Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1204

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2017
Datum publicatie
09-03-2017
Zaaknummer
17_624
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verlening van diverse vergunningen/ontheffingen voor "Pussy Lounge Wintercircus" op 11 maart 2017 op het evenemententerrein Aquabest te Best.

Ruimtelijke belangen, zoals strijdigheid met het bestemmingsplan, kunnen niet aan de verlening van een evenementenvergunning, een gebruiksvergunning en een ontheffing voor het stoken van een kampvuur (alle gebaseerd op de Algemene plaatselijke verordening) in de weg staan.

Het evenement is niet aan te merken als een al dan niet vergunningplichtige inrichting. Er is geen sprake van een activiteit die een lange periode continu plaatsvindt en is daarom geen bedrijvigheid die (binnen een zekere begrenzing) “pleegt te worden verricht”. Daarom is geen milieuvergunning nodig en gelden niet de geluidsvoorschriften van het Activiteitenbesluit.

Er is geen sprake van onduldbare hinder.

Er is geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 17/624

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 maart 2017 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [plaats] , verzoekster,

(gemachtigde: mr. L. Bier),

en

1. de burgemeester van de gemeente Bestverweerder 1,

2. het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Bestverweerder 2,

tezamen: verweerders,

(gemachtigden: M. Hofbauerová, L.J.A.M. van der Vleuten en mr. E.L.A. Kramer).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: Ekkersweijer Recreatie B.V., te Best, gemachtigde: mr. M.P. Wolf.

Procesverloop

Bij besluit van 6 februari 2017 (het bestreden besluit) hebben verweerders aan B2S B.V. een evenementenvergunning als bedoeld in artikel 2.25 van de Algemene plaatselijke verordening van verweerders gemeente (APV), een ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet, een gebruiksvergunning op grond van artikel 2.91 van de APV en een ontheffing voor het stoken van een kampvuur op grond van 5.33, derde lid, van de APV verleend.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2017. Namens verzoekster is verschenen [persoon A] , bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Derde-partij heeft zich laten vertegenwoordigen K. Westerveld, bijgestaan door mr. E.C.J. Wouters, kantoorgenoot van gemachtigde. Voorts is namens B2S B.V. verschenen [persoon B] .

Overwegingen

  1. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien tegen een besluit bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

  2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

3. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten.

Op 7 september 2016 heeft B2S B.V. een aanvraag ingediend voor het houden van het evenement “Pussy Lounge Wintercircus” op 11 maart 2017 op het evenemententerrein Aquabest te Best. Verzoekster is zakelijk gerechtigde en exploitant - al dan niet via de aan haar gelieerde rechtspersonen - van de terreinen direct grenzend aan het evenemententerrein. [persoon C] en derde-partij Ekkersweijer Recreatie B.V. stellen het evenemententerrein ter beschikking aan B2S B.V., de organisator van het evenement. Verzoekster drijft, op het terrein [adres] sinds 2005 een inrichting. Zijn bedrijfsactiviteiten betreffen onder meer het in werking hebben van een grondbank, het vervaardigen, op- en overslaan en bewerken van steenachtig bouw- en sloopafval en soortgelijk procesafval, het op- en overslaan van asbest en sorteren van asbesthoudend puin en de op- en overslag en bewerking van grof- en fijnkorrelige minerale afvalstoffen.

4. Verzoekster heeft niet alleen bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit. Haar bezwaarschrift bevat tevens een voorwaardelijk handhavingsverzoek, voor het geval het bestreden besluit wordt geschorst.

5. Verzoekster voert tegen het bestreden besluit aan dat uit de op 7 september 2016 ingediende aanvraag niet blijkt dat om - de verleende - gebruiksvergunning en ontheffing voor het stoken van een kampvuur is verzocht. Verzoekster wijst erop dat slechts om een evenementenvergunning en een ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet is verzocht.

6. De aanvraag lijkt enkel te zien op een evenementenvergunning en een ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet, omdat alleen deze zijn vermeld in de desbetreffende rubriek op het aanvraagformulier. Verweerders hebben daarover ter zitting verklaard dat voor de aanvragen een digitaal aanvraagformulier wordt gehanteerd, waarbij aan de hand van de in te vullen activiteiten, in de rubriek die de aangevraagde toestemmingen vermeldt, automatisch wordt vermeld welke toestemmingen worden gevraagd. Het systeem werkt niet optimaal, maar het formulier biedt geen mogelijkheid en ruimte om de rubriek met de gevraagde toestemmingen handmatig in te vullen. Dit laat onverlet dat de aanvraag wordt beoordeeld aan de hand van de gevraagde activiteiten en de daarover aangeleverde informatie. Voor alle activiteiten is dan ook wel degelijk een toestemming gevraagd en een vergunning of ontheffing verleend.

7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder moet beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. Op grondslag van de aanvraag en aan de hand van daarin aangevraagde activiteiten staat het verweerder vrij te beoordelen of welke vergunningen of ontheffingen daarvoor nodig zijn en welke voorschriften daaraan moeten worden verbonden. Gelet op de door verweerder ter zitting gegeven uitleg kan niet gezegd worden dat verweerder met het bestreden besluit de grondslag van de aanvraag heeft verlaten.

8. De voorzieningenrechter stelt verder vast dat er, in bijlage I, bij de evenementenvergunning, melding van wordt gemaakt dat verweerder 2 een ontheffing voor het stoken van een kampvuur op grond van 5.33, derde lid, van de APV heeft verleend. Aan deze ontheffing worden in bijlage I voorschriften verbonden. Ook wordt melding gemaakt van de verlening van een ontheffing van de reguliere geluidsvoorschriften, waarvoor verweerder 1 bevoegd is.

In het namens verweerders genomen en ondertekende besluit wordt geen melding gemaakt van de verlening van deze ontheffingen, wat een gebrek in het bestreden besluit betreft. Met betrekking tot de verlening van de ontheffing voor het stoken van een kampvuur is, door de vermelding in de bijlage bij de evenementenvergunning, die door verweerder 1 wordt verleend, tevens sprake van een bevoegdheidsgebrek.

Deze gebreken kunnen in de beslissing op bezwaar worden hersteld. Daarom valt niet in te zien dat het bestreden besluit om die reden niet in stand zal blijven, zodat de voorzieningenrechter geen aanleiding ziet om het bestreden besluit in verband hiermee te schorsen.

9. Vast staat dat verzoekster - al dan niet via de aan haar gelieerde rechtspersonen - eigenaar en gebruiker is van het perceel direct gelegen naast het evenemententerrein waarop het evenement plaatsvindt. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster reeds hierom een rechtstreeks bij de verlening van de vergunningen en ontheffingen betrokken belang heeft in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gelet hierop moet - anders dan de derde-partij heeft betoogd - verzoekster als belanghebbende worden aangemerkt. Bovendien valt niet op voorhand uit te sluiten dat het bedrijf van verzoekster, als gevolg van de afsluiting van een klein gedeelte van de Terraweg - die dient als aanvoerroute van het bedrijf - vanaf de nabijgelegen snelweg, zodanige hinder ondervindt, dat zij ook hierom als belanghebbende kan worden aangemerkt.

10. Verzoekster voert aan dat het houden van het evenement op diverse punten strijdig is met het bestemmingsplan “Natuur- en recreatiegebied Ekkersweijer”.

Het plaatsen van tenten is niet zonder meer mogelijk op grond van de bestemming "Recreatieve doeleinden - R". Voor het plaatsen van tenten moet, op grond van artikel 5, zevende lid, van de planregels, een vrijstellingsprocedure worden gevolgd, waarbij het volgens verzoekster nog maar de vraag is of de tent niet moet worden aangemerkt als bouwwerk. De plaatsing van de tent en het evenement vinden deels plaats op tot "Natuur - N" bestemde gronden.

Het bestemmingsplan laat beperkt horecavoorzieningen toe. De bij het evenement behorende (tijdelijke) horecavoorzieningen zijn in strijd met het bestemmingsplan. Bij evenementen zal gebruik moeten worden gemaakt van de zelfstandige horecavoorziening met een maximum oppervlak van 60 m², als bedoeld in artikel 5, eerste lid, sub c, van de planregels. Omdat de oppervlakte aanzienlijk groter is, had verweerder vergunning voor afwijking moeten verlenen, aldus verzoekster.

Verder zijn bijvoorbeeld de plaatsing van toiletten, de uitstroom van de voetgangers en de verankering van de tent in strijd met de bestemming "Natuur - N".

11. De evenementenvergunning kan, op grond van artikel 1.8 van de APV, worden geweigerd in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu.

12. Voor zover er al van zou moeten worden uitgegaan dat het evenement in strijd met het bestemmingsplan, betekent dit niet zonder meer dat de evenementenvergunning dient te worden geweigerd.

Artikel 2.25 van de APV, dat bepaalt dat het verboden is zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren, is geplaatst in hoofdstuk 2 van de APV, met het opschrift “Openbare orde”. Artikel 1.8 van de APV bevat de gronden voor de weigering van vergunningen en ontheffingen, waarin het belang van een goede ruimtelijke ordening niet is genoemd.

Gelet hierop kunnen louter ruimtelijke belangen niet aan verlening van de evenementenvergunning in de weg staan. De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2028).

13. Dit geldt eveneens ten aanzien van de verleende gebruiksvergunning en de ontheffing voor het stoken van een kampvuur. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat artikel 2.91 van de APV, waarin het wordt verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende gebruiksvergunning een inrichting in gebruik te hebben, is geplaatst in hoofdstuk 2 van de APV, met het opschrift “Openbare orde”, en afdeling 18 met het opschrift “Bepalingen ter bevordering van de brandveiligheid”. Artikel 5.33 van de APV - op grond waarvan het verboden is in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben - is opgenomen in afdeling 18 van hoofdstuk 5 van de APV, met het opschrift “Bepalingen ter bevordering van de brandveiligheid”. Ook de verleende ontheffing op grond van de Drank- en Horecawet biedt geen ruimte om ruimtelijke belangen bij de besluitvorming te betrekken. Deze wet stelt immers regels ten aanzien van het verstrekken van alcoholhoudende drank zowel uit sociaal-hygiënisch als uit sociaal-economisch oogpunt.

14. Volgens verzoekster is het evenement vergunningplichtig op basis van artikel 2.1, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), juncto artikel 19, vierde lid, van bijlage I, van het Bor. Daarom is ten onrechte geen omgevingsvergunning gevraagd voor het regelmatig laten plaatsvinden van muziekuitvoeringen voor 5.000 bezoekers.

Verder moet volgens haar het gehele terrein bovendien als één inrichting worden beschouwd. De ‘Beleidsnotitie APV t.b.v. Recreatieterrein Aquabest (2006)’ (de Beleidsnotitie), die nummermatig niet aansluit bij de APV en ook geen betrekking heeft op het maximale geluidsniveau in de te verlenen ontheffingen, lijkt volgens verzoekster uit te gaan van verschillende inrichtingen op het terrein, terwijl de APV uitgaat van één evenemententerrein (het gehele met - R - aangegeven gebied). Door het terrein beleidsmatig in vijf inrichtingen te verdelen wordt artikel 2.21 van het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (het Activiteitenbesluit) ontdoken.

15. Ingevolge artikel 1.1 van de Wet milieubeheer wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder inrichting: elke door de mens bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, ondernomen bedrijvigheid die binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht.

Op grond van artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer worden bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken.

Op grond van artikel 2.1, tweede lid, van Bor worden categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer en vergunningplichtige inrichtingen aangewezen. Deze inrichtingen zijn aangewezen in bijlage I, onderdeel B, en onderdeel C, bij het Bor.

Als categorieën vergunningplichtige inrichtingen als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Bor, worden in categorie 19, onder 19.4, inrichtingen aangewezen voor:

(…);

d. het geven van muziekuitvoeringen in de buitenlucht waar tegelijk meer dan 5.000 bezoekers aanwezig kunnen zijn.

16. De voorzieningenrechter overweegt dat het evenement geen bedrijvigheid is die “pleegt te worden verricht”. Het evenement op zichzelf duurt slechts één dag van 12:00 tot 23:00 uur, terwijl de op- en afbouw ervan binnen een korte periode van 15 dagen wordt verricht, zodat geen sprake is van een activiteit die een lange periode continu plaatsvindt. Het evenement wordt sinds 2015 steeds op verschillende data in maart gehouden en vindt niet plaats op een jaarlijkse vaststaande datum. Het evenement is daarom naar aard niet steeds één en dezelfde bedrijvigheid die met een zekere regelmaat wordt verricht. Het evenement kan dan ook niet worden aangemerkt als een inrichting in de zin van artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zodat er ook geen aanleiding bestaat voor het aanvragen van een vergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Wat verzoekster heeft aangevoerd over de toepassing van de Beleidsnotitie, in relatie tot ontduiking van artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit, behoeft om die reden geen verdere bespreking.

17. De voorzieningenrechter overweegt dat verweerder 1 heeft onderkend dat het evenement geluidsoverlast zal veroorzaken. Daarom heeft hij aan de evenementenvergunning, onder verlening van een ontheffing van de reguliere geluidsvoorschriften, voorschriften verbonden, waarbij hij aansluiting heeft gezocht bij de nota “Evenementen met een luidruchtig karakter” van de Inspectie Milieuhygiëne Limburg, van januari 1996 (de Nota). In de Nota is aangegeven dat, rekening houdende met een gemiddelde gevelisolatie van 20 à 25 dB(A), om de grens van het optreden van “onduldbare hinder” niet te overschrijden, moet worden uitgegaan van een maximaal equivalent geluidsniveau (LAeq) op de gevel van woningen overdag en ’s avonds van 70 à 75 dB(A) en ’s nachts van 65 à 70 dB(A). Het bedrijf dBcontrol heeft in zijn akoestisch rapport van 26 januari 2017 de geluidbelasting van het dance-event berekend conform de ‘Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai 1999’.

18. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder 1, bij de beoordeling of sprake is van onaanvaardbare geluidsoverlast, uit mocht gaan van de in de Nota genoemde geluidsnormen. De voorzieningenrechter neemt hierbij in aanmerking dat de Nota reeds jaren bij evenementen door bestuursorganen wordt toegepast en ook in de jurisprudentie van de Afdeling, bijvoorbeeld uitspraak van 3 maart 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BL6208) als uitgangspunt wordt genomen. In de jurisprudentie van de Afdeling is aanvaard dat bij naleving van die normen in beginsel geen sprake is van zogenoemde onduldbare hinder.

19. In het akoestisch rapport is berekend dat met het vergunde bronniveau de te verwachten geluidsbelasting ter hoogte van de meest relevante woningen maximaal 63 dB(A) bedraagt. Gelet op de omstandigheid dat het gebruik van de geluidsinstallatie overdag (vanaf 12.00 uur) en in de avond plaatsvindt en niet in de nachtperiode, acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de grens van "onduldbare hinder" niet overschrijdt. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunten om aan de uitkomsten van het akoestisch rapport te twijfelen. Verzoekster heeft met hetgeen zij naar voren heeft gebracht niet aannemelijk gemaakt dat het akoestisch onderzoek van dBcontrol gebreken bevat die maken dat dit niet aan het bestreden besluit ten grondslag mocht worden gelegd.

20. Verzoekster voert aan dat in de “Beleidsnotitie Horeca- en evenementenplan gemeente Best” een lacune zit, omdat deze niet van toepassing is op bestemmingen en gebieden buiten de gemeente Best, ook al wordt daar hinder ondervonden van een evenement. In deze zaak is dat relevant, nu het evenemententerrein grenst aan de het grondgebied van de gemeente Son en Breugel, waar het bedrijfsterrein van verzoekster is gelegen, en aan dat van de gemeente Eindhoven. De Beleidsnotitie vertoont hetzelfde manco.

20. Verweerders hebben erop gewezen dat de “Beleidsnotitie Horeca- en evenementenplan gemeente Best” een algemeen beleid bevat ten aanzien van horeca en evenementen. Voor het evenemententerrein Aquabest is de eerder genoemde Beleidsnotitie een verbijzondering van dit beleid, waarin uitwerking is gegeven aan de artikelen 4.1.2. en 4.1.3. van de APV. Waar de Beleidsnotitie niet geldt, geldt de “Beleidsnotitie Horeca- en evenementenplan gemeente Best”.

22. De omstandigheid dat de artikelen 4.1.2 en 4.1.3 niet in de APV voorkomen, maakt niet dat de “Beleidsnotitie Horeca- en evenementenplan gemeente Best” geen gelding heeft. Ter zitting is door verweerders toegelicht dat die verwijzing betrekking heeft op de voorheen geldende APV.

Noch in de “Beleidsnotitie Horeca- en evenementenplan gemeente Best”, noch in de Beleidsnotitie is de door verzoekster bedoelde beperking tot het grondgebied van de gemeente Best te vinden. Overigens wordt ook in het akoestisch rapport geen begrenzing aangebracht. Daarin wordt geen onderscheid gemaakt tussen gehinderden binnen en buiten de gemeente Best.

23. Aan de bij het bestreden besluit verleende ontheffing van het in artikel 5.33, eerste lid, van de APV, neergelegde verbod om een kampvuur te maken, zijn diverse voorschriften verbonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn hiermee afdoende waarborgen opgenomen ter bevordering van de brandveiligheid en ter voorkoming van de verspreiding van brand.

24. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster naar voren heeft gebracht onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat verweerders in redelijkheid niet tot verlening van de vergunningen en ontheffingen ten behoeve van het evenement hebben kunnen overgaan. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat haar bezwaar geen redelijke kans van slagen zal heeft, zodat er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening.

25. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. de Lange, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hooghuis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2017.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.