Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1320

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-02-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
16-038
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

tussenbeschikking: wrakingsverzoek aangehouden, tweede zitting belegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ERF-Updates.nl 2017-0063

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Wrakingskamer

Zaaknummer : WR 16/038

Tussenbeschikking van 2 februari 2017

in de zaak van

[…],

verzoeker,

tegen

mr. P.M. Knaapen,

in de hoedanigheid van kantonrechter van deze rechtbank bij de behandeling van de zaak die betrekking heeft op de beneficiaire afwikkeling van de nalatenschappen van [ouders van verzoeker].

Partijen zullen hierna respectievelijk de ‘verzoeker’ en de ‘rechter’ worden genoemd.

1 Procesverloop

1.1.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:

- het wrakingsverzoek van verzoeker van 23 december 2016 met bijlagen;

- de schriftelijke reactie van de rechter op het wrakingsverzoek van 27 december 2016;

- het dossier in de hoofdzaak.

1.2.

De mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek heeft plaatsgevonden op

19 januari 2017.

1.3.

Verzoeker is verschenen en heeft aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota het wrakingsverzoek nader toegelicht.

In zijn schriftelijke reactie heeft de rechter zijn standpunt ten aanzien van het wrakingsverzoek naar voren gebracht. Hij heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven verhinderd te zijn en daarom niet ter zitting te zullen verschijnen.

2 Het standpunt van verzoeker

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in een zaak die betrekking heeft op de beneficiaire afwikkeling van de nalatenschappen van de ouders van verzoeker, [ouders van verzoeker]. De vereffenaar van de nalatenschappen is notaris [notaris]. Bij brief van 11 december 2016 heeft verzoeker gevraagd om een afschrift van alle relevante correspondentie, zowel per post als per mail, tussen de rechter en de notaris. Verzoeker vermeldt daarbij van de griffie van de rechtbank te hebben begrepen dat alle e-mailberichten tussen de notaris en de rechter zich niet in het fysieke dossier bevinden. Hij stelt zich op het standpunt dat dit wel verplicht is. Ook is gebleken dat meerdere brieven van en naar de notaris nooit in afschrift naar verzoeker zijn gestuurd. Bij brief van 20 december 2016 heeft de rechter op de brief van verzoeker gereageerd. De rechter erkent daarin dat de e-mailberichten zich

inderdaad niet in het dossier, maar in zijn computer bevinden. De rechter is niet bereid afschriften van correspondentie over te leggen, waarbij hij zich op het standpunt stelt dat hij noch de notaris verantwoording verschuldigd is aan de erven over elke stap die in de vereffening wordt gezet, waarbij de rechter verwijst naar het bepaalde in artikel 4:218, derde lid, en artikel 4:215, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW). Verzoeker stelt dat de procedure openbaar is en het betreffende dossier openbaar en volledig dient te zijn en de correspondentie tussen de rechter en de notaris maakt daar volgens hem onderdeel van uit. Door de handelswijze van de rechter wordt de openbaarheid omzeild en zijn procesregels geschonden, waaronder artikel 5 van de Wet op de rechterlijke organisatie en de artikelen 279, eerste, tweede en vierde lid en artikel 290, tweede lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, wat als onrechtmatig kan worden bestempeld. De rechter motiveert zijn handelswijze met de stelling dat mailen sneller gaat en daarom veel handiger is. Feit is echter dat de rechter de enige rechter is binnen de rechtbank die dit doet, zo voert verzoeker aan.

Verzoeker voert verder aan dat er volgens de notaris een beschikking bestaat van 26 oktober 2016, terwijl hij deze tot op de dag van vandaag niet heeft ontvangen noch het bestaan hiervan kent. De rechter miskent ook een aantal andere artikelen, waaronder artikel 4:211, eerste en tweede lid, BW, aangezien de rechter op de hoogte is van het feit dat de notaris zijn taak als vereffenaar niet goed uitvoert, maar desondanks vol lof blijft over hem. Verzoeker noemt, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de notaris zijn werk niet goed doet, een aantal concrete voorbeelden. De rechterlijke onpartijdigheid loopt daardoor forse schade op. Verzoeker heeft zich daarom genoodzaakt gezien de rechter te wraken.

3 Het standpunt van de rechter

3.1.

De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten en heeft in dat kader het volgende aangevoerd. Verzoeker heeft klachten over de rechter, die gaan over zijn beslissingen en werkwijze. Dat maakt niet dat de rechter partijdig is. De rechter is van mening dat verzoeker zich met deze klachten middels een hoger beroep dient te wenden tot het Gerechtshof. De wet verbiedt de rechter als begeleider van een vereffening niet om met de vereffenaar per mail te communiceren, waarbij heeft te gelden dat deze communicatie niet openbaar is, omdat het geen rechtspraak betreft. Ook aan het feit dat de rechter anders oordeelt over de notaris dan verzoeker kan niet de conclusie worden verbonden dat sprake is van partijdigheid van de rechter. De rechter stelt zich op grond hiervan op het standpunt dat het wrakingsverzoek moet worden afgewezen.

4 De beoordeling

4.1.

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, dient te worden beoordeeld of sprake is van feiten of omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

4.2

Hierbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Ook de (te vermijden)

schijn van partijdigheid is bij de beoordeling van het wrakingsverzoek van belang. Het (subjectieve) standpunt van verzoeker daarover is niet doorslaggevend.

4.3

Niet in geschil is dat de rechter en de notaris elkaar e-mails hebben gezonden die geen onderdeel uitmaken van een (fysiek) procesdossier over de vereffening van de nalatenschap van de ouders van verzoeker. Evenmin is in geschil dat de rechter zich niet bereid heeft verklaard

om e-mails tussen hem en de notaris, die zich in zijn werkcomputer bevinden, over te leggen aan verzoeker.

4.4

Er is geen wettelijke bepaling die verbiedt dat de rechter per e-mail communiceert met de notaris en de rechter brengt terecht naar voren dat niet alle communicatie tussen hem en de vereffenaar lopende de vereffening toegankelijk is voor een erfgenaam als verzoeker. Belanghebbenden zoals verzoeker zullen in het algemeen verwachten dat er een fysiek dossier bestaat waar de rechtens relevante correspondentie tussen de rechter en de notaris deel van uitmaakt, althans dat niet alleen een digitaal dossier op de eigen werkcomputer van de rechter wordt bijgehouden. Op zichzelf is de gevolgde handelwijze van de rechter echter geen of onvoldoende grond voor wraking, maar veeleer een kwestie van interne organisatie.

4.5

Bij factuur van 28 oktober 2016 heeft de notaris, die optrad als vereffenaar, een voorschotnota voor verrichte werkzaamheden bij de erfgenamen ingediend en daarbij verwezen naar een beschikking van 26 oktober 2016. Bij e-mail van 29 oktober 2016 heeft de notaris vervolgens aan de erfgenamen te kennen gegeven dat hij na toestemming van de kantonrechter uit de boedel een voorschot op zijn loon heeft uitgekeerd. Naar aanleiding daarvan heeft verzoeker alle correspondentie tussen de rechter en de vereffenaar betreffende de nalatenschap van zijn ouders bij de rechter opgevraagd, overigens zonder dat verzoeker daarbij melding heeft gemaakt van de factuur van de notaris en de beschikking die de kantonrechter op 26 oktober 2016 zou hebben gegeven. Dit verzoek lag vanuit het gezichtspunt van verzoeker voor de hand, nu op grond van het bepaalde in art. 4:206, derde lid, BW de kantonrechter pas bij het bereiken van het stadium van uitdeling het loon van de vereffenaar vaststelt, en vast staat dat dat stadium nog lang niet bereikt was ten tijde van de indienen van het voorschot. Die correspondentie noch de (eventuele) beschikking heeft de kantonrechter evenwel aan verzoeker verstrekt of aan het fysieke dossier laten toevoegen. Nu kan op zichzelf deze handelwijze aanvankelijk nog begrijpelijk worden geacht, omdat verzoeker niet aan de kantonrechter kenbaar had gemaakt waarom hij zijn verzoek deed en aldus voor de kantonrechter niet duidelijk was welke specifieke achtergrond dit had. Dat is echter wel kenbaar geworden uit het wrakingsverzoek, waarin verzoeker, gedocumenteerd, heeft aangegeven welke achtergrond zijn verzoek had. In zijn schriftelijke reactie heeft de kantonrechter zich echter niet specifiek uitgelaten over dit punt. Denkbaar is dat als hij blijft volharden in zijn weigering ondanks de kenbare achtergrond van het verzoek, dit een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de bij verzoeker bestaande vrees dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert objectief gerechtvaardigd is.

4.6

In het voorstaande ziet de wrakingskamer aanleiding om de kantonrechter op dit punt nader te horen. Zij zal daarom de zaak aanhouden en bepalen dat de behandeling van het wrakingsverzoek tijdens een volgende zitting zal worden voortgezet.

5 De beslissing

De wrakingskamer,

- houdt aan het verzoek tot wraking van mr. P.M. Knaapen, in de hoedanigheid van kantonrechter van deze rechtbank bij de behandeling van de zaak die betrekking heeft op de beneficiaire afwikkeling van de nalatenschappen van [ouders van verzoeker];

- bepaalt de voorzetting van de behandeling van het wrakingsverzoek op een nader te bepalen datum.

Deze beschikking is gegeven door mr. J. Bik, voorzitter, mr. M.L.M.W. Viering en

mr. M.E. Bartels, leden, en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.