deze gelden heeft verdachte niet gegeven. Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte grote hoeveelheden contant geld op de rekening van zijn dochter heeft gestort, terwijl hij wist dat dit geld onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Met deze handelwijze heeft verdachte verhuld wie de rechthebbende op die geldbedragen was en heeft hij deze geldbedragen voorhanden gehad en omgezet.

Ten aanzien van feit 5.

Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij in de ten laste gelegde periode inkomsten heeft gehad uit kamerverhuur en woningbemiddeling. Deze inkomsten heeft hij opzettelijk niet opgegeven bij de gemeente Amsterdam, terwijl hij wel een uitkering genoot van deze gemeente. Verdachte wist dat hij deze inkomsten had moeten opgeven bij de gemeente.

Op grond van de in de bewijsbijlage genoemde bewijsmiddelen acht de rechtbank het onder 5 ten laste wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder de bewezenverklaring is vermeld.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang en verband bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

Subsidiair:

in de periode van 12 december 2014 tot en met 12 februari 2015 te Amsterdam een sloep (merk Polar) en een trailer (merk Freewheel) heeft verworven en voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het verwerven en het voorhanden krijgen van voornoemde goederen wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.

2.

in de periode van 1 januari 2014 tot en met 23 maart 2014 te Oosterhout, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad in een pand aan de [adres 2] 440 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

4.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2011 tot en met 12 februari 2015 in Nederland,

  • -

    van voorwerpen, te weten geldbedragen heeft verhuld wie de rechthebbende op deze voorwerpen was terwijl hij wist dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en

  • -

    geldbedragen voorhanden heeft gehad en omgezet, terwijl hij wist dat deze – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf,

immers heeft verdachte meerdere malen, contante stortingen gedaan op een bankrekening op naam van [persoon 1] (dochter van verdachte).

5.

(parketnummer: 01/993299-15)

op tijdstippen in de periode van 20 december 2011 tot en met 30 september 2013 te Amsterdam, in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten de Inlichtingenplicht zoals bedoeld in artikel 17 Wet Werk en Bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, en dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes recht op een verstrekking of tegemoetkoming, te weten het recht op bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking of tegemoetkoming, door het niet melden van inkomsten uit kamerverhuur en woningbemiddeling en vermogensbestanddelen.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van feit 1 primair: vrijspraak.

Ten aanzien van feit 1 subsidiair, feiten 2, 3, 4 en 5 (zonder medeneming van de ad informandum gevoegde feiten):

  • -

    een gevangenisstraf van 24 maanden met aftrek van het voorarrest overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partijen in hun vorderingen.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bij een bewezenverklaring van feit 5 verzocht op grond van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling van een sloep en een trailer. Deze goederen hadden een aanzienlijke waarde. Opzetheling is een ernstig strafbaar feit. Heling bevordert diefstal en zorgt bovendien voor een illegaal circuit van goedkope goederen, waardoor de reguliere, eerlijke handel wordt verstoord en schade wordt toegebracht. In deze zaak geldt bovendien dat de sloep en de trailer min of meer ‘op bestelling’ van de verdachte zijn gestolen, hetgeen de brutaliteit van het een en ander danig vergroot.

Verdachte heeft met een ander of anderen in een door hem bewoond pand opzettelijk een hoeveelheid hennepplanten aanwezig gehad. Hennep kan gevaar opleveren voor de gezondheid van de gebruikers ervan. Het telen van hennep gaat steeds meer gepaard met andere, ook zware vormen van criminaliteit.

Verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan witwassen van aanzienlijke geldbedragen en het plegen van uitkeringsfraude. Verdachte heeft grote geldbedragen op een bankrekening van zijn dochter gezet en daarmee verhuld wie de rechthebbende op het door misdrijf verkregen geld was. Daarnaast heeft verdachte diverse inkomsten verzwegen voor de uitkeringsinstantie. Door het verzwijgen van deze inkomsten genoot verdachte een uitkering, terwijl hij daar feitelijk geen recht op had.

Verdachte heeft door het witwassen van criminele gelden bijgedragen aan aantasting van de integriteit van het financiële stelsel en aan verstoring van de economie. Daarbij heeft hij doelbewust op wederrechtelijke wijze financieel voordeel nagestreefd.

Verdachte heeft door de uitkeringsfraude het vertrouwen dat in hem mag

worden gesteld door zijn handelen beschaamd en daarmee de samenleving

ernstig benadeeld. Voorts heeft hij de fraude niet uit zichzelf beëindigd. Bij

alle bewezenverklaarde feiten heeft verdachte gehandeld uit winstbejag ten koste van

anderen. Verdachte heeft hierbij zonder scrupules anderen (de eigenaar van de sloep

en de trailer, de verhuurders van de woning waar hennep is aangetroffen, de schuldeisers

in zijn faillissement en de gemeente Amsterdam) en de maatschappij benadeeld

en aanzienlijke schade toegebracht. Verdachte heeft ter zitting geen enkel berouw

getoond en de door hem gepleegde feiten ontkend of de ernst hiervan sterk

gebagatelliseerd De rechtbank rekent verdachte dit alles zwaar aan.

De rechtbank heeft voorts in het nadeel van verdachte meegewogen dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte meegewogen dat sedert het tijdstip waarop de door hem gepleegde strafbare feiten hebben plaatsgehad geruime tijd is verstreken.

Al het vorenstaande maakt dat naar het oordeel van de rechtbank slechts een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf welke vrijheidsbeneming meebrengt voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest.

De rechtbank zal een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank verdachte vrijspreekt van het onder 3 ten laste gelegde en de rechtbank voorts van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank geen rekening gehouden met de ad informandum gevoegde feiten, vermeld op de dagvaarding. Ter terechtzitting heeft de verdediging aangegeven dat deze feiten niet kunnen worden meegenomen bij de afdoening van deze zaak.

De vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 4] en [persoon 5] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie is van mening dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk in de vorderingen moeten worden verklaard omdat er geen sprake is van rechtstreekse schade.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft bepleit de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Beoordeling. De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien geen sprake is van rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit, te weten het opzettelijk aanwezig hebben van hennep, toegebrachte schade. De rechtbank zal de kosten compenseren, aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 27, 47, 57, 63, 227b, 416, 420bis

Opiumwet art. 3, 11.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en onder feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2, 4 en 5 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1 subsidiair: Opzetheling T.a.v. feit 2: Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod T.a.v. feit 4: Witwassen, meermalen gepleegd. T.a.v. feit 5: In strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of tegemoetkoming, meermalen gepleegd. Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf.

T.a.v. feit 1 subsidiair, feit 2, feit 4, feit 5: Gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 2: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [persoon 4] in de vordering.

Compenseert de kosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

T.a.v. feit 2: Niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [persoon 5] , in de vordering. Compenseert de kosten aldus dat ieder de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. S.J.W. Hermans, voorzitter,

mr. C.P.J. Scheele en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 12 januari 2017.

[bewijsbijlage]

1 Salarisspecificatie t.n.v. verdachte met vermelding van een bankrekeningnummer

2 Brief gemeente Amsterdam d.d. 18 juni 2013 aan SNS-bank en antwoord van [bank 2] betreffende rekeningnr. 929229177, dossier 2 pag. 47-49