Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:145

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
12-01-2017
Datum publicatie
12-01-2017
Zaaknummer
01/845484-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Oplegging maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) voor twee jaar. Tussentijdse toetsing na 1 jaar (38s Sr)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/845484-15, 01/845585-16, 01/820321-16 en 01/845856-15 (ter terechtzitting gevoegd)
Parketnummer vordering: 01/845410-14

Datum uitspraak: 12 januari 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

postadres [adres 1] , [plaats] ,

thans preventief gedetineerd te: Vught PPC.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 december 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte/veroordeelde naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaken zijn aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van respectievelijk 30 november 2016 (01/845585-16), 7 september 2016 (01/820321-16) en 14 december 2015 (01/845856-15 en 01/845484-15).

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

In de zaak met parketnummer 01/845585-16

hij op of omstreeks 19 september 2016 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een ruit/raam, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Novadic Kentron, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

In de zaak met parketnummer 01/820321-16

hij op of omstreeks 07 september 2016 te 's-Hertogenbosch

opzettelijk de/een ambtena(a)r(en), [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ,

respectievelijk hoofdagent en/of aspirant van politie Eenheid Oost-Brabant,

gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/hun bediening,

in zijn tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door door

zijn, verdachtes, middelvinger naar en in de richting van die ambtena(a)r(en)

op te steken;

In de zaak met parketnummer 01/845856-15

1.

hij op of omstreeks 16 oktober 2015 te Uden opzettelijk en wederrechtelijk

een ophoudcel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan

Politie Uden, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft

vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2015 te Uden,

zich

met geweld en/of bedreiging met geweld,

heeft verzet

tegen een of meer ambtenaren, [slachtoffer 3] , werkzaam in de rechtmatige

uitoefening van zijn/haar/hun bediening, te weten brigadier van politie, met

algemene dienst belast,

door toen genoemde [slachtoffer 3] hem, verdachte, had aangehouden en wilde

overbrengen naar een plaats voor verhoor, in een andere richting te bewegen

dan de richting waarin genoemde [slachtoffer 3] hem wilde brengen;

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2015 te Uden

opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 3] , brigadier van politie, gedurende of ter zake

van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, in zijn/haar tegenwoordigheid,

mondeling heeft beledigd,

door hem/haar de woorden toe te voegen: schoft en/of vuile hond, en/of kut

en/of fuck you klootzak, althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking;

In de zaak met parketnummer 01/845484-15

hij op of omstreeks 20 juni 2015 te Uden

in een woning/besloten lokaal/besloten erf, gelegen aan de [adres 2] aldaar

en in gebruik bij [stichting] , althans bij een ander of anderen dan bij verdachte,

wederrechtelijk is binnengedrongen;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling.

De zaak met parketnummer 01/845410-14 is aangebracht bij vordering van 10 november 2015. Deze vordering heeft betrekking op het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant d.d. 21 november 2014. Een kopie van de vordering is aan dit vonnis gehecht.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak in de zaak met parketnummer 01/845484-15.

De officier van justitie acht het feit in de zaak met parketnummer 01/845484-15 wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van deze zaak heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 01/845484-15 is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat de aangifte van [slachtoffer 4] onvoldoende wordt ondersteund door andere bewijsmiddelen voor het bewijs dat verdachte wist dat hem de toegang tot het pand van de [stichting] te Uden was ontzegd.

Bewijs

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten in de zaken met de parketnummers 01/845585-16, 01/820321-16 en 01/845856-15 feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

In de zaak met parketnummer 01/845585-16 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

In de zaak met parketnummer 01/820321-16 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte zijn middelvinger heeft opgestoken, maar dat deze opgestoken middelvinger gericht was op een ander dan de verbalisanten. De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit.

In de zaak met parketnummer 01/845856-15 ten aanzien van feit 1 kan het zijn dat verdachte zo’n hoge nood had, dat hij zijn plas niet in kon houden.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman vrijspraak bepleit. De beledigende teksten zijn niet in het openbaar uitgesproken.

Het oordeel van de rechtbank. 1 2 3

De bewijsmiddelen.

In de zaak met parketnummer 01/845585-16:

Aangifte [slachtoffer 5] onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 4

Benadeelde is Novadic Kentron.

Ik ben op de Oranje Nassaulaan 8, ’s-Hertogenbosch werkzaam bij de dag en nacht opvang van Novadic Kentron. Vandaag 9 september, omstreeks 18.05 uur zag ik dat [verdachte] binnen kwam. Ik hoorde dat collega [betrokkene 1] tegen [verdachte] zei: je bent te laat, je krijgt geen eten. Ik hoorde opeens dat [betrokkene 1] tegen [verdachte] zei: je kunt nu naar buiten.

Ik heb toen tegen [verdachte] gezegd dat hij naar buiten moest en zag dat hij dit niet deed.

Ik heb hem toch naar buiten gekregen. Ik zag dat [verdachte] voor de deur bleef hangen.

Opeens hoorde ik een harde knal. Buiten zag ik dat [verdachte] bij de fietsenstalling stond en ik zag dat er een steen op de grond lag en ik zag dat het raam van de centrale hal kapot was. Hij was gebarsten, met sterren en een gat.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 december 2016 onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 5

Ik heb op 19 september 2016 te ’s-Hertogenbosch een steen gegooid tegen de ruit van Novadic.

In de zaak met parketnummer 01/820321-16:

Proces-verbaal bevindingen van [slachtoffer 1] , hoofdagent van politie en [slachtoffer 2] , aspirant van politie Eenheid Oost-Brabant, onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 6

Op 7 september 2016 omstreeks 18.45 uur, werden wij verzocht te gaan naar het station te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar stond een eenheid van stadstoezicht met een vervelende man en verzochten onze hulp ter plaatse. Nadat wij ter plaatse waren zagen we 4 medewerkers van stadstoezicht met een man in gesprek staan. Een medewerker van stadstoezicht kwam naar ons dienstvoertuig gelopen en vertelde ons dat de man van hen een boete kreeg voor het veroorzaken van overlast. Wij hoorden dat hij hierna gevorderd was het Stationsplein te verlaten. Wij zagen dat de man hieraan voldeed en met een omweg op de Oranje Nassaulaan uit kwam. Daar zagen we dat de man zich naar ons omdraaide, onze kant op keek en zijn middelvinger naar ons op stak.

Wij voelden ons door de middelvinger in onze goede naam en eer aangetast, ten tijde van de belediging zagen we dat het Stationsplein vol stond met personen.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 december 2016 onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 7

Het klopt dat ik op 7 september 2016 te ’s-Hertogenbosch mijn middelvinger heb opgestoken toen agenten daar waren.

In de zaak met parketnummer 01/845856-15 ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

Proces-verbaal bevindingen verbalisant [slachtoffer 3] , brigadier van politie eenheid Oost-Brabant, onder meer inhoudende: 8

Op 16 oktober 2015 te 18.22 uur, hield ik [slachtoffer 3] , [verdachte] aan als verdachte van openbare dronkenschap. Ik bracht verdachte [verdachte] naar mijn dienstvoertuig op de Markt en wilde hem achterin laten plaatsnemen. Ik zag en voelde dat [verdachte] vervolgens niet mee wilde. Ik riep hem aan om in de auto te stappen maar dit weigerde hij.

Ik wilde hem bewegen om zijn rug te buigen om plaats te nemen maar hij hield zijn rug stijf en bewoog in een andere richting als waar ik hem wilde brengen.

Gezien het verzet van verdachte besloot ik verdachte in een gecontroleerde halsgreep te nemen middels een soort van heupworp, verdachte op de achterbank te werpen.

Op straat bij de aanhouding van verdachte [verdachte] en in het dienstvoertuig bij overbrenging heeft verdachte mij beledigd. Ik, [slachtoffer 3] , was werkzaam in de rechtmatige uitoefening van mijn bediening en voelde me ook beledigd. Ik hoorde dat hij zaken riep als: schoft, vuile hond, kut, fuck you klootzak.

Verdachte werd na voorgeleiding geplaatst in een ophoudkamer.

Tijdens zijn verblijf in deze ophoudkamer, ontdeed hij zich van zijn broek en ondergoed en urineerde deze ruimte onder. Deze ruimte alsmede de ruimtes in dit complex zijn totaal niet meer te benutten gezien de enorme stankontwikkeling.

Proces-verbaal aangifte van [slachtoffer 6] onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 9

Ik ben namens de benadeelde, politie Uden te Uden, gerechtigd tot het doen van aangifte.

Ik doe aangifte van vernieling. De verdachte heeft een goed wat de benadeelde geheel in eigendom toebehoort zonder enig recht of toestemming onbruikbaar gemaakt.

Op 16 oktober 2015 heeft verdachte [verdachte] de ophoudkamer besmeurd met urine dan wel een ander soort lichaamsvocht. De verdachte heeft de ophoudkamer hierdoor onbruikbaar gemaakt. Deze moet schoon gemaakt worden door een gespecialiseerd bedrijf.

Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.

De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 29 december 2016 onder meer inhoudende – zakelijk weergegeven -: 10

Ik heb op 16 oktober 2016 te Uden in een ophoudcel op het politiebureau te ’s-Hertogenbosch geplast.

Ik heb mij op 16 oktober 2016 te Uden verzet na mijn aanhouding door de verbalisant.

Het kan kloppen dat ik tegen de verbalisant die mij heeft aangehouden de ten laste gelegde woorden: ‘schoft, vuile hond, kut, fuck you, klootzak’ heb gebruikt.

De bewijsoverwegingen.

Op grond van de hiervoor vermelde bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft gepleegd, zoals hierna bewezen is verklaard.

In de zaak met parketnummer 01/820321-16 hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat de opgestoken middelvinger niet voor de verbalisanten was bestemd, maar voor een zich in de buurt van die verbalisanten bevindende persoon; een bewoner van Novadic Kentron, waarvan verdachte het vermoeden had dat deze persoon eerder een fiets van hem had gestolen.

De rechtbank vindt deze verklaring van verdachte niet geloofwaardig gelet op het ambtsedige proces-verbaal van de verbalisanten, die relateren dat verdachte op het moment van het opsteken van de middelvinger hun kant op keek en het feit dat verdachte bij de politie niet hierover heeft verklaard en pas op de terechtzitting met deze verklaring is gekomen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

In de zaak met parketnummer 01/845585-16

op 19 september 2016 te 's-Hertogenbosch opzettelijk en wederrechtelijk een ruit, toebehorende aan Novadic Kentron, heeft vernield.

In de zaak met parketnummer 01/820321-16

op 07 september 2016 te ’s-Hertogenbosch opzettelijk de ambtenaren [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , respectievelijk hoofdagent en aspirant van politie Eenheid Oost-Brabant, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening,

in hun tegenwoordigheid, door feitelijkheden, heeft beledigd, door zijn, verdachtes, middelvinger naar en in de richting van die ambtenaren op te steken.

In de zaak met parketnummer 01/845856-15

1.

op 16 oktober 2015 te Uden opzettelijk en wederrechtelijk een ophoudcel, toebehorende aan

Politie Uden, onbruikbaar heeft gemaakt.

2.

op 16 oktober 2015 te Uden, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, [slachtoffer 3] , werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten brigadier van politie, met algemene dienst belast, door toen genoemde [slachtoffer 3] hem, verdachte, had aangehouden en wilde overbrengen naar een plaats voor verhoor, in een andere richting te bewegen dan de richting waarin genoemde [slachtoffer 3] hem wilde brengen.

3.

op 16 oktober 2015 te Uden opzettelijk een ambtenaar, [slachtoffer 3] , brigadier van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: schoft en vuile hond, en kut en fuck you klootzak.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

In de zaken met de parketnummers 01/845585-16, 01/820321-16, 01/845856-15 feiten 1, 2 en 3 en 01/845484-15:

  • -

    de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren;

  • -

    afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging met betrekking tot de zaak met parketnummer 01/845410-14.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft primair verzocht geen ISD-maatregel op te leggen, maar een voorwaardelijke veroordeling met reclasseringstoezicht. In subsidiaire zin heeft de raadsman verzocht een eventuele ISD-maatregel voorwaardelijk op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf of maatregel die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan vernieling van een ruit van een pand van Novadic Kentron, nadat hem door medewerkers van Novadic was verzocht het pand te verlaten.

Voorts heeft verdachte twee politieambtenaren beledigd door zijn middelvinger naar hun op te steken. Na een incident op 16 oktober 2015 heeft verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding en de politieambtenaar beledigd. Nadat hij was aangehouden, heeft hij de ophoudcel van de politie te Uden (tijdelijk) onbruikbaar gemaakt door in de cel te urineren.

De bewezen verklaarde feiten betreffen zeer hinderlijke feiten, waarvan met name de hulpverlening en de politieambtenaren het slachtoffer zijn geworden. Het gedrag van verdachte getuigt van een ernstig gebrek aan respect voor de hulpverlening en voor de politie en de door de politie voor de beveiliging van de maatschappij en de handhaving van de openbare orde te verrichten werkzaamheden.

Kijkend naar de persoon van verdachte, houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat verdachte eerder voor soortgelijke feiten onherroepelijk werd veroordeeld. Verdachte heeft de onderhavige strafbare feiten gepleegd tijdens de proeftijd van een eerdere veroordeling. De eerdere veroordelingen hebben verdachte er niet van weerhouden opnieuw de fout in te gaan.

De rechtbank is, gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en de persoon van verdachte, zoals een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders dient te worden opgelegd. Daartoe wordt het navolgende overwogen.

Ten aanzien van de overtreding van artikel 350 van het Wetboek van Strafrecht geldt dat het misdrijven betreffen waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

Verdachte is blijkens het uittreksel uit het justitieel documentatieregister en het onderzoek ter terechtzitting in de vijf jaren voorafgaand aan het bewezen verklaarde tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsstraf of taakstraf veroordeeld en het bewezen verklaarde is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen en voorts moet, gelet op de hierna te noemen rapportage, er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan.

De veiligheid van goederen eist het opleggen van de maatregel, waarbij wordt verwezen naar het feit dat verdachte telkenmale nieuwe strafbare feiten pleegt en de oplegging van vrijheidsstraffen hem daarvan kennelijk niet weerhoudt.

Verder baseert de rechtbank dit oordeel op een rapport van Novadic-Kentron, netwerk voor verslavingszorg, d.d. 15 november 2016 onder meer inhoudende:

“Uit het UJD van betrokkene komt naar voren dat hij vanaf 1986 vijftien maal is veroordeeld voor onder meer rijden onder invloed, bedreigingen, vernielingen, diefstal, beledigingen van ambtenaren in functie, heling, verstoring van de openbare orde, winkeldiefstal, schennis (twee feiten) en zich in kennelijke staat van dronkenschap op de openbare weg bevinden (meerdere malen). De meeste veroordelingen staan in relatie tot zijn alcoholproblematiek. Er is sprake van een delict patroon; betrokkene heeft meerdere veroordelingen inzake vernieling.

Betrokkene staat vanaf 15 mei 2015 geregistreerd als geprioriteerd veelpleger en wordt als zodanig besproken in het Veiligheidshuis. Vanuit het Veiligheidsoverleg wordt het opleggen van de ISD-maatregel geadviseerd.

Betrokkene kampt sinds jaren met alcohol- en cannabis en medicatieafhankelijkheid. Er is sprake van een belaste voorgeschiedenis en er zijn problemen op meerdere leefgebieden. Er zijn financiële problemen en na detentie (op 29 januari 2016) is hij dakloos. Uit dossierinformatie van de verslavingszorg komt naar voren dat betrokkene een man is met veel stemmingswisselingen met een bipolaire component bij een overgevoeligheid voor met name cannabis, waardoor hij ernstig ontregeld kan raken met ontremd gedrag wat heeft geleid tot diverse opnames binnen de GGZ. Betrokkene stelt zich niet behandelbaar op en alle hulpverlenings- en reclasseringscontacten hebben nog niet geleid tot vermindering van het recidiverisico.

Om tot vermindering van de overlast en het delictgedrag te kunnen komen, zal betrokkene eerst de basis op orde moeten hebben.

Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog. Op basis van het delictverleden, zijn veelplegersstatus, alcohol- en cannabisgebruik, dakloosheid, psychische problematiek en zorgmijdende houding schat rapporteur het recidiverisico hoog in.

Ingeschat wordt dat er een hoog risico op onttrekken aan voorwaarden is. Betrokkene stelt zich tot op heden nauwelijks behandelbaar op en alle hulpverlenings- en reclasseringscontacten hebben nog niet geleid tot vermindering van het recidiverisico.

Er is sprake van onmacht bij betrokkene gezien zijn psychische gesteldheid en alcoholproblematiek.

Geadviseerd wordt een ISD-maatregel op te leggen.

De recente geschiedenis heeft uitgewezen dat een ambulant traject niet voldoende kader biedt om betrokkene op een adequate wijze te kunnen begeleiden. Gelet op de forse problematiek van betrokkene is het niet reëel om te verwachten dat hij zich aan voorwaarden en/of afspraken van de reclassering zal kunnen houden. Zijn middelengebruik wordt door de reclassering als zorgelijk ingeschat. Wij adviseren onderzoek te doen om eventuele andere behandelmogelijkheden te bezien. Echter, wanneer betrokkene niet in detentie verblijft is de kans dat betrokkene ook daadwerkelijk zijn medewerking zal gaan verlenen aan dergelijk onderzoek erg klein. Binnen een ISD maatregel zou er wel nader diagnostiek plaats kunnen vinden waarna betrokkene binnen een fors justitieel kader kan worden toegeleid naar een passend hulpverleningstraject dat gericht is op het terugdringen van de kans op recidive.”

De rechtbank verenigt zich met de inhoud van voornoemd rapport en de gronden waarop het berust.

De rechtbank stelt voorop dat de ISD-maatregel is bedoeld voor personen die zich gedurende een langere periode regelmatig schuldig maken aan (ernstige) overlast gevende delicten. Uit de Justitiële documentatie betreffende verdachte blijkt dat hij zich de laatste jaren veelvuldig schuldig heeft gemaakt aan hinderlijke en overlast gevende feiten. De kans op recidive wordt als groot ingeschat.

Uit voornoemde rapportage blijkt dat ambulante hulpverlening in het verleden niet tot het gewenste resultaat heeft geleid. Door het eigen gedrag van verdachte zijn eerdere pogingen tot hulpverlening misgelopen. Ingeschat wordt dat er een hoog risico is dat verdachte zich aan eventuele opgelegde voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke veroordeling zal onttrekken. Verdachte heeft zich tot op heden nauwelijks behandelbaar opgesteld. Gezien de psychische gesteldheid van verdachte en zijn alcoholproblematiek is er bij verdachte sprake van onmacht zich aan voorwaarden te houden.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank het opleggen van reclasseringstoezicht en eventuele andere (bijzondere) voorwaarden in het kader van een voorwaardelijke veroordeling niet passend en niet realistisch. De rechtbank acht het opleggen van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders passend en geboden.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders van groot belang is, zowel voor de maatschappij als voor verdachte zelf, nu de maatregel er mede toe strekt een bijdrage te leveren aan de oplossing van de verslavingsproblematiek van verdachte. De rechtbank gaat er vanuit dat tijdens de plaatsing in de inrichting voor stelselmatige daders naast de verslavingsproblematiek ook aandacht wordt besteed aan de psychische problematiek van verdachte.

De rechtbank acht het opleggen van de maatregel niet disproportioneel. Niet is gebleken van redenen waarom deze maatregel niet zou moeten worden opgelegd.

Om de beëindiging van de recidive van verdachte en het leveren van een bijdrage aan de oplossing van zijn problematiek alle kansen te geven en voorts ter optimale bescherming van de maatschappij, is het van groot belang dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor de maximale termijn van twee jaren opleggen en de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht niet in mindering brengen op de duur van de maatregel. De rechtbank is van oordeel dat gelet op de problematiek van de verdachte die tijd nodig zal zijn om (een begin van) gedragsbeïnvloeding van verdachte een redelijke kans van slagen te geven.

De rechtbank zal bepalen dat de tussentijdse beoordeling als bedoeld in artikel 38s van het Wetboek van Strafrecht uiterlijk één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel zal plaatsvinden.

Motivering van de beslissing na voorwaardelijke veroordeling 01/845410-14.

De vordering voldoet aan alle wettelijke eisen. Krachtens de wettelijke bepalingen is de rechtbank bevoegd tot behandeling van deze vordering. Uit onderzoek ter terechtzitting zijn geen omstandigheden gebleken die aan de ontvankelijkheid van de officier van justitie in de weg staan. De rechtbank zal de gevorderde tenuitvoerlegging afwijzen omdat een tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf, gelet op de op te leggen ISD-maatregel, niet opportuun is.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 9a, 38m, 38n, 38s, 57, 63, 180, 266, 267, 350.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen in de zaak met parketnummer 01/845484-15 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaken met de parketnummers 01/845585-16, 01/820231-16 en

01/845856-15 onder feit 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

In de zaak met parketnummer 01/845585-16:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

In de zaak met parketnummer 01/820321-16:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;

In de zaak met parketnummer 01/845856-15:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, onbruikbaar maken.

Ten aanzien van feit 2:

Wederspannigheid.

Ten aanzien van feit 3:

Eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende maatregel.

T.a.v. 01/845585-16, 01/845856-15 feit 1:

Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaar.

Bepaalt dat ter zake van het onder 01/845856-15 feit 2 en 3 en 01/820321-16 bewezen verklaarde geen straf of maatregel wordt opgelegd.

Beslist tot een tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel.

Bepaalt dat het Openbaar Ministerie uiterlijk één jaar na aanvang van de tenuitvoerlegging van de maatregel, op de voet van artikel 38s eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, aan de rechtbank bericht over de noodzaak van de voortzetting van deze tenuitvoerlegging.

Beslissing na voorwaardelijke veroordeling.

Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer

01/845410-14.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. C.P.J. Scheele, voorzitter,

mr. S.J.W. Hermans en mr. R.J. Bokhorst, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 12 januari 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam ’s-Hertogenbosch genummerd PL2100-2016210237, afgesloten 20 september 2016 (pag. 1 tot en met 31, hierna: dossier 1).

2 Een dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, dienst regionale operationele samenwerking, afdeling regionaal service centrum, genummerd PL2100-2016200644, afgesloten 27 september 2016 (pag. 1 tot en met 14, hierna: dossier 2).

3 Een dossier van de politie eenheid Oost-Brabant, district ’s-Hertogenbosch, basisteam Maas en Leijgraaf genummerd PL2100-2015230931, afgesloten 17 oktober 2015 (pag. 1 tot en met 26, hierna: dossier 3).

4 Proces-verbaal verhoor [slachtoffer 5] , dossier 1, pag. 19-20

5 Verklaring verdachte ter terechtzitting

6 Proces-verbaal bevindingen dossier 2, pag. 3

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting

8 Proces-verbaal bevindingen dossier 3, pag. 7-8

9 Proces-verbaal aangifte [slachtoffer 6] , dossier 3, pag. 9-10

10 Verklaring verdachte ter terechtzitting