Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1221

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
09-03-2017
Datum publicatie
20-03-2017
Zaaknummer
16_2690
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 december 2014 heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen onder de Wajong 2010. Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend. Op 23 oktober 2015 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Deze aanvraag heeft verweerder onder de Wajong 2015 afgewezen.

Met haar beroep op nova claimt eiseres alsnog een uitkering met terugwerkende kracht. De rechtbank volgt verweerder in zijn reactie dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt.

Ten aanzien van het verzoek om toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Wajong 2015, ontstaat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder dan 16 weken na de dag waarop de aanvraag daartoe werd ingediend, tenzij de aanvrager ten tijde van de aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In die laatste situatie ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag daartoe werd ingediend. Ingevolge artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 ontstaat recht op arbeidsondersteuning niet, indien dit zou ingaan op of na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet. Artikel III van de Invoeringswet Participatiewet is op 1 januari 2015 in werking getreden (Stb. 2014, 270 en 271). Nu de herhaalde aanvraag van eiseres dateert van 23 oktober 2015 en ziet op een herziening voor de toekomst, kan eiseres, gelet op het feit dat uit artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 volgt dat het recht op arbeidsondersteuning niet kan ingaan na 1 januari 2015, niet meer in aanmerking komen voor een uitkering voor de toekomst. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgrond van eiseres of zij ten tijde van de eerste aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

Ten aanzien van het verzoek om een inhoudelijke beoordeling op grond van de Wajong 2015 overweegt de rechtbank als volgt. Onder de Wajong 2010 heeft verweerder op de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering afwijzend beslist en dat besluit is onherroepelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat de herhaalde aanvraag niet (tevens) kan worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag onder de Wajong 2015. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten op grond waarvan een beoordeling op basis van de Wajong 2015 aan de orde is. Aan een oordeel over de juistheid van verweerders standpunt dat eiseres ook op grond van de bepalingen uit de Wajong 2015 geen recht heeft op een uitkering, komt de rechtbank dan ook niet toe (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4015).

In de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel over de beoordeling op grond van de Wajong 2015. Met voormelde uitspraken is de zogenoemde ne bis in idem-rechtspraak in die zin gewijzigd, dat thans, anders dan voorheen, voor de beoordeling door de rechtbank van belang is welke keuze verweerder bij een herhaalde aanvraag in het voorliggende geval maakt. Artikel 4:6 van de Awb biedt verweerder bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden twee mogelijkheden. Verweerder kan de herhaalde aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, óf deze aanvraag inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen. Wijst verweerder de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden af, dan toetst de rechtbank het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. De rechtbank beoordeelt in dat geval dus niet meer ambtshalve of datgene wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De hiervoor genoemde uitspraken strekken naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, dat de rechtbank ook gehouden is elke andere beoordeling van verweerder die buiten het in artikel 4:6 van de Awb opgenomen toetsingskader valt, zoals in dit geval de Wajong 2015, inhoudelijk te toetsen.

Wetsverwijzingen
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten 2:15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 16/2690

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 maart 2017 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.W.F. Noot),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. drs. C.L. Schuren).

Procesverloop

Bij besluit van 8 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een Wajong-uitkering afgewezen.

Bij besluit van 20 juli 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij brief van 4 november 2016 heeft eiseres aanvullende beroepsgronden ingediend.

Bij brieven van 11 en 16 november 2016 heeft verweerder verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 november 2016. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres, geboren op 28 augustus 1996, heeft op 24 september 2014 een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Bij besluit van 24 december 2014 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen onder de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals deze luidde tot 1 januari 2015 (Wajong 2010). Tegen dat besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.

2. Op 23 oktober 2015 heeft eiseres opnieuw een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Bij het primaire besluit heeft verweerder onder de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten, zoals deze luidt vanaf 1 januari 2015 (Wajong 2015), deze aanvraag afgewezen, omdat eiseres blijkens de rapportages van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige arbeidsvermogen heeft. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.

3. In het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat eiseres, gelet op hetgeen zij heeft ingevuld op het aan haar door verweerder toegezonden antwoordformulier, met haar herhaalde aanvraag heeft beoogd een verzoek te doen om toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie en een aanvraag in te dienen voor een beoordeling op grond van de criteria van de Wajong 2015. Ten aanzien van het verzoek om toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie heeft verweerder het standpunt ingenomen dat uit de rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep is gebleken dat het besluit van 24 december 2014 niet onjuist is. Er zijn derhalve geen gronden voor een herziening vanaf de datum van de herhaalde aanvraag, aldus verweerder. Daarnaast heeft verweerder het standpunt ingenomen dat eiseres op grond van de Wajong 2015 niet in aanmerking komt voor een uitkering, omdat, gelet op de rapportages van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, eiseres weliswaar thans niet beschikt over arbeidsvermogen, maar deze situatie geen duurzaam karakter heeft.

4. In beroep betwist eiseres het standpunt van verweerder dat het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam is. Voorts zijn er volgens eiseres nova. Daarbij wijst eiseres op het rapport van registerpsycholoog Mokveld van 20 juli 2015 en het rapport van gedragsdeskundige Reemers van 14 maart 2016, waarvan zij stelt dat zij deze niet eerder had kunnen of behoren over te leggen. Volgens eiseres blijkt hieruit dat zij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is zowel op grond van de Wajong 2010 als de Wajong 2015. Voorts wijst eiseres erop dat in het besluit van 24 december 2014 niet duidelijk is of verweerder heeft getoetst aan de Wajong 2010 of aan de Wajong 2015. Het besluit van

24 december 2014 dateert evenwel van vóór de inwerkingtreding van de Wajong 2015. Zowel destijds als bij het onderzoek naar de juistheid van het oorspronkelijke besluit had verweerder moeten toetsen aan het bepaalde in artikel 2:15, derde lid, aanhef en onder a, in samenhang met artikel 2:4, van de Wajong 2010, aldus eiseres. Ten slotte merkt eiseres op dat zij tevens voldoet aan de criteria van artikel 1a:1 van de Wajong 2015.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft overwogen in de uitspraken van

14 januari 2015, ECLI:NL:CRVB: 2015:1 en ECLI:NL:CRVB:2015:2, moet een aanvraag om een arbeidsongeschiktheidsuitkering na een eerdere (gedeeltelijke) afwijzing of intrekking van die uitkering naar zijn strekking worden beoordeeld. Met een aanvraag kan worden beoogd dat (met ingang van de datum waarop dat besluit zag) wordt teruggekomen van het eerdere besluit (artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)), dat bedoeld wordt een beroep te doen op een regeling bij toegenomen arbeidsongeschiktheid (Wet Amber), of dat om herziening wordt verzocht voor de toekomst (duuraanspraak). Indien in een voorkomend geval niet (geheel) duidelijk is wat met een aanvraag wordt beoogd, ligt het op de weg van het Uwv daarover bij de aanvrager nadere informatie in te winnen. Het onderscheid in wat de belanghebbende heeft beoogd, is van belang voor de beoordeling van de aanvraag door het Uwv en de toetsing van de beslissing op die aanvraag door de bestuursrechter.

7. Met haar beroep op nova claimt eiseres alsnog een uitkering met terugwerkende kracht. De rechtbank volgt verweerder in zijn reactie dat deze beroepsgrond buiten de omvang van het geding valt. Immers, in de bezwaarfase heeft verweerder, teneinde duidelijkheid te verkrijgen over wat eiseres met haar aanvraag van 23 oktober 2015 heeft beoogd, eiseres aan de hand van een formulier voorgelegd of de aanvraag is bedoeld:

  • -

    enkel als een aanvraag voor een beoordeling op grond van de wet van de vanaf 1 januari 2015 geldende criteria van de Wajong 2015;

  • -

    tevens als een verzoek om terug te komen van de eerdere beslissing van 24 december 2014;

  • -

    tevens als een verzoek om toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie;

  • -

    tevens als een melding van toegenomen klachten/beperkingen.

Op dit namens eiseres ondertekende en op 26 mei 2015 gedagtekende formulier is uitsluitend de derde genoemde optie aangekruist. Deze beroepsgrond faalt (vergelijk de uitspraak van de CRvB van 9 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3629).

8. Ten aanzien van het verzoek om toepassing van de duuraanspraakjurisprudentie overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op het bepaalde in artikel 2:15, tweede en derde lid, van de Wajong 2015, ontstaat het recht op arbeidsondersteuning niet eerder dan 16 weken na de dag waarop de aanvraag daartoe werd ingediend, tenzij de aanvrager ten tijde van de aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. In die laatste situatie ontstaat het recht op arbeidsondersteuning op de dag waarop de aanvraag daartoe werd ingediend. Ingevolge artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 ontstaat recht op arbeidsondersteuning niet, indien dit zou ingaan op of na de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel B, van de Invoeringswet Participatiewet. Artikel III van de Invoeringswet Participatiewet is op 1 januari 2015 in werking getreden (Stb. 2014, 270 en 271). Nu de herhaalde aanvraag van eiseres dateert van 23 oktober 2015 en ziet op een herziening voor de toekomst, kan eiseres, gelet op het feit dat uit artikel 2:15, vierde lid, van de Wajong 2015 volgt dat het recht op arbeidsondersteuning niet kan ingaan na 1 januari 2015, niet meer in aanmerking komen voor een uitkering voor de toekomst. Om die reden komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de beroepsgrond van eiseres of zij ten tijde van de eerste aanvraag volledig en duurzaam arbeidsongeschikt was.

9. Ten aanzien van het verzoek om een inhoudelijke beoordeling op grond van de Wajong 2015 overweegt de rechtbank als volgt. Onder de Wajong 2010 heeft verweerder op de eerste aanvraag om een Wajong-uitkering afwijzend beslist en dat besluit is onherroepelijk geworden. De rechtbank is van oordeel dat de herhaalde aanvraag niet (tevens) kan worden aangemerkt als een nieuwe aanvraag onder de Wajong 2015. Ook overigens ziet de rechtbank geen aanknopingspunten op grond waarvan een beoordeling op basis van de Wajong 2015 aan de orde is. Aan een oordeel over de juistheid van verweerders standpunt dat eiseres ook op grond van de bepalingen uit de Wajong 2015 geen recht heeft op een uitkering, komt de rechtbank dan ook niet toe (vergelijk de uitspraak van deze rechtbank van 27 juli 2016, ECLI:NL:RBOBR:2016:4015).

10. In de uitspraken van de CRvB van 20 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4872, en van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3131, ziet de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel over de beoordeling op grond van de Wajong 2015. Met voormelde uitspraken is de zogenoemde ne bis in idem-rechtspraak in die zin gewijzigd, dat thans, anders dan voorheen, voor de beoordeling door de rechtbank van belang is welke keuze verweerder bij een herhaalde aanvraag in het voorliggende geval maakt. Artikel 4:6 van de Awb biedt verweerder bij het ontbreken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden twee mogelijkheden. Verweerder kan de herhaalde aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, óf deze aanvraag inhoudelijk behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang heroverwegen. Wijst verweerder de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit op inhoudelijke gronden af, dan toetst de rechtbank het besluit op die aanvraag of dat verzoek aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden als ware dit het eerste besluit over die aanvraag of dat verzoek. De rechtbank beoordeelt in dat geval dus niet meer ambtshalve of datgene wat een rechtzoekende aan zijn aanvraag of verzoek ten grondslag heeft gelegd, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. De hiervoor genoemde uitspraken strekken naar het oordeel van de rechtbank niet zo ver, dat de rechtbank ook gehouden is elke andere beoordeling van verweerder die buiten het in artikel 4:6 van de Awb opgenomen toetsingskader valt, zoals in dit geval de Wajong 2015, inhoudelijk te toetsen.

11. Gelet op het voorgaande is het beroep ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.D.M. Michael, voorzitter, en mr. Y.S. Klerk en

mr. L. Soeteman, leden, in aanwezigheid van drs. J.G.J. van Geesink, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2017.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.