Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1095

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
08-03-2017
Datum publicatie
10-03-2017
Zaaknummer
C/01/309785 / HA ZA 16-435
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Contradictoir. Onrechtmatige daad van onderzoeksbureau jegens personeelslid van opdrachtgever? Uitbrengen van rapport zonder toepassing van hoor en wederhoor, schending van de beloofde vertrouwelijkheid en bespreken van de bevindingen en conclusies uit het rapport met de overige personeelsleden alvorens het betreffende personeelslid een redelijke termijn had gekregen om te reageren. Verwijzing naar de schadestaatprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/1263
NJF 2017/193
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

zaaknummer / rolnummer: C/01/309785 / HA ZA 16-435

Vonnis van 8 maart 2017

in de zaak van

[eiser 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. P.R.M. Berends-Schellens te 's-Gravenhage,

tegen

STICHTING KPC ONDERWIJS INNOVATIE CENTRUM,

gevestigd te 's-Hertogenbosch,

gedaagde,

advocaat mr. E.H.J. Slager te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser 1] en KPC genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 5 oktober 2016

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 26 januari 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser 1] is thans 61 jaar oud en was vanaf 1 augustus 2002 werkzaam als docent Frans bij Stichting Marnix College (hierna: het College). [eiser 1] was laatstelijk werkzaam binnen team TG234 en was voor onbepaalde tijd in dienst. De met hem gehouden functioneringsgesprekken en beoordelingen waren positief van aard. Dit dienstverband is met ingang van 1 april 2015 beëindigd.

2.2.

KPC exploiteert een onderwijsadviesbureau dat gespecialiseerd is in vraagstukken van onderwijskwaliteit, organisatieontwikkeling, professionalisering, leiderschap en het (her)ontwerpen en implementeren van leeromgevingen.

2.3.

Eind juli 2014 heeft het College van Bestuur van het College (hierna: het CvB) KPC opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de aard en de oorzaak van onvrede binnen het team TG234.

2.4.

Dit onderzoek is feitelijk uitgevoerd in de periode juli – oktober 2014.

Tijdens het onderzoek hebben de onderzoekers overleg gehad met het CvB over de omstandigheid dat de onderzoekers was gebleken dat een zevental te interviewen personen voorafgaand aan de met hen af te nemen interviews vooroverleg hebben gehad bij één van hen thuis.

2.5.

Op 4 november 2014 is het onderzoeksrapport (hierna het rapport) door KPC aan het schoolbestuur gepresenteerd.

2.6.

In het rapport staat in alinea 2.3. met betrekking tot de opzet van het onderzoek het volgende:

“Het onderzoek bestond uit de afname van 25 anonieme en vertrouwelijke interviews met alle teamleden van team TG234, twee afdelingsleiders, vijf docenten uit andere teams, drie PMR leden en de beide leden van het CvB/de directie (…).

(…)

In de interviews stonden drie vragen centraal.

Wat is er aan de hand?

Hoe komt dat?

Wat zou er aan gedaan moeten worden?

De interviews zijn afgenomen door twee senior onderzoekers. Van elk interview is een verslag gemaakt door één van de onderzoekers. Ook de respondenten hebben direct na afloop van het interview een (kort) individueel verslag gemaakt in een separate ruimte.”

2.7.

In het rapport wordt in de inleiding van het hoofdstuk 3 “Analyse van de gesprekken” melding gemaakt van het hiervoor genoemde tussentijdse overleg met het CvB:

“Tijdens de interviewdagen werd de onderzoekers duidelijk dat een zevental teamleden uit het team TG234, in een informele bijeenkomst bij één van de teamleden thuis, de individuele gespreken gezamenlijk heeft voorbereid (zie bijlage IV voor de lijst met deelnemers). De onderzoekers hebben deze bevinding voorafgaand aan de analyse gemeld aan de opdrachtgever. In overleg tussen de onderzoekers en de opdrachtgever is besloten om de betrokken zeven teamleden uit te nodigen voor een verhelderend gesprek met als doel te achterhalen welke motieven hebben geleid tot deze keuze. De opdrachtgever was door de onderzoekers op de hoogte gesteld van de namen van deze zeven teamleden.

Alle zeven teamleden hebben per e-mail aangegeven dat ze de interventie ervoeren als een schending van de vertrouwelijkheid tussen onderzoekers en respondenten. De onderzoekers werd met name verweten dat zij aan het CvB/de directie de namen hebben gegeven van de teamleden die deel hebben genomen aan het voorbereidende gesprek. De meeste van deze teamleden wensten op grond van dit verwijt niet deel te nemen aan het gesprek.

Ook bij een tweede poging waarin de teamleden zijn uitgenodigd om met de onderzoekers in gesprek te gaan, is door iedereen, op één na, niet ingegaan.”

2.8.

Ten aanzien van de analyse is in alinea 3.2. “Werkwijze analyse” in het rapport – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:

“(…)

De onderzoekers hebben bij de analyse enkel gebruik gemaakt van de gespreksverslagen van henzelf en die van de respondenten. Er heeft geen verificatie achteraf plaatsgevonden.

In de analyse fase zijn de volgende stappen gezet:

In eerste instantie zijn deze twee verslagen per respondent bij elkaar gevoegd en de dubbelingen eruit gehaald.

Vervolgens zijn alle opmerkingen ondergebracht in zes categorieën (…).

Tijdens deze exercitie viel de onderzoekers een aantal patronen op.

De antwoorden van de respondenten die deel hebben genomen aan het voorbereidingsgesprek kwamen in erg sterke mate met elkaar overeen.

Dat geldt ook voor de antwoorden van de overige respondenten, op een enkeling na. De verschillen die er waren hadden voornamelijk betrekking op de intensiteit van de beleving. Inhoudelijk weken de antwoorden niet sterk van elkaar af.

De antwoorden van de respondenten uit de groep van het voorbereidingsgesprek weken in sterke mate af van de antwoorden van de overige respondenten.

4. Daarna zijn alle, voor de desbetreffende categorie, relevante opmerkingen samengevoegd in een mindmap. Hierin is tevens aangetekend hoe vaak opmerkingen van gelijke strekking zijn gemaakt.

Per mindmap zijn de data van de respondenten ondergebracht in drie groepen:

Groep 1 de leden van team TG234 (minus de leden van groep 2)

Groep 2 de leden van team TG234 die deel hebben genomen aan het eerder genoemde voorbereidende gesprek

Groep 3 de overige respondenten”

2.9.

Uit het rapport blijkt voorts dat er bij de analyse van de gegevens voor is gekozen om de antwoorden van de hiervoor genoemde groepen 1 en 3 bij elkaar te voegen en de antwoorden van groep 2 en van het CvB / de directie separaat te beschrijven. Vervolgens is in alinea 3.4 “Analyse cluster 1 – Team TG234” een drietal namen expliciet genoemd, te weten die van [eiser 1] ( [voornaam eiser] ) en van twee collega’s die in dit vonnis aangeduid worden als collega 1 en collega 2.

2.10.

In het rapport zijn in hoofdstuk 6 aanbevelingen gedaan. In alinea 6.1. “Aanbevelingen cluster 1 Team TG234” is – voor zover thans van belang – het volgende opgenomen:

“Om de cultuur van onveiligheid en angst binnen team TG234 om te buigen naar een professionele samenwerkingscultuur hebben we twee aanbevelingen die opeenvolgend uitgevoerd moeten worden.

1. De eerste aanbeveling heeft betrekking op stappen in de richting van de drie docenten [voornaam eiser] , [naam collega 1] en [naam collega 2 ]. Zij zijn door vrijwel iedereen buiten groep 2 aangewezen als dé collega’s die een groot aandeel hebben in de negatieve sfeer en in de stagnatie van de realisatie van de teamdoelstellingen.

Onze aanbeveling is om een beweging in gang te zetten waarin afscheid genomen wordt van deze teamleden. Indien dat niet mogelijk is dan adviseren we in ieder geval om hen niet meer bij elkaar in te delen in hetzelfde team.”

2.11.

[eiser 1] was, evenals collega 1 en collega 2 door het CvB uitgenodigd voor een gesprek dat op 11 november 2014, ongeveer een half uur voor de hierna nog te noemen voorlichtingsbijeenkomst, zou plaatsvinden. [eiser 1] was vanwege een op die dag te ondergaan medisch onderzoek verhinderd, collega 1 is niet ingegaan op de uitnodiging omdat zij niet voorafgaand aan dat gesprek een afschrift van het rapport zou krijgen en collega 2 was wel aanwezig. Deze collega 2 is, in een gesprek van circa 15 minuten, op de hoogte gesteld van de conclusies en aanbevelingen van het rapport en haar is medegedeeld dat zij vanaf 17.00 uur die middag niet meer op school zou mogen komen.

2.12.

Op 11 november 2014 heeft de hiervoor genoemde voorlichtingsbijeenkomst plaatsgevonden voor de bij het onderzoek betrokken medewerkers. Daarbij waren, naast bij het onderzoek betrokken medewerkers, ook collega 2, de directie van het College en de beide opstellers van het rapport van KPC aanwezig. De bijeenkomst werd gepresenteerd door één van de opstellers van het rapport. Door één van de opstellers van het rapport zijn ten overstaan van de aanwezige medewerkers de namen van [eiser 1] , collega 1 en collega 2 op het smartboard geschreven, is besproken welke conclusies ten aanzien van deze drie medewerkers zijn getrokken en is medegedeeld dat de aanbeveling luidt dat afscheid van deze drie genomen moet worden of, als dat onmogelijk blijkt te zijn, zij moeten worden overgeplaatst in een ander team en in ieder geval in verschillende teams.

2.13.

Na afloop van de voorlichtingsbijeenkomst heeft collega 2 aan [eiser 1] verteld dat hen ontslag was aangezegd. Op 11 november 2014 rond 18.28 uur heeft de directie van het College alle medewerkers van de school per e-mail op de hoogte gesteld van het onderzoek en van de omstandigheid dat het CvB / de directie heeft besloten met een drietal collega’s een traject in te gaan dat vergaande arbeidsrechtelijke gevolgen kan hebben.

Op 12 november 2014 ontving [eiser 1] een brief, gedateerd op 11 november 2014, van het CvB waarin stond dat betreurd werd dat hij niet was ingegaan op de uitnodiging voor de voorbespreking en dat hij werd uitgenodigd voor een gesprek op 13 november 2014. Het CvB deelde mede dat de school zou worden bijgestaan door een advocaat en adviseerde [eiser 1] zichzelf ook juridisch te laten bijstaan. [eiser 1] is niet op die uitnodiging ingegaan.

2.14.

Bij brief van 3 december 2014 is [eiser 1] de toegang ontzegd tot de school en is hem aangekondigd dat het dienstverband zal worden beëindigd. Op 29 december 2014 heeft [eiser 1] zijn zienswijze ingediend, waarna op 30 december 2014 een ontslagbesluit volgde. Ingevolge dit ontslagbesluit zou het ontslag op 1 april 2015 ingaan.

[eiser 1] is op 5 februari 2015 in beroep gegaan bij de Commissie van Beroep voor het voortgezet onderwijs.

2.15.

Op 1 april 2015 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank uitspraak gedaan in een kort geding dat door collega 1 aanhangig gemaakt was tegen KPC. De voorzieningenrechter heeft KPC, kort gezegd, veroordeeld binnen 24 uur na betekening van het vonnis het College schriftelijk per aangetekende brief mede te delen dat het door of namens KPC opgestelde rapport van 11 november 2014 wordt ingetrokken.

KPC is vervolgens overgegaan tot intrekking van het rapport.

2.16.

Het College heeft, ondanks de intrekking van het rapport door KPC, het aan [eiser 1] gegeven ontslag gehandhaafd.

2.17.

Op 25 juni 2015 heeft [eiser 1] met het College een minnelijke regeling getroffen, welke er op neer komt dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2015 gehandhaafd blijft en dat aan [eiser 1] een ontslagvergoeding van € 95.000,00 bruto zal worden betaald. Het bij de Commissie van Beroep ingediende beroep is vervolgens ingetrokken.

2.18.

Bij brief van 1 februari 2016 heeft [eiser 1] KPC aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van het rapport en de presentatie daarvan. Bij brief van 12 februari 2016 heeft KPC aansprakelijkheid afgewezen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser 1] vordert samengevat - veroordeling van KPC, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser 1] , nader op te maken bij staat, inclusief buitengerechtelijke kosten en rente;

  2. tot betaling van de proceskosten.

3.2.

KPC voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is, kort gezegd, in geschil of KPC jegens [eiser 1] schadeplichtig heeft gehandeld en of KPC gehouden is de eventuele door [eiser 1] geleden schade te vergoeden.

4.2.

[eiser 1] legt aan zijn vordering ten grondslag dat KPC zich tegenover hem onrechtmatig heeft gedragen, meer in het bijzonder dat sprake is van een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

[eiser 1] stelt zich op het standpunt dat het door KPC uitgebrachte rapport onzorgvuldig en onrechtmatig is nu daarin geen concrete feiten en voorbeelden zijn opgenomen, een onderbouwing voor de keuze om de groep waarbij [eiser 1] was ingedeeld aan te wijzen als daders ontbreekt, niet duidelijk blijkt welke rol aan [eiser 1] moet worden toegekend en geen minder vergaande maatregel dan ontslag is gesuggereerd. KPC is, zo stelt [eiser 1] , voorbij gegaan aan elementaire regels voor het opstellen van rapportages. [eiser 1] heeft zich, nu een feitelijke onderbouwing ontbrak, niet kunnen verdedigen en is daarvoor ook niet in de gelegenheid gesteld. Voorts heeft KPC primair het ontslag van onder meer [eiser 1] aanbevolen, hetgeen in strijd is met de arbeidsrechtelijke normen, waar geldt dat beëindiging van het dienstverband niet het eerste aan te grijpen middel is, maar een ultimum remedium. KPC beschikt niet over arbeidsrechtelijke kennis en heeft toch een dergelijk advies gegeven. Bovendien is direct na het uitbrengen van voormeld ondeugdelijk rapport en alvorens [eiser 1] in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren, het rapport ten overstaan van collega’s gepresenteerd, waarbij onder mee de naam van [eiser 1] op een whiteboard is geschreven als één van de medewerkers waarvan het dienstverband zou worden beëindigd.

[eiser 1] stelt zich voorts op het standpunt dat er sprake is van toerekenbaarheid van de onrechtmatige gedraging aan KPC, dat de onrechtmatige gedraging ook onrechtmatig is jegens [eiser 1] , dat [eiser 1] schade geleden heeft en dat er sprake is van causaal verband tussen de onrechtmatige daad en de door [eiser 1] geleden schade.

4.3.

KPC voert verweer. Zij betwist dat zij onrechtmatig jegens [eiser 1] gehandeld heeft. KPC heeft het College slechts aanbevelingen gedaan in opdracht van het College, waarbij het vervolgens aan het College was om met deze aanbevelingen te doen wat zij wilde. Behalve de optie ontslag is door KPC ook de optie van het plaatsen in een ander team gegeven. KPC wijst er op dat, naar aanleiding van het door een collega van [eiser 1] aanhangig gemaakt kort geding, het rapport op 1 april 2015 is ingetrokken. De keten van gebeurtenissen daarna is niet gerelateerd aan het rapport. KPC bevestigt dat het rapport inderdaad is gepresenteerd aan het hele team, hetgeen vanzelfsprekend was aangezien het hele team betrokken is geweest bij het onderzoek, aldus KPC. KPC heeft bovendien in opdracht gehandeld van het College en namens het College de presentatie gegeven.

KPC weerspreekt dat er sprake is geweest van schending van een norm die strekt tot bescherming tegen de schade zoals [eiser 1] die stelt te hebben geleden. Enkel tegenover het College als opdrachtgeefster had KPC de plicht zorgvuldig te werk te gaan. Bovendien ontbreekt causaal verband tussen de gestelde onrechtmatig gedraging en de schade die [eiser 1] stelt te leiden. Dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd, is niet het gevolg van een verstoring van de arbeidsverhoudingen ten gevolge van het uitbrengen van het rapport, maar het gevolg van het feit dat de meeste respondenten in het door KPC uitgevoerde onderzoek onder meer [eiser 1] hebben aangewezen als medeveroorzaker van de problemen. Bovendien was er reeds sprake van een vertrouwensbreuk tussen het CvB en het College. Wat de schade betreft wijst KPC er op dat [eiser 1] in het kader van de met het College gesloten beëindigingovereenkomst een bedrag van € 95.000,00 heeft ontvangen, daarnaast nog looninkomsten heeft vergaard en nog aanvullend beroep op de WW kan doen. Eventuele schade is dan ook verdisconteerd in deze beëindigingovereenkomst. [eiser 1] heeft zijn schade voorts onvoldoende onderbouwd. De door [eiser 1] genoemde schadeposten worden weersproken. Verwijzing naar de schadestaat procedure dient te worden afgewezen nu [eiser 1] niet inzichtelijk heeft gemaakt om welke reden hij thans geen schadebedrag kan noemen. Verwijzing leidt tot vertraging van het geding op onredelijke wijze en is in strijd met een goede procesorde.

4.4.

De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het College de opdrachtgeefster was van KPC en dat de aan KPC gegeven opdracht inhield dat zij een onderzoek diende in te stellen naar de aard en de oorzaak van onvrede binnen het team TG234. KPC diende daarbij, binnen de marges van de gesloten overeenkomst, jegens het College op te treden overeenkomstig hetgeen van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot bij het uitbrengen van advies mag worden verwacht.

4.5.

Hoe KPC zich jegens derden, zijnde niet-opdrachtgevers, diende te gedragen is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. De rechtbank acht daarbij van belang dat in het onderhavige geval het onderzoek zich richtte op problemen binnen team TG234 van het College, dat medewerkers binnen en buiten dat team in het kader van dat onderzoek geïnterviewd zijn, dat conclusie zijn getrokken aan de hand van die interviews en dat aanbevelingen zijn gedaan die zich onder meer richtten op [eiser 1] . KPC had zich derhalve kunnen en moeten realiseren dat haar bevindingen en conclusies ook voor derden, in dit geval [eiser 1] , vergaande (arbeidsrechtelijke) gevolgen zouden kunnen hebben. Als KPC zich bij de totstandkoming van het rapport en bij de presentatie daarvan niet heeft gedragen zoals redelijkerwijs van haar verwacht had mogen worden, dan heeft zij onrechtmatig gehandeld jegens [eiser 1] .

4.6.

De rechtbank is van oordeel dat KPC zich bij de totstandkoming van het rapport en bij de presentatie daarvan niet heeft gedragen zoals redelijkerwijs van haar verwacht had mogen worden en overweegt daartoe als volgt.

4.7.

De rechtbank acht het allereerst onzorgvuldig jegens [eiser 1] dat KPC enerzijds kenbaar heeft gemaakt dat interviews anoniem afgenomen zullen worden en anderzijds toch informatie die haar ter kennis is gekomen tijdens de interviews (in dit geval informatie over het gevoerde vooroverleg, waar ook [eiser 1] aan heeft deelgenomen) heeft gedeeld met de directie / het CvB van het College en daarbij de personen die betrokken waren bij dit vooroverleg met naam heeft genoemd.

Voorts acht de rechtbank het onzorgvuldig jegens [eiser 1] dat in het rapport wel staat dat [eiser 1] en twee collega’s, die alle drie met naam en toenaam worden genoemd, door vrijwel iedereen buiten groep 2 zijn aangewezen als degenen die een groot aandeel hebben in de negatieve sfeer, maar dat op geen enkele wijze wordt onderbouwd om welke reden [eiser 1] en deze twee collega’s worden aangewezen. Gelet op de voormelde anonimiteit (in tegenstelling tot [eiser 1] en de twee collega’s worden de andere deelnemers aan het onderzoek niet bij naam genoemd) en gelet op het ontbreken van concrete voorbeelden was het voor [eiser 1] onmogelijk om zich op zinvolle wijze te verweren tegen de aantijgingen.

[eiser 1] is bovendien niet in de gelegenheid gesteld, alvorens het rapport aan de directie/het CvB werd gepresenteerd, te reageren op de jegens hem getrokken conclusie.

De rechtbank acht het voorts onzorgvuldig jegens [eiser 1] dat KPC als primaire aanbeveling het College het advies heeft gegeven “om een beweging in gang te zetten waarin afscheid genomen wordt van deze teamleden”. Dit advies kan, mede in het licht van wat tijdens de hierna nog te bespreken presentatie is gezegd, niet anders worden opgevat dan als een advies om het dienstverband met [eiser 1] te beëindigen. Uitgangspunt in een situatie waarin binnen een werkomgeving problemen worden geconstateerd, is dat allereerst een verbetertraject dient te worden gevolgd, al dan niet gevolgd door, of in combinatie met, een overplaatsing binnen de organisatie. Eerst wanneer een dergelijk traject niet tot een oplossing blijkt te leiden, bestaat wellicht aanleiding om het dienstverband te beëindigen. Op welke gronden KPC direct al, als primaire oplossing, heeft aanbevolen het dienstverband met [eiser 1] te beëindigen volgt op geen enkele wijze uit de rapportage. Dit klemt temeer nu, zo is tussen partijen niet in geschil, in de periode vóór het uitbrengen van het rapport met [eiser 1] functioneringsgesprekken zijn gehouden welke positief waren.

KPC heeft het weliswaar ook over overplaatsing gehad, maar slechts voor het geval ontslag niet mogelijk zou blijken te zijn.

Voor zover KPC heeft willen aanvoeren dat zij geen arbeidsrechtelijke kennis heeft en haar dit advies niet valt toe te rekenen, overweegt de rechtbank dat KPC zich in een dergelijk geval had dienen te beperken tot het constateren van problemen en de oorzaak daarvan en dat zij zich had dienen te onthouden van het geven van arbeidsrechtelijk gerelateerde adviezen. KPC had zich dienen te realiseren dat haar opdrachtgeefster die adviezen serieus zou nemen en waarschijnlijk zou opvolgen.

Het voorgaande klemt des te meer nu KPC tijdens de presentatie op 11 november 2014 [eiser 1] heeft genoemd als één van de verantwoordelijken van de geconstateerde problemen en daar als aanbeveling aan heeft toegevoegd dat afscheid van onder meer [eiser 1] genomen moet worden. De rechtbank acht dit buitengewoon onzorgvuldig jegens [eiser 1] gelet op de hiervoor vermelde omstandigheden (het ontbreken van een concrete onderbouwing van de verwijten, het achterwege laten van hoor en wederhoor en het direct uiten van aanbevelingen tot het beëindigen van het dienstverband). KPC had zich dienen te realiseren dat de omstandigheid dat [eiser 1] en zijn twee collega’s genoemd werden als veroorzakers van de geconstateerde problemen, tijdens de presentatie voor een beperkt deel van de medewerkers van het College, in korte tijd bekend zou worden bij alle medewerkers van het College. Aangenomen kan worden dat dit bekendmaken en benoemen een oplossing waarbij het dienstverband in stand zou kunnen blijven ernstig heeft bemoeilijkt.

De rechtbank acht de gegeven presentatie voorts onzorgvuldig jegens [eiser 1] omdat hij op het moment van het houden van de presentatie niet op de hoogte was van de inhoud van het rapport, hem geen redelijke periode was gegeven om kennis te nemen van het rapport en hij daar ook nog niet op had kunnen reageren.

KPC heeft gelijk waar zij stelt dat de directie/het CvB van de school in deze de eindverantwoordelijkheid had voor het houden van deze presentatie, maar dat ontslaat KPC niet van haar eigen verantwoordelijkheid. Dat KPC gepoogd heeft de directie/het CvB te weerhouden van het laten geven van de presentatie volgt op geen enkele wijze uit de stellingen van KPC. Integendeel, KPC heeft ter zitting verklaard dat zij haar verantwoordelijkheid neemt voor de wijze waarop het rapport is gepresenteerd. Het was bovendien KPC die de betreffende presentatie heeft verzorgd.

4.8.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat KPC zich onzorgvuldig en onrechtmatig heeft gedragen jegens [eiser 1] en dat deze onrechtmatige gedragingen, nu KPC een professioneel onderzoeksbureau is, haar kunnen worden toegerekend.

4.9.

De volgende vraag die dient te worden beantwoord is of er sprake is van causaal verband tussen de vastgestelde onrechtmatig gedragingen en de eventueel door [eiser 1] geleden schade. Met andere woorden: zou de schade ook zijn opgetreden indien de onrechtmatige gedraging achterwege zou zijn gebleven.

4.10.

De schadecomponenten die [eiser 1] noemt, vooruitlopend op een eventuele schadestaatprocedure, betreffen financiële schade ten gevolge van het ontslag, kosten in verband met ziekte ten gevolge van het onderzoek en de gevolgen daarvan, imago- en psychische schade en de financiële gevolgen daarvan en advocaatkosten.

4.11.

De rechtbank is van oordeel dat KPC het voor [eiser 1] vrijwel onmogelijk heeft gemaakt om zich tegen het ontslag te verweren. Strikt juridisch gezien zou dit, gelet op de zeer beperkte onderbouwing van het rapport, de positieve aard van de met [eiser 1] gehouden functioneringsgesprekken en beoordelingen en gelet op het ontbreken van een verbetertraject, zeker wel mogelijk zijn geweest. De rechtbank acht het echter zeer aannemelijk dat [eiser 1] , zoals hij ook heeft verklaard, daar uiteindelijk niet toe in staat was nu hij tijdens de informatiebijeenkomst op 11 november 2014 door KPC is genoemd als één van degenen die ontslagen zouden moeten worden. Deze openbaarmaking van de bevindingen van het onzorgvuldig tot stand gekomen rapport hebben er toe geleid dat [eiser 1] (en zijn twee collega’s) bij alle collega’s bekend zijn komen te staan als de veroorzakers van de genoemde onrust. Niet goed valt in te zien dat een terugkeer naar de school en het hervatten van de werkzaamheden en de samenwerking met de overige collega’s van de school nog een reële mogelijkheid was en dat dit van [eiser 1] verwacht kon worden. Daarbij acht de rechtbank nog van belang dat ook de kinderen van [eiser 1] op dezelfde school les kregen en dat [eiser 1] ook met hun belangen rekening heeft moeten houden. Financiële schade ten gevolge van het ontslag staat dan ook in causaal verband tot de onrechtmatige openbaarmaking.

Voorts acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat [eiser 1] door voormelde gedetailleerde openbaarmaking (die achterwege had kunnen blijven indien de tijd was genomen om afspraken over een verbetertraject te maken of een andere oplossing na te streven) lichamelijke en/of psychische schade heeft opgelopen. De daaruit voortvloeiende schade (materieel of immaterieel) staat eveneens in causaal verband tot de onrechtmatige openbaarmaking.

4.12.

De rechtbank acht causaal verband aanwezig tussen het schenden van de toegezegde vertrouwelijkheid (door tussentijds met de directie overleg te hebben over het door een aantal geïnterviewden gehouden vooroverleg), het zonder onderbouwing aanwijzen van [eiser 1] als één van degenen die een groot aandeel hebben in de negatieve sfeer en het adviseren om het dienstverband te beëindigen enerzijds en de door [eiser 1] geleden financiële schade ten gevolge van het ontslag anderzijds.

Hoewel het de directie / het CvB is geweest die de beslissing heeft genomen om een procedure te starten die tot beëindiging van de arbeidsrelatie zou moeten leiden, acht de rechtbank het aannemelijk dat door voormelde omstandigheden de houding van de directie ten opzichte van [eiser 1] en zijn twee collega’s in negatieve zin is beïnvloed.

4.13.

De omstandigheid dat het rapport, naar aanleiding van het kort geding vonnis, door KPC is ingetrokken leidt niet tot een ander oordeel, nu het bekend worden van het rapport en de inhoud daarvan door die intrekking niet ongedaan is gemaakt.

4.14.

Uit het voorgaande volgt dat KPC zich jegens [eiser 1] onrechtmatig heeft gedragen, dat deze gedraging aan KPC kan worden toegerekend en dat er causaal verband is tussen de onrechtmatige gedraging en door [eiser 1] geleden schade.

4.15.

KPC is dan ook gehouden de door [eiser 1] geleden schade aan hem te vergoeden, voor zover daarbij aan de nadere causaliteitseis van artikel 6:98 BW wordt voldaan.

Daarbij zal rekening gehouden moeten worden dat [eiser 1] reeds een bedrag van € 95.000,00 bruto als ontslagvergoeding in het kader van de minnelijke regeling heeft ontvangen.

4.16.

[eiser 1] vordert schadevergoeding, nader op te maken bij staat.

Anders dan KPC acht de rechtbank het wel aannemelijk dat [eiser 1] schade heeft geleden ten gevolge van de onrechtmatige gedraging van KPC. KPC wijst er voorts op dat niet valt in te zien waarom [eiser 1] geen concreet schadebedrag in de onderhavige procedure kan vorderen. De rechtbank overweegt dat voor een deel van de door [eiser 1] genoemde schadecomponenten (het verlies van inkomen en pensioenschade) heeft te gelden dat deze zich ook nog in de toekomst kunnen voordoen. De rechtbank acht het niet in strijd met een goede procesorde dat [eiser 1] verwijzing naar de schadestaatprocedure vordert.

4.17.

De rechtbank zal KPC veroordelen tot vergoeding aan [eiser 1] van de schade die door [eiser 1] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van het uitbrengen van het rapport aan het College en van het presenteren van dat rapport op 11 november 2014, nader op te maken bij staat. Of daarbij ook buitengerechtelijke kosten en rente worden betrokken, zal in de schadestaatprocedure worden bezien. Voor zover [eiser 1] bedoeld heeft deze kosten reeds nu te vorderen zal deze vordering worden afgewezen.

4.18.

KPC zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 1] worden begroot op:

- dagvaarding € 80,40

- overige explootkosten 0,00

- griffierecht 288,00

- getuigenkosten 0,00

- deskundigen 0,00

- overige kosten 0,00

- salaris advocaat 904,00 (2,0 punten × tarief € 452,00)

Totaal € 1.272,40

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt KPC tot vergoeding aan [eiser 1] van de schade die door [eiser 1] is geleden en eventueel nog zal worden geleden als gevolg van het uitbrengen van het rapport aan het College en van het presenteren van dat rapport op 11 november 2014, nader op te maken bij staat,

5.2.

veroordeelt KPC in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 1] , tot op heden begroot op € 1.272,40,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W.A. Stegeman-Kragting en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.