Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1243

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
15-03-2017
Datum publicatie
27-03-2017
Zaaknummer
16_2421
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:692, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Op basis van de door de Dienst Toeslagen aangeleverde informatie kan de verblijfstatus van de echtgenoot van eiseres (nog steeds) niet worden vastgesteld. Daarom bepaalt de rechtbank zelf of de echtgenoot van eiseres rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8 onder h, van de Vw. Dat is niet het geval. Dat de echtgenoot niet is uitgezet op basis van het beleid in de Vreemdelingencirculaire wil niet zeggen dat hij rechtmatig verblijf heeft. Gelet op artikel 9, tweede lid, van de Awir heeft eiseres daarom geen aanspraak op huur- en zorgtoeslag. De rechtsgevolgen worden daarom in stand gelaten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2421 E

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

en

de Belastingdienst/Toeslagen, verweerder

(gemachtigde: drs. J.L. Linskens).

Procesverloop

Bij besluiten van 21 juni 2016 met kenmerk [nummering 1] (huurtoeslag) en [nummering 2] (zorgtoeslag)(de primaire besluiten) heeft verweerder de voorschotten huur- en zorgtoeslag over het jaar 2016 opnieuw berekend en vastgesteld op respectievelijk € 1.468,00 en € 397,00.

Bij besluit van 8 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld alsmede een verzoekschrift tot het

treffen van een voorlopige voorziening ingediend. Dit verzoek is bij uitspraak van 29 augustus 2016 door de voorzieningenrechter van deze rechtbank afgewezen wegens het

ontbreken van voldoende zwaarwegend spoedeisend belang.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 december 2016. Eiseres is verschenen, vergezeld van [persoon 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en verweerder de gelegenheid geboden de in de uitspraak genoemde gebreken te herstellen. De uitspraak van 19 december 2016 wordt in het vervolg aangeduid als de tussenuitspraak..

Verweerder heeft in reactie op de tussenuitspraak een aanvullende motivering ingediend op 16 januari 2017.

Eiseres heeft hierop een schriftelijke zienswijze (de zienswijze) gegeven.

De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij al wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 24 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR5704) en 15 augustus 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:BX4694).

2. In haar tussenuitspraak heeft de rechtbank, kort gezegd, overwogen dat het op de weg van verweerder had gelegen om door middel van een schriftelijke rapportage van de IND zich te vergewissen van de verblijfstatus van de echtgenoot van eiseres. Verder heeft de rechtbank overwogen dat verweerder niet op een standpunt van eiseres is ingegaan in het bestreden besluit. De rechtbank heeft een aantal aanwijzingen gegeven om het gebrek te herstellen.

3. Verweerder heeft een rapportage van de Immigratie en naturalisatiedienst (IND) overgelegd alsmede een mailwisseling. In de rapportage staat aangegeven dat de echtgenoot van eiseres sinds 23 mei 2016 tot 13 december 2016 code 98 had. In de periode van 13 maart 2015 tot 18 april 2015 had hij code 32, van 18 april 2015 tot 11 januari 2016 code 98 en van 11 januari 2016 tot 23 mei 2016 code 31. In de mailwisseling heeft de IND desgevraagd aangegeven dat het bezwaar tegen de weigering van een aanvraag om een verblijfsvergunning (regulier) geen schorsende werking had op grond van artikel 73, tweede lid onder a Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Omdat het hiertegen gerichte bezwaar van de echtgenoot van eiseres binnen 24 uur was ingediend na de bekendmaking van de beslissing, was de echtgenoot van eiseres op dat moment niet verwijderbaar op grond van de Vreemdelingencirculaire, aldus de IND. Dat wil volgens de IND niet zeggen dat hij dan rechtmatig verblijf zou hebben.

4. Eiseres heeft aangegeven dat door de IND nog steeds niet is aangegeven of de echtgenote rechtmatig verblijf zou hebben op grond van artikel 8 onder h, van de Vw 2000. Zij betwist de juistheid van de mededeling van de IND. Zij wijst onder meer op een ander rapport van de IND waarin staat dat hij tussen 13 maart 2015 en 15 maart 2016 code 32 en van 15 maart 2016 tot 11 mei 2016 code 31 had, waarvoor verweerder geen verklaring heeft gegeven, alsmede een rapport van de gemeente ’s-Hertogenbosch van 1 juli 2016 waarin de echtgenote van eiseres code 31 had.

5. De rechtbank constateert dat het dossier twee tegenstrijdige rapporten van de IND bevat waarin met betrekking tot de verblijfstatus van de echtgenoot van eiseres verschillende informatie wordt gegeven. In het rapport van 13 december 2016 heeft de IND gesteld dat de echtgenoot van eiseres van 18 april 2015 tot 11 januari 2016 code 98 had. In het rapport van 11 mei 2016 van 13 maart 2015 tot 15 maart 2016 heeft de IND aan de echtgenoot van eiseres code 32 toegekend. Deze tegenstrijdige informatie heeft tot gevolg dat niet zonder meer van de juistheid van de rapportages van de IND kan worden uitgegaan. Voorts is onduidelijk waarom de echtgenoot van eiseres geen rechtmatig verblijf zou hebben hangende een bezwaar tegen de weigering van de aanvraag om een verblijfsvergunning (regulier) ondanks de omstandigheid dat hij niet uitzetbaar is.

6. De rechtbank ziet zich genoodzaakt om op basis van de informatie in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2016 zelf te bepalen of de echtgenoot van eiseres rechtmatig verblijf had op grond van artikel 8 onder h, van de Vw.

7. Uit de uitspraak komt naar voren dat op 11 maart 2016 een beroep van de echtgenoot van eiseres tegen de afwijzing van een aanvraag om asiel ongegrond is verklaard. Het hoger beroep tegen deze uitspraak (AWB 15/8085) is eveneens ongegrond verklaard. Op 19 mei 2016 is de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier met doel “familieleven op grond van artikel 8 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” afgewezen. De rechtbank heeft verder aangegeven dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat de echtgenoot van eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning omdat hij geen geldige machtiging heeft tot voorlopig verblijf. In de uitspraak heeft de rechtbank met toepassing van artikel 78 Vw op het bezwaar beslist.

8. Ingevolge artikel 8 onder h van de Vw heeft een vreemdeling rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of een beroepschrift, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist;

9. Ingevolge artikel 73, eerste lid, van de Vw wordt de werking van het besluit tot afwijzing van de aanvraag of de intrekking van de verblijfsvergunning opgeschort totdat de termijn voor het maken van bezwaar of het instellen van administratief beroep is verstreken of, indien bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, totdat op het bezwaar of administratief beroep is beslist. In het tweede lid is aangegeven dat het eerste lid niet van toepassing is indien de aanvraag is afgewezen dan wel de verblijfsvergunning is ingetrokken op de grond, bedoeld in artikel 16, eerste lid, onder a of d van de Vw 2000.
Ingevolge artikel 16, eerste lid onder a, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.
Op grond van artikel 63, eerste lid, van de Vw kan de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft en die niet binnen de bij deze wet gestelde termijn Nederland uit eigen beweging heeft verlaten, worden uitgezet.

10. Op basis van de beschikbare informatie stelt de rechtbank vast dat de aanvraag van de echtgenoot van eiseres voor een verblijfsvergunning (regulier) is afgewezen onder meer omdat hij niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf. Dat is een afwijzing op grond van artikel 16, eerste lid onder a, van de Vw en daarom is artikel 73, eerste lid van de Vw niet van toepassing. Daarom heeft de echtgenoot van eiser geen rechtmatig verblijf op grond van artikel 73, eerste lid Vw. Er is geen rechterlijke beslissing op basis waarvan uitzetting van de echtgenoot van eiser achterwege dient te blijven Dan resteert de vraag of hij rechtmatig verblijf zou kunnen hebben op grond van het beleid van de IND in de Vreemdelingencirculaire paragraaf 7.3. Dit beleid is kennelijk opgesteld ter invulling van de in artikel 63 van de Vw opgenomen bevoegdheid tot uitzetting. Uit de tekst van artikel 63, eerste lid, van de Vw volgt echter dat geen rechtmatig verblijf wordt verkregen indien de Minister van Veiligheid en Justitie geen gebruik maakt van de bevoegdheid tot uitzetting. De rechtbank concludeert dat de echtgenoot van eiser geen rechtmatig verblijf heeft gehad na 23 mei 2016 op grond van artikel 8 onder h van de Vw.

11. Nu de echtgenoot van eiseres geen rechtmatig verblijf heeft gehad, kon verweerder niet anders dan vaststellen dat eiseres, gelet op artikel 9, tweede lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir), geen aanspraak had op huur- en zorgtoeslag. Artikel 9, tweede lid, van de Awir laat verweerder geen enkele beoordelingsruimte. Daardoor kan verweerder de omstandigheid dat de echtgenoot van eiseres niet verwijderbaar was op grond van het beleid in de Vreemdelingencirculaire niet betrekken bij de besluitvorming en leidt dit op zich opmerkelijke beleid niet tot een ander oordeel.

12. Verweerder heeft verder aangegeven dat de echtgenoot van eiser niet van rechtswege verzekeringsplichtig is voor de Zorgverzekeringswet. Daarom kan eiseres op grond van artikel 2, vierde lid van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt) aanspraak maken op vijftig procent van hetgeen in artikel 2, eerste lid, van de Wzt wordt bepaald. Daarom heeft zij tot 1 juni 2016 een zorgtoeslag ontvangen van vijftig procent van het totaalbedrag van een aanvrager met partner. Daarna kan zij geen aanspraak maken op zorgtoeslag gelet op artikel 9, tweede lid van de Awir.

13. Eiseres heeft slechts gesteld dat de echtgenoot van eiser wel rechtmatig verblijf had.

14. Ingevolge artikel 2, eerste lid van de Zorgverzekeringswet (Zvw) is degene die ingevolge de Wet langdurige zorg (Wlz) en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde risico.

15. Ingevolge artikel 2.1.1 van de Wlz is verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze wet degene, die ingezetene is. In afwijking van het eerste lid zijn vreemdelingen die niet rechtmatig in Nederland verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw, niet verzekerd.

16. Ingevolge artikel 8 onder f van de Vw heeft een vreemdeling in Nederland rechtmatig verblijf in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning, bedoeld in de artikelen 14 of 20 van de Vw, terwijl bij of krachtens deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is beslist.

Ingevolge artikel 2, vierde lid, van de Wet op de zorgtoeslag (Wzt) bedraagt in afwijking van het eerste lid de aanspraak op een zorgtoeslag voor een verzekerde met een partner die geen verzekerde is, vijftig procent van het op grond van het eerste lid berekende bedrag.

17. De echtgenoot van eiser genoot tot 23 mei 2016 (de dag waarop de weigering van de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier bekend werd gemaakt) rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 8 onder f van de Vw. De echtgenoot van eiseres is niet verzekerd omdat hij geen verblijf genieten als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, van de Vw. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder terecht heeft bepaald dat eiseres slechts aanspraak kon maken op vijftig procent van de zorgtoeslag in de periode tot 23 mei 2016. Daarna kon eiseres geen aanspraak meer maken op zorgtoeslag gelet op artikel 9, tweede lid, van de Awir.

18. Hierboven heeft de rechtbank zelf de verblijfstatus van de echtgenoot van eiseres vastgesteld. Eiseres heeft terecht geklaagd dat verweerder niet zonder meer op de informatie van de IND kon afgaan in dit geval. Dat is de reden waarom de rechtbank zelf heeft bepaald welke verblijfstatus de echtgenoot van eiseres na 23 mei 2016 heeft gehad. Zij heeft ook nog gewezen op een aantal andere documenten waaronder enkele documenten in een brief van 17 augustus 2016 die aanvankelijk niet in het dossier van de beroepszaak was gevoegd maar wel is gehecht aan de zienswijze van eiseres. Hierover overweegt de rechtbank het volgende. Het BSN, het paspoort en het identiteitsbewijs van de echtgenoot van eiseres leiden niet tot het oordeel dat hij in weerwil van wat in de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag van 7 oktober 2016 is bepaald, wel rechtmatig verblijf had. Zijn verblijfsstatus volgt niet uit een identiteitsbewijs maar uit de rechtsfeiten die in deze uitspraak zijn genoemd. Ook het rapport van de gemeente

‘s-Hertogenbosch leidt niet tot een ander oordeel, nu onduidelijk is op welke gronden in dit rapport is geconcludeerd dat de echtgenoot van eiseres een andere status zou hebben. Hetgeen zich heeft voorgevallen vóór 23 mei 2016, acht de rechtbank niet relevant voor de bepaling van de verblijfstatus van de echtgenoot van eiseres. In deze zaak staat de juistheid van de uitspraken van andere rechtbanken over door de echtgenoot van eiseres aangevraagde verblijfsvergunningen niet ter discussie. De rechtbank ziet in de door eiseres overgelegde uitspraak van het Hof van Discipline geen aanleiding voor een ander oordeel nu het Hof zich niet uitlaat over de uitkomst van de procedure rond de aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier.

19. Eiseres voelt zich gediscrimineerd door verweerder en is van mening dat verweerder heeft gehandeld in strijd met artikelen 8 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en het daarin vervatte discriminatieverbod en het recht op respect voor het privé, familie- en gezinsleven. Zij heeft er in dit verband ook op gewezen dat zij door het bestreden besluit in benarde financiële omstandigheden is geraakt.

20. De rechtbank is in de tussenuitspraak niet ingegaan op deze beroepsgrond en zal dat hieronder doen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Koppelingswet (Kamerstukken II 1994/95, 24 233, nr. 3, blz. 1 en 2) strekt het in deze wet neergelegde koppelingsbeginsel ertoe het recht op verstrekkingen, voorzieningen en uitkeringen ten laste van de collectieve middelen, te koppelen aan rechtmatig verblijf in Nederland. Het koppelingsbeginsel heeft tot doel te voorkomen dat illegale vreemdelingen door ontvangst van uitkeringen en verstrekkingen in staat worden gesteld tot voortzetting van hun wederrechtelijk verblijf of het verwerven van de schijn van legaliteit. Daarnaast is het koppelingsbeginsel erop gericht te voorkomen dat de vreemdeling die procedeert voor een verblijfsvergunning gaandeweg in staat blijkt een zodanig sterke rechtspositie op te bouwen - of de schijn van een dergelijke positie -, dat hij na ommekomst van de procedure zo goed als onuitzetbaar blijkt.

21. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:1948), vormt, gezien het met het koppelingsbeginsel nagestreefde doel, dit beginsel op zichzelf een redelijke en objectieve rechtvaardiging voor het gemaakte onderscheid tussen enerzijds een Nederlander of een vreemdeling met een verblijfsrecht ingevolge artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vw 2000 en anderzijds een vreemdeling die niet over een zodanig verblijfsrecht beschikt.

22. Naar vaste jurisprudentie van de Afdeling, onder andere in de uitspraak van 22 december 2010 en de uitspraak van 13 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ1256), vinden ingevolge artikel 94 van de Grondwet wettelijke voorschriften geen toepassing, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepaling van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties. Het niet toekennen van een voorschot huur- of zorgtoeslag of kindgebonden budget kan onder zeer bijzondere omstandigheden in het concrete geval worden aangemerkt als zijnde in strijd met het discriminatieverbod van artikel 14 gelezen in samenhang met het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privé, familie- en gezinsleven, in welk geval de desbetreffende bepaling buiten toepassing gelaten moet worden. Gelet op het ingrijpende effect dat de nihilstelling van een voorschot kan hebben, dient verweerder een gemotiveerd beroep op zeer bijzondere omstandigheden zelfstandig te beoordelen.

23. Het is aan de rechtbank om te beoordelen of eiseres een gemotiveerd beroep heeft gedaan op zeer bijzondere omstandigheden en of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in voldoende mate in zijn belangenafweging heeft betrokken. Vervolgens moet beoordeeld worden of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geleid tot een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privé-, familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

24. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de herziening van de voorschotten zorg- en huurtoeslag vanaf 1 juni 2016 niet strijdig is met artikel 8 gelezen in verbinding met artikel 14 van het EVRM. Het recht zoals vervat in artikel 8 van het EVRM is niet belemmerd door toepassing van artikel 9 van het Awir en er is dus ook geen sprake van inmenging in het recht op eerbiediging van het privé-, familie- en gezinsleven van eiseres. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat eiseres geen omstandigheden heeft aangevoerd die dermate bijzonder zijn dat zij nopen tot het buiten toepassing laten van artikel 9, tweede lid, van de Awir. De stelling van eiseres dat zij in ernstige financiële problemen raakt leidt niet tot een ander oordeel, omdat de voorschotten zorg- en huurtoeslag niet strekken tot het waarborgen van het bestaansminimum.

25. Eiseres heeft nog enkele vragen gesteld naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting van 19 december 2016. De rechtbank stelt voorop dat het proces-verbaal geen letterlijke weergave is van al hetgeen op de zitting is gezegd maar slechts een zakelijke weergave. De rechtbank heeft verweerder inderdaad gevraagd naar de brief van 23 mei 2016 en de rechtbank heeft geen afdoende reactie ontvangen. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in de opdracht in de tussenuitspraak aan verweerder hier nadere uitleg over te verschaffen. Dit staat reeds in de tussenuitspraak en is daarom niet opgenomen in het proces-verbaal. Hierboven is reeds aangegeven dat de brief van 17 augustus 2016 van eiseres in de voorlopige voorzieningenprocedure aanvankelijk niet in het dossier van de beroepszaak was gevoegd en daar niet in zat op 19 december 2016, maar inmiddels wel omdat deze brief is gehecht aan de zienswijze van eiseres.

26. Gelet op de in de tussenuitspraak geconstateerde gebreken, is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit omdat het onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder is er niet in geslaagd dit in de reactie voldoende te herstellen. Daarom heeft de rechtbank aanleiding gezien zelf de verblijfsstatus van de echtgenoot van eiseres vast te stellen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de echtgenoot van eiseres geen rechtmatig verblijf had na 23 mei 2016. Daarom laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand. Dat betekent dat inhoudelijk voor eiseres niets veranderd.

27. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt. Er zijn geen voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

Beslissing

De rechtbank

 verklaart het beroep gegrond;

 vernietigt het bestreden besluit;

 bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;

 draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,00 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.H.M Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van
mr. B. van der Bruggen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 maart 2017.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.