Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1303

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
14-03-2017
Datum publicatie
14-03-2017
Zaaknummer
01/860269-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft tweemaal seksueel contact gehad met een minderjarige vrouw die zich als prostituee aanbood. Verdachte wordt daarvoor veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van één dag en een taakstraf van 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Team Strafrecht

Parketnummer: 01/860269-16

Datum uitspraak: 14 maart 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] 1974,

wonende te [adresgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 8 december 2016 en 28 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 15 november 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij:

1. op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 september 2013 in de gemeente Vught en/of Tilburg en/of Breda, in ieder geval in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, (telkens) een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die (telkens) bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte (telkens)

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] ;

en/of

op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 september 2013 te Vught en/of Tilburg en/of Breda, met [slachtoffer] (geboren [geboortedatum 2] ), die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit:

- het die [slachtoffer] (aan)bieden van geld voor seksuele diensten en/of

- het geheel of gedeeltelijk (laten) ontkleden van die [slachtoffer] en/of

- het brengen en/of houden van, verdachtes, penis voor de mond van die [slachtoffer] ;

2. op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 in de gemeente Vught en/of Tilburg en/of Breda, in elk geval in Nederland (telkens) ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht (telkens) uit

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en/of

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en/of het zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] .

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen.

Indien tegen dit verkort vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op dit verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan dit verkort vonnis gehecht.

Vrijspraak.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, primair, ten laste gelegde feit meermaals heeft gepleegd, zodat hij van het tweede deel van het onder 1, primair, ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe dat op grond van de zich in het dossier bevindende stukken en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat er in die periode sprake is geweest van meer dan één ontmoeting tussen verdachte en slachtoffer.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen. Een kopie van het requisitoir van de officier van justitie is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend bewezen zijn en dat verdachte van deze feiten moet worden vrijgesproken. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat een aantal voor de hand liggende opsporingsmethoden niet zijn toegepast. Zo bevat het dossier geen kleurenfoto’s van verdachte of slachtoffer. Om die reden is het niet met zekerheid vast te stellen of de verklaringen van het slachtoffer betrekking hebben op deze verdachte of een van haar andere klanten. Bovendien heeft de politie nagelaten van een aantal zeer onderscheidende kenmerken - volgens aangeefster behorend bij een persoon met wie zij seksueel contact heeft gehad - te verifiëren of deze kenmerken bij de verdachte aanwezig zijn (een gezet postuur, oranje haar, opvallend klein geslachtsdeel). Voorts is door de raadsman betoogd dat niet is komen vast te staan dat een beweerdelijke ontmoeting tussen de aangeefster en verdachte in de zomer heeft plaatsgevonden. De conclusie van de verdachte dat het wel in de zomer zal zijn geweest omdat de aangeefster een kort jurkje aanhad is niet juist omdat aangeefster in opdracht van de pooier ( [naam pooier] ) altijd korte jurkjes moest dragen.

Bewijsoverweging.

Verdachte heeft de aangeefster van een foto herkend als het jong uitziende meisje met wie hij tegen betaling seks heeft gehad. Voorts zijn er sms-berichten verstuurd van de pooier ( [naam pooier] ) van aangeefster naar de telefoon van verdachte. Verdachte heeft over deze berichten verklaard dat deze betrekking hadden op seksafspraken via de pooier van het meisje, die hij kende onder de naam [bijnaam klanten] . De naam [bijnaam klanten] is volgens [naam pooier] door hem tegenover klanten van aangeefster gebruikt. Hieruit volgt dat de seksafspraken/cardates waarover verdachte heeft verklaard hebben plaatsgehad met aangeefster. De rechtbank ziet daarvoor verder steun in de verklaring van aangeefster dat zij seksueel contact heeft gehad met een man met rood/oranje haar en dat ze over een aan haar getoonde zwart-wit foto van verdachte heeft verklaard “als het een kleurenfoto was en hij rood haar had dan was het die man bij wie, als ik alleen in mijn string nog zat al klaar kwam, ik denk 170, best dik en rood/oranje haar”. Verdachte is volgens eigen zeggen 169 cm lang. De politie beschrijft dat zijn haarkleur blond/rossig was ten tijde van het verhoor van verdachte. Anders dan de verdediging acht de rechtbank de verklaring van het slachtoffer waarin zij – op de voorgenoemde wijze – verdachte als een van haar klanten meent te herkennen, alles samengenomen betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.

Verdachte heeft op meerdere momenten in zijn verhoor verklaard dat de eerste seksafspraak met aangeefster in de zomer is geweest en voorts dat er enkele maanden lagen tussen de eerste en tweede afspraak. Gelet op sms-/WhatsAppverkeer tussen verdachte en [naam pooier] in november 2013, dat volgens verdachte betrekking had op een seksafspraak, acht de rechtbank alles in samenhang beschouwd bewezen dat verdachte ook in de zomer van 2013, in elk geval voor de 16de verjaardag van aangeefster op 1 oktober 2013, seksueel contact met aangeefster heeft gehad.

De rechtbank verwerpt het verweer.

De bewezenverklaring.

De rechtbank acht, op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de bewijsmiddelen, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1. op een tijdstip in de periode van 1 mei 2013 tot en met 30 september 2013 in Nederland, met [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , hebbende verdachte

- zijn penis in de mond van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] ;

2. op een tijdstip in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 31 december 2013 in Nederland ontucht heeft gepleegd met een persoon, genaamd [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum 2] ), die zich beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en welke persoon de leeftijd van zestien jaren maar nog niet de leeftijd van achttien jaren had bereikt, bestaande die ontucht uit

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] en

- het brengen/duwen van zijn, verdachtes, penis in de mond van die [slachtoffer] en het zich (vervolgens) laten pijpen door die [slachtoffer] .

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben. Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie eist een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Het standpunt van de verdediging.

Mocht de rechtbank tot een veroordeling van verdachte komen dan heeft de raadsman bepleit te volstaan met een taakstraf in combinatie met een gevangenisstraf voor de duur van één dag.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tweemaal tegen betaling seksueel contact gehad met het slachtoffer, destijds een minderjarig meisje dat zich als prostituee aanbood, waarbij sprake was van het seksueel binnendringen van haar lichaam (orale en vaginale seks zonder condoom). Bij het eerste contact was het slachtoffer 15 jaar, bij het tweede contact was ze 16 jaar oud. Verdachte heeft verklaard dat hij vond dat het meisje er jong uitzag en om die reden aan de man voor wie het meisje werkte had gevraagd of ze 18 jaar was. Deze zou dat bevestigd hebben. Verdachte heeft evenwel nagelaten dit daadwerkelijk te checken en niettegenstaande zijn indruk met een jong uitziend meisje van te doen te hebben, tot tweemaal toe seks met haar gehad. Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit aangetast. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat dit voor het slachtoffer ingrijpende gebeurtenissen zijn geweest die hun sporen hebben nagelaten. Door niet ter terechtzitting te verschijnen heeft verdachte nagelaten om in eigen woorden verantwoording af te leggen voor zijn handelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte waarop geen eerdere veroordelingen ter zake van zedenmisdrijven staan vermeld. Volgens een rapport van de reclassering van 24 oktober 2016 wordt het risico op recidive als laag beschouwd. Een gevangenisstraf zou voor verdachte, aldus de reclassering, nadelige gevolgen hebben voor zijn werk en gezin. Bij de oplegging van een straf zal de rechtbank er voorts rekening mee houden dat de bewezenverklaarde feiten meer dan drie jaar geleden hebben plaatsgevonden. De rechtbank overweegt ten aanzien van het tijdsverloop nog als volgt. Zoals de officier van justitie in zijn requisitoir aangaf, is sinds een paar jaar een belangrijk speerpunt in de bestrijding van mensenhandel (in het kader van de bestrijding van de kinder- en jeugdprostitutie), de opsporing en vervolging van ‘de klant’. Ten gevolge van deze gewijzigde focus vanuit justitie hebben de afgelopen tijd diverse strafzaken hun weg gevonden naar verschillende rechtbanken. Deze zaken hebben veel mediabelangstelling gegenereerd.

Naar het oordeel van de rechtbank is inmiddels ook bij het publiek duidelijk geworden in welke kwetsbare positie deze minderjarigen zich bevinden en dat dit kan leiden tot mensonterende omstandigheden van uitbuiting en vormen van exploitatie waaronder zij seksuele diensten aanbieden aan klanten, vrijwel altijd in de illegale prostitutie van ‘cardates’ en schimmige hotelkamers. Het is verder duidelijk geworden dat justitie fors zal optreden tegen bezoekers (klanten) van prostituees, die gebruik (misbruik) maken van de seksuele diensten van een minderjarige en dat dit misbruik bestraft zal worden met onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. De klant van ‘vandaag’ is daarmee nog meer dan de klant ‘in vroeger tijden’ op de hoogte van de situatie waarin hij misbruik maakt van de diensten van een jonge prostituee en aan welke mogelijke strafrechtelijke consequenties hij zich blootstelt: haar minderjarige leeftijd is voor zijn risico en hij kan zich niet verschuilen achter het niet weten. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf doet dan recht aan de ernst van het delict.

De onderhavige feiten hebben meer dan drie jaar geleden plaatsgevonden in een tijd waarin voormeld besef bij het publiek en ook bij deze verdachte, minder prominent aanwezig was. Nu het recidiverisico door de reclassering als laag wordt ingeschat en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf nadelige gevolgen zal hebben voor zijn werk en gezin, zal de rechtbank – in aansluiting op vergelijkbare zaken waarover de rechtbank onlangs heeft beslist – gelet op dat tijdsverloop thans geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

De rechtbank zal daarom een lichtere straf opleggen dan de door de officier van justitie gevorderde straf, nu de rechtbank van oordeel is dat de straf die de rechtbank zal opleggen de ernst van het bewezen verklaarde voldoende tot uitdrukking brengt.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

De officier van justitie eist de toewijzing van 1/5 deel van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 292,14 materiële kosten en een bedrag van € 750,00 immateriële kosten, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht. De raadsman heeft de rechtbank gevraagd de vordering benadeelde partij af te wijzen nu deze naar zijn oordeel als een onevenredige belasting van het strafproces moet worden beschouwd.

De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezenverklaarde toegebrachte schade een bedrag van € 766,64. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 16,64 materiële kosten (de posten 1, 2, 6 en 7 en een bedrag van € 750,00 euro immateriële kosten (post 10). De rechtbank begrijpt het immateriële deel van de vordering aldus, dat van de door het slachtoffer totaal begrote immateriële schade van € 3.750,00, een vergoeding van € 750,00 van de verdachte in de onderhavige strafzaak wordt gevraagd.

De rechtbank zal de benadeelde partij in het overige deel van de vordering (post 3 en post 5) niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van deze posten 3 en 5 overweegt de rechtbank dat van dit gedeelte van de vordering niet eenvoudig is vast te stellen of en in hoeverre deze kosten zijn gemaakt in directe relatie tot het bewezen verklaarde feit en of deze schade rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit is toegebracht. Bovendien blijkt uit de bijgevoegde stukken van de gevolgde behandeling bij Tiemessen dat de behandeling “basis generalistische GGZ” betreft en dat het slachtoffer naar deze behandelaar is doorverwezen door de huisarts. Het ligt dan ook voor de hand dat (een deel van) de kosten van deze behandeling in aanmerking komen voor vergoeding door een zorgverzekeraar. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere toelichting en bespreking vereisen. De rechtbank is van oordeel dat de behandeling van (dit deel van) de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.

De benadeelde partij kan deze onderdelen van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij veroordelen, tot op heden begroot op een bedrag van € 100,00, zijnde 1 punt van het liquidatietarief kanton.

De rechtbank zal de overige gevorderde kosten ter zake van rechtsbijstand afwijzen.

De rechtbank veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 22c, 22d, 24c, 36f, 57, 245, 248b.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van feit 1:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Ten aanzien van feit 2:

Ontucht plegen met iemand die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling en die de leeftijd van zestien maar nog niet de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2:

Gevangenisstraf voor de duur van 1 dag

T.a.v. feit 1, feit 2:

Taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis

T.a.v. feit 1, feit 2:

Maatregel van schadevergoeding van € 766,64 subsidiair 15 dagen hechtenis

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] van een bedrag van € 766,64 (zegge: zevenhonderdzesenzestig euro en vierenzestig eurocenten), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van €16,64 materiële kosten (de posten 1, 2). De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 766,64 (zegge: zevenhonderdzesenzestig euro en vierenzestig eurocenten). Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 16,64 materiële kosten (de posten 1, 2, 6 en 7) en een bedrag van € 750,00 immateriële kosten (post 10). Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij, tot op heden begroot op een bedrag van € 100,00, zijnde 1 punt van het liquidatietarief kanton.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk is (post 3 en 5). Wijst af de overige gevorderde kosten ter zake van rechtsbijstand.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.H.P.G. Wielders, voorzitter,

mr. R.J. Bokhorst en mr. A.M.R. van Ginneken, leden,

in tegenwoordigheid van mr. K. Sarghandoy, griffier,

en is uitgesproken op 14 maart 2017.

Mr. A.M.R. van Ginniken is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.