Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1036

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
03-03-2017
Datum publicatie
03-03-2017
Zaaknummer
01/865054-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft een oudere vrouw in haar woning overvallen waarbij bruut geweld is gebruikt. Daarnaast wordt verdachte veroordeeld voor het bezit van een vuurwapen, twee diefstallen en de belediging van een politieagent.

Ondanks het feit dat verdachte als weigerende observandus wordt aangemerkt, concludeert de rechtbank dat de bewezen verklaarde feiten in verminderde mate aan verdachte kunnen worden toegelaten en dat oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging noodzakelijk is. Naast de maatregel van terbeschikkingstellling wordt verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2017-0252
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummers: 01/865054-16, 01/ 088161-16 en 01/820267-16 (ter terechtzitting gevoegd)

Datum uitspraak: 03 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te Curaçao op [geboortedatum] 1990,

thans gedetineerd te: P.I. HvB Grave (Unit A + B).

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 30 augustus 2016, 22 november 2016 en 17 februari 2017.

Op 30 augustus 2016 heeft de rechtbank de tegen verdachte, onder de hiervoor genoemde parketnummers, aanhangig gemaakte zaken gevoegd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaardingen van 2 augustus 2016.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 februari 2017 is gewijzigd is aan verdachte onder parketnummer 01/865054-16 ten laste gelegd dat:

1. hij

op of omstreeks 28 mei 2016 te 's-Hertogenbosch,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (in/uit een woning gelegen aan het [adresgegevens 1] )

heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 450 euro) en/of een mobiele telefoon en/of een hoeveelheid sleutels en/of diverse sieraden (o.a. zilveren armband en/of horloge), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming,

welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte:

- die [slachtoffer 1] op het hoofd heeft geslagen en/of

- zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt (gehouden) en/of (daarbij)

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "stil zijn, ik wil alleen geld en bankpassen" en/of

- bij die [slachtoffer 1] een prop (van kleding) in haar mond heeft gestopt en/of

- de armen van die [slachtoffer 1] op haar rug heeft vastgebonden en/of

- die [slachtoffer 1] aan haar haren (door de woning) heeft meegetrokken/meegesleurd en/of (vervolgens/daarbij)

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "ik moet geld hebben, anders vermoord ik je" en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] op bed heeft geduwd en/of

- de enkels van die [slachtoffer 1] aan elkaar heeft vastgebonden en/of

- een riem om de nek van die [slachtoffer 1] heeft gedaan en/of deze riem (vervolgens) (met kracht) heeft aangetrokken;

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 17 februari 2017 is gewijzigd, is aan verdachte onder parketnummer 01/088161-16 ten laste gelegd dat:

1.

hij, op of omstreeks 23 april 2016 te Eindhoven,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening in/uit de woning [adresgegevens 2] heeft

weggenomen:

  • -

    een Sony playstation en/of

  • -

    een Wii spelcomputer en/of

  • -

    I Phone oortjes en/of

  • -

    een horloge en/of

  • -

    geld en/of

  • -

    geheugenkaartjes en/of

  • -

    bandjes van videocamera’s en/of

  • -

    meerdere camera’s,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan

verdachte en/of zijn mededaders, waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen goed(eren) onder zijn/hun bereik hebben weggenomen door middel van braak, verbreking en/of inklimming en/of een valse sleutel;

2.

hij op of omstreeks 23 april 2016 te Eindhoven een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een bibi-gun/imitatiepistool, voorhanden heeft gehad;

Aan verdachte is onder parketnummer 01/820267-16 tenlastegelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 januari 2016 te Eindhoven

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen

een laptop en/of een sleutelbos en/of een personenauto (met [kentekennummer]

), in elk geval enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 6] , in elk geval aan een

ander of anderen dan aan verdachte;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 16 januari

2016 tot en met 23 februari 2016 te Eindhoven, althans in Nederland,

een goed te weten een personenauto (met [kentekennummer] ) heeft verworven,

voorhanden gehad, en/of overgedragen,

terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed

wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf

verkregen goed betrof;

2.

hij op of omstreeks 23 februari 2016 te Tilburg

opzettelijk

een ambtenaar, [verbalisant] , hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van

de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,

in zijn tegenwoordigheid,

mondeling

heeft beledigd,

door hem de woorden toe te voegen: "mafkees" en/of "kankerjood" en/of "vuile

kankerflikker", althans woorden van

gelijke beledigende aard en/of strekking;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaardingen geldig zijn. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs.

Ten aanzien van parketnummer 01/865054-16.

Inleiding. 1

Op 28 mei 2016 zag verdachte dat het slachtoffer na etenstijd haar woning gelegen aan het [adresgegevens 1] te ’s-Hertogenbosch verliet. Verdachte is toen via de schutting van voornoemde woning naar boven geklommen en vervolgens via een openstaand raam naar binnen geklommen.2 Het slachtoffer kwam omstreeks 19:30 uur terug in haar woning, verdachte hoorde dit en is toen boven op een kamer achter een deur blijven wachten. Omstreeks 20.15 uur liep het slachtoffer naar boven, kleedde zich uit op de overloop en liep naakt de kamer in waar verdachte zich schuil hield. Hij knevelde haar en pleegde de woningoverval.3, 4

Het standpunt van de officier van justitie.

Het ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

Verdachte ontkent niet dat hij de woning is ingeklommen, het slachtoffer heeft gekneveld en geld heeft gestolen, maar ontkent een deel van de geweldscomponenten, zoals geschetst door het slachtoffer.

Het oordeel van de rechtbank.

De woningoverval.

In haar aangifte heeft het slachtoffer het volgende verklaard over de woningoverval in haar woning.5

Toen zij naakt haar slaapkamer in liep, voelde ze dat ze een harde klap op haar achterhoofd kreeg. Er ontstond een worsteling tussen haar en de man die haar had vastgepakt (hierna: verdachte). Verdachte deed zijn hand voor haar mond en zei dat ze stil moest zijn en dat hij alleen geld en bankpassen wilde.

Vervolgens duwde verdachte een prop in de mond van het slachtoffer en bond haar armen kruiselings vast achter op haar rug met een riem. Verdachte zei dat hij geld moest hebben en dat hij haar anders zou vermoorden. Vervolgens trok verdachte het slachtoffer aan haar haren mee de trap af naar beneden. Hij deed de prop uit haar mond en zei dat ze zacht moest praten omdat hij haar anders zou vermoorden. Het slachtoffer liet aan verdachte zien waar haar tas stond. Verdachte pakte vervolgens geld uit haar portemonnee en deed de prop weer in haar mond. Daarna werd het slachtoffer door verdachte aan haar haren naar boven getrokken. Op de slaapkamer gekomen, duwde verdachte het slachtoffer op het bed en moest zij op haar buik gaan liggen. Vervolgens bond verdachte haar enkels vast met een kledingriem. Tevens

deed verdachte een kledingstuk om de nek van het slachtoffer en bond vervolgens een kledingriem om haar nek en trok deze stevig aan. Terwijl het slachtoffer op bed lag, is verdachte haar woning gaan doorzoeken. Tussendoor kwam verdachte naar het slachtoffer gelopen en zei dat zij hem voor de gek hield en dat er meer geld in huis moest zijn. Verdachte zei dat hij haar zou vermoorden als zij tegen hem loog en dat hij haar zou slaan.

Enkele dagen na de overval heeft het slachtoffer verklaard dat verdachte het volgende heeft weggenomen: een geldbedrag van ongeveer 450 euro, een zilveren armband, een mobiele telefoon, een horloge, sieraden en sleutels.6

In die zelfde verklaring beschrijft zij als volgt wat verdachte heeft gedaan met de riem om haar nek.

Hij haalde hij een legging uit de andere kamer en knoopte die om mijn nek. Daarover deed hij een riem en die trok hij aan. (…) Hij liep telkens weg en ging het hele huis door. (…) Elke keer kwam hij terug. Hij ging dan achter mij staan en trok aan de riem die om mijn nek zat. (…) Hij kwam 4 à 5 keer terug en trok dan aan de riem om mijn nek. De laatste keer dat hij dit deed was het ergste. Hij kwam toen geknield voor mij zitten op bed. Hij trok toen weer aan de riem, maar zo hard dat ik voelde dat mijn strottenhoofd naar achteren schoof. Toen dacht ik, dit gaat helemaal fout. Ik dacht het licht gaat uit. (…) De riem om de nek deed niet zo’n pijn, dat komt natuurlijk ook omdat die legging tussen de riem en mijn nek zat. Zo sneed de riem niet in mijn nek. Op het moment dat hij de riem aantrok, voelde ik dat mijn keel dicht zat. Ik kreeg geen lucht meer en kreeg het benauwd”.7

Het slachtoffer schat dat de overval ongeveer 30 tot 45 minuten heeft geduurd.8 Verdachte heeft verklaard dat het slachtoffer hem ongeveer een half uur heeft gezien.9 Nadat verdachte de woning had verlaten, hoorden buurtbewoners haar roepen om hulp. [getuige 1] is de woning van het slachtoffer binnengegaan en zag haar naakt op de grond zitten tegen de verwarming bij het raam. Het slachtoffer had een paar riemen om haar mond en haar nek zitten. [getuige 1] heeft een schaar gepakt en de handen van het slachtoffer losgeknipt. De riemen rond haar nek had [getuige 1] daarvoor al losgekregen. 10 [getuige 2] zag dat de buurvrouw ( [getuige 1] ) het slachtoffer losmaakte. De armen van het slachtoffer waren met riempjes op haar rug vastgebonden. De riem rond de nek van het slachtoffer was volgens [getuige 2] ook al losgemaakt door de buurvrouw. 11

Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster heeft overvallen en dat hij daarbij geweld heeft gebruikt.12 Hij heeft echter op onderdelen ontkend wat het slachtoffer heeft verklaard over het ten laste gelegde.

Volgens verdachte heeft hij alleen geld weggenomen. Het weggenomen geldbedrag was niet ongeveer 450 euro, maar iets minder dan 200 euro. Hij heeft sleutels uit de woning meegenomen, maar verder geen andere goederen.

Ook heeft verdachte ontkend dat hij het slachtoffer een klap op het hoofd heeft gegeven en haar bij de haren heeft gepakt toen zij met hem naar beneden en weer naar boven liep. Hij heeft ook niet gedreigd haar te vermoorden als ze niet zou meewerken. Ten slotte heeft verdachte ontkend dat hij een riem om haar nek heeft gedaan en deze heeft aangetrokken. De riemen om de nek die [getuige 1] bij het slachtoffer heeft aangetroffen, zijn volgens verdachte de riemen geweest die het slachtoffer om de mond had en die zijn afgezakt naar de nek toen verdachte de woning had verlaten.

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte op voornoemde onderdelen moet worden vrijgesproken. Het bewijs er voor is alleen gebaseerd op de aangifte. Bovendien valt niet uit te sluiten dat het slachtoffer door de schok van de gebeurtenissen zich niet meer in detail kan herinneren wat zich heeft afgespeeld. Ten aanzien van de riemen om de nek heeft de verdediging er nog op gewezen dat niet is gebleken van letsel aan de nek, terwijl de politie wel striemen op de polsen van het slachtoffer heeft vastgesteld.

De rechtbank ziet geen aanleiding de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer in twijfel te trekken. Haar verklaringen zijn op essentiële onderdelen eensluidend en gedetailleerd, ook ten aanzien van de onderdelen die verdachte heeft ontkend. Zij worden ook bevestigd door de bevindingen van de buurtbewoners bij het aantreffen van het slachtoffer na de overval. Over de riemen om de nek heeft het slachtoffer in detail verklaard. [getuige 1] heeft bovendien verklaard dat zij de riemen om de nek heeft losgemaakt. Dat niet is gebleken van aantoonbaar letsel aan de nek, kan worden verklaard uit het feit dat onder de riem een legging zat. Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat het wettelijk bewijsminimum niet is vereist voor elk afzonderlijk onderdeel van het ten laste gelegde.

De rechtbank concludeert dan ook tot verwerping van het verweer.

Gelet op de hiervoor aangevoerde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 01/865054-16 ten laste gelegde zoals verwoord onder ‘de bewezenverklaring’ heeft begaan.

Ten aanzien van parketnummer 01/088161-16.

Feit 1.

Het standpunt van de officier van justitie.

De ten laste gelegde eenvoudige diefstal is wettig en overtuigend te bewijzen. De officier van justitie verzoekt de rechtbank om wegens gebrek aan wettig bewijs verdachte vrij te spreken van het strafverzwarende bestanddeel braak, verbreking en/of inklimming.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank eveneens om verdachte vrij te spreken van de ten laste gelegde braak, verbreking en/of inklimming wegens gebrek aan wettig bewijs.

Het oordeel van de rechtbank. 13

Op grond van de aangifte van [slachtoffer 2] 14, de verklaring van [slachtoffer 4] 15 en de erkennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2016 16 heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder ‘de bewezenverklaring’ is verwoord wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het strafverzwarende bestanddeel dat ziet op de braak, verbreking en/of inklimming nu daar het wettig bewijs voor ontbreekt.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

Feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Op 23 april 2016 werd tijdens de insluitingsfouillering van verdachte een zwartkleurig veerdrukwapen aangetroffen in de broeksband van verdachte. 17 Het in beslag genomen voorwerp is een zwart kunststof pistool en vertoont de uiterlijke kenmerken van een Sig Sauer P227. Het gelijkt zodanig op een echt vuurwapen dat het daarmee geschikt is voor bedreiging of afdreiging van personen. Het voorwerp is een wapen in de zin van artikel 2, eerste lid, categorie I onder 7 van de Wet wapens en munitie. 18 Verdachte heeft tijdens zijn insluitingsfouillering zelf aangegeven dat hij het wapen bij zich droeg. 19

De rechtbank acht het onder parketnummer 01/088161-16 ten laste gelegde feit 2 zoals hierna onder ‘de bewezenverklaring’ is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van parketnummer 01/820267-16.

Feit 1 primair/subsidiair.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman bepleit integrale vrijspraak wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Het oordeel van de rechtbank. 20

[slachtoffer 6] (hierna: aangeefster) heeft verklaard dat zij op 16 januari 2016 omstreeks 02:00 uur in café Dr. Ink te Eindhoven met een Antilliaanse man was, die die zich [verdachte] noemde. Later zijn zij samen naar de woning van aangeefster gegaan.21

De rechtbank heeft ter zitting waargenomen dat op camerabeelden is te zien dat een man samen met een vrouw een café binnenkomt, dat ze daarna aan de bar van het café staan te praten en om 2:09 uur het café verlaten. Ook heeft de rechtbank waargenomen dat de man op de beelden een sterke gelijkenis vertoont met verdachte.22 Twee verbalisanten hebben de man op de beelden herkend als verdachte. Volgens hen is zijn roepnaam [verdachte] . 23

[verdachte] is volgens aangeefster tot ongeveer 04:00 uur in haar woning geweest. Zij heeft hem toen uitgelaten en de woning op slot gedaan. Toen zij de volgende ochtend om 08:00 uur wakker werd, zag zij dat haar personenauto, een BMW voorzien van [kentekennummer] , niet meer in haar garage stond. Voorts waren haar laptop, huissleutels, afstandsbediening van de garagedeur en autosleutel weggenomen. 24

Op 23 februari 2016 omstreeks 13:20 uur zagen verbalisanten een man rijden in een auto, merk BMW voorzien van [kentekennummer] , op de A58 richting Tilburg. Toen de man stopte, deed hij de auto op slot en werd hij aangehouden. Uit onderzoek bleek dat het verdachte betrof. 25

De rechtbank acht gelet op voornoemde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, het onder parketnummer 01/820267-16 onder feit 1 primair ten laste gelegde zoals hierna is verwoord onder ‘de bewezenverklaring’ wettig en overtuigend bewezen.

De overtuiging van de rechtbank dat verdachte de dader is van de diefstal wordt versterkt door het beroep van verdachte op zijn zwijgrecht. De hiervoor genoemde feiten en omstandigheden op zichzelf, maar zeker in samenhang bezien, wijzen zodanig sterk in de richting van verdachte dat deze in beginsel vragen om een redelijke verklaring van de zijde van verdachte. Verdachte heeft deze verklaring niet willen geven.

Feit 2.

Het standpunt van de officier van justitie.

Het ten laste gelegde is wettig en overtuigend te bewijzen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank.

Op grond van het proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] 26 en de erkennende verklaring die verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2016 27 heeft afgelegd, acht de rechtbank hetgeen hierna onder “de bewezenverklaring” is verwoord wettig en overtuigend bewezen.

Gelet op het bepaalde in artikel 359 derde lid van het Wetboek van Strafvordering zijn de hiervoor genoemde bewijsmiddelen niet uitgewerkt.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

in de zaak met parketnummer 01/865054-16

op 28 mei 2016 te 's-Hertogenbosch, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (uit een woning gelegen aan het [adresgegevens 1] ) heeft weggenomen een geldbedrag (ongeveer 450 euro) en een mobiele telefoon en sleutels en diverse sieraden (o.a. zilveren armband en horloge) toebehorende aan [slachtoffer 1] , waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van inklimming, welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij bezit van het gestolene te verzekeren,

welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte:

- die [slachtoffer 1] op het hoofd heeft geslagen en

- zijn, verdachtes, hand op de mond van die [slachtoffer 1] heeft gedrukt (gehouden) en (daarbij)

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Stil zijn, ik wil alleen geld en bankpassen" en

- bij die [slachtoffer 1] een prop (van kleding) in haar mond heeft gestopt en

- de armen van die [slachtoffer 1] op haar rug heeft vastgebonden en

- die [slachtoffer 1] aan haar haren (door de woning) heeft meegetrokken/meegesleurd en

(vervolgens/daarbij)

- die [slachtoffer 1] de woorden heeft toegevoegd: "Ik moet geld hebben, anders vermoord ik je"

en (vervolgens)

- die [slachtoffer 1] op bed heeft geduwd en

- de enkels van die [slachtoffer 1] aan elkaar heeft vastgebonden en

- een riem om de nek van die [slachtoffer 1] heeft gedaan en/of deze riem (vervolgens)(met kracht)

heeft aangetrokken;

in de zaak met parketnummer 01/088161-16

1.

op 23 april 2016 te Eindhoven, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk

van wederrechtelijke toe-eigening uit de woning [adresgegevens 2] heeft weggenomen:

  • -

    een Sony PlayStation en

  • -

    een Wii spelcomputer en

  • -

    iPhone oortjes en

  • -

    een horloge

  • -

    geld en

  • -

    geheugenkaartjes en

  • -

    bandjes van videocamera’s en

  • -

    meerdere camera’s,

toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] ;

2.

op 23 april 2016 te Eindhoven een wapen in de zin van artikel 2, lid 1 categorie 1 onder 7 van de Wet wapens en munitie, te weten een bibi-gun/imitatiepistool, voorhanden heeft gehad;

in de zaak met parketnummer 01/820267-16 dat:

1.

op 16 januari 2016 te Eindhoven met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening

heeft weggenomen een laptop en een sleutelbos en een personenauto (met [kentekennummer]

) toebehorende aan [slachtoffer 6] ;

2.

op 23 februari 2016 te Tilburg opzettelijk een ambtenaar, [verbalisant] , hoofdagent van politie, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening,

in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: "mafkees" en "kankerjood" en "vuile kankerflikker".

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van parketnummer 01/865054-16, feit 1 en 2 met parketnummer 01/088161-16 en feit 1 primair en 2 met parketnummer 01/820267-16:

primair: gevangenisstraf voor de duur van 7 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede terbeschikkingstelling met dwangverpleging;

subsidiair: gevangenisstraf voor de duur van 9 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman verzoekt de rechtbank om bij een bewezenverklaring te volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 5 tot 6 jaar.

Het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank staat allereerst voor de vraag of de door de officier van justitie gevorderde maatregel van terbeschikkingstelling (TBS) met dwangverpleging geboden is.

Verdachte heeft geweigerd zich te laten onderzoeken door een psycholoog en een psychiater in het kader van een Pro Justitia rapportage. Ook heeft hij geweigerd mee te werken aan onderzoek naar zijn geestvermogens tijdens zijn verblijf ter observatie in het Pieter Baan Centrum. Omdat hij een weigerende observandus is, vervalt op grond van artikel 37a, derde lid, juncto artikel 37, lid 3 Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de eis van een multidisciplinair onderzoek als bedoeld in artikel 37, lid 2 Sr.

Wel blijft op grond van artikel 37a, lid 1 Sr vereist dat de maatregel van TBS alleen kan worden opgelegd als bij verdachte tijdens het begaan van het delict sprake was van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Het is aan de rechter die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen.

In het arrest van het Gerechtshof Arnhem van 18 mei 2011 (ECLI:GHARN:2011:BQ4981), heeft het gerechtshof hierover het volgende overwogen.

De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen voor zover de wet hem daartoe ruimte geeft. De wet noch de jurisprudentie vereist dat de stoornis wordt geclassificeerd volgens het handboek DSM-IV en dat deze dient te worden vastgesteld door een gedragsdeskundige. Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een stoornis kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen. Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wel hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.”

De rechtbank onderschrijft dit uitgangspunt en neemt deze over.

Verdachte heeft voor het laatst in 2003 meegewerkt aan een onderzoek door een psycholoog en psychiater in het kader van een Pro Justitia rapportage. In het rapport van psycholoog drs. K.T.E. Zászlós van 10 november 2003 concludeert deze dat er bij betrokkene sprake is van een (ernstige) oppositioneel opstandige gedragsstoornis en een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Als gevolg van zijn gedragsstoornis is hij “veelal geneigd impulsief en onnadenkend te handelen, waarbij hij niet wordt gehinderd door een adequaat ontwikkeld geweten”, aldus de psycholoog. Psychiater drs. T.S. van der Veer diagnosticeert in zijn rapport van 18 november 2003 bij betrokkene eveneens een oppositioneel opstandige gedragsstoornis “bij persoonlijkheidspathologie in ontwikkeling met een narcistische en paranoïde kleuring, alsmede een antisociale tendens”.

In 2012 heeft de reclassering een advies opgesteld in het kader van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verdachte. In de rapportage van 19 september 2012 constateert de reclassering over verdachte onder meer het volgende.

Betrokkene (…) wekt niet de indruk aan de slachtoffers te denken. Hij lijkt de gevolgen van zijn delictgedrag vervelender voor zichzelf te vinden. Hij wist naar eigen zeggen geen andere manier te bedenken om aan financiële middelen te komen dan middels criminele activiteiten. (…) Gesteld kan worden dat er sprake is van een delictpatroon inzake vermogens- en geweldsdelicten. (…) Ondanks dat de gestelde diagnoses uit 2003 verouderd zijn, zijn er vermoedens dat deze mogelijk een rol hebben gespeeld bij het delictgedrag, aangezien er sindsdien geen sprake is geweest van gedragsverandering. (…) Zijn probleembesef is beperkt. Betrokkene dacht ten tijde van de delicten niet na over de consequenties voor hemzelf en die van zijn slachtoffers en stelde zijn eigen belang voorop, waarbij hij agressie niet schuwde. Betrokkene lijkt zich niets aan te trekken van de regels en wetten die gelden in de samenleving. Hij lapt het liefst alle regels en wetten aan zijn laars.

In het verleden zijn al meerdere interventies en behandelingen ingezet om de kans op recidive te verlagen. Tot op heden heeft dit niet tot resultaat geleid, mede door de houding van betrokkene.”

In de rapportage van het Pieter Baan Centrum (PBC) van 26 januari 2017 concludeert psycholoog N.P.A. van der Weegen het volgende.

Al met al komen er uit de levensloop van betrokkene, het dossier en de groepsobservatie aanwijzingen van een antisociale persoonlijkheidsstoornis naar voren. Daarnaast lijken er aanwijzingen te zijn voor het bestaan van narcistische en paranoïde persoonlijkheidstrekken.”

Psychiater D.I. Kuijpers concludeert dat “Er in het dossier aanwijzingen zijn te vinden voor het bestaan van cluster B persoonlijkheidsproblematiek. (…) Betrokkene’s huidige functioneren doet vermoeden dat zich inderdaad een transitie richting een persoonlijkheidsstoornis heeft voltrokken. Betrokkene disfunctioneert voor zover daar zicht op is op alle levensgebieden. (…) Betrokkene’s uitspraken bij reclassering, politie en justitie getuigen meermaals van antisociale opvattingen, zoals het zich genoodzaakt zien delicten te plegen om na detentie zijn leven op te kunnen bouwen.”

Voornoemde psycholoog en psychiater komen in een gezamenlijke forensische analyse tot de slotsom dat “Er in de beschikbare informatie aanwijzingen zijn te vinden voor het bestaan van cluster B problematiek, waarbij vooral gedacht wordt aan een scheefgroei van de persoonlijkheid in antisociale richting. Door de weigering van betrokkene is het niet gelukt deze hypothese eigenstandig te onderzoeken en te onderbouwen. Temeer omdat de dynamiek van de persoonlijkheid in interactie met andere facetten van zijn functioneren, zoals zijn middelengebruik, onduidelijk bleef. De beperkte gedragsobservaties op de afdeling wijzen niet overduidelijk in de richting van ernstige persoonlijkheidsproblematiek, al dringen vermoedens van antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken zich ook hier op. (…) Door gebrek aan eigen onderzoek kunnen wij derhalve niet onderbouwen – noch uitsluiten – dat verdachte lijdende is aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens. Wel kan worden opgemerkt dat sprake is van een langdurig patroon van onaangepast gedrag dat zowel voor betrokkene als voor de maatschappij voor problemen heeft gezorgd”.

Uit bovenstaande rapportages, het strafdossier en de proceshouding van verdachte concludeert de rechtbank het volgende.

In 2003 is vastgesteld dat er bij verdachte sprake was van een zich ontwikkelende persoonlijkheidsstoornis met antisociale kenmerken. Voor de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat deze persoonlijkheidsstoornis zich ten tijde van de bewezen verklaarde delicten heeft doorgezet. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de hierboven aangehaalde bevindingen van zowel de reclassering in 2012 als het PBC in 2016. Daaruit ontstaat het beeld van een verdachte die blijk geeft van een zeer beperkte gewetensontwikkeling, een gebrek aan empathie voor het slachtoffer van geweldsdelicten en een berekenende, puur op eigen (financieel) belang gericht handelen. Dat beeld wordt bevestigd door de wijze waarop verdachte de woningoverval heeft gepleegd. Hij schrok er niet voor terug meedogenloos gedurende zeker een half uur bruut geweld te gebruiken tegen een (aanvankelijk) naakte oudere vrouw, louter omdat hij geld nodig had. Ten tijde van dat delict had hij geen woning en geen werk of uitkering. Behandeling van de in 2003 geconstateerde gedragsstoornis is niet van de grond gekomen en verdachte heeft sinds 2003 een fors strafblad opgebouwd van vermogens- en geweldsdelicten.

Al met al is voor de rechtbank in voldoende mate komen vast te staan dat er bij verdachte ten tijde van de woningoverval sprake was van ziekelijke stoornis in de zin van artikel 37a Sr, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis, en dat de kans op geweldsrecidive die zich vanaf 2003 in diverse delicten en in het nu bewezen verklaarde feit heeft gemanifesteerd, onverminderd groot is indien verdachte onbehandeld blijft.

De rechtbank acht aannemelijk dat het feit mede onder invloed van die stoornis is gepleegd.

De rechtbank acht gelet daarop verdachte voor dit feit verminderd toerekeningsvatbaar.

Naar het oordeel van de rechtbank is het gezien de geconstateerde stoornis vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord dat verdachte onbehandeld terugkeert in de maatschappij. De door verdachte begane overval is een misdrijf dat een gevaar oplevert voor of een krenking is van de lichamelijke integriteit van een of meer personen en waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. De rechtbank zal daarom de terbeschikkingstelling gelasten met een bevel tot verpleging van overheidswege, nu de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dit eist.

Omdat de rechtbank verdachte ten dele strafbaar acht voor de hem gepleegde feiten, dient de rechtbank te beoordelen welke straf passend en geboden is.

Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte is op 28 mei 2016 te ’s-Hertogenbosch de woning van het slachtoffer ingeklommen via een openstaand raam op de eerste verdieping. Ter zitting heeft verdachte verklaard dat hij in paniek was doordat hij het slachtoffer hoorde thuiskomen. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. Het optreden van verdachte was eerder beheerst en berekenend. Hij had alle tijd en gelegenheid om de woning te ontvluchten toen het slachtoffer thuis was gekomen. In plaats daarvan wachtte hij haar op in haar slaapkamer en nam daarna ruimschoots de tijd om de woning meerdere malen gericht te doorzoeken.

Toen het slachtoffer boven kwam, heeft verdachte haar, terwijl zij naakt was, gekneveld aan mond, armen en enkels. Verdachte zei dat hij geld wilde hebben en dat hij haar anders zou vermoorden. Hij sleepte haar aan haar haren mee naar beneden om daar geld uit haar portemonnee te halen. Ook deed verdachte een kledingstuk om de hals van het slachtoffer met daar omheen een riem. Verdachte trok zo hard aan die riem dat het slachtoffer korte tijd geen lucht kreeg. Verdachte heeft uiteindelijk geld, een gsm, sleutels, sieraden en een horloge weggenomen.

De diefstal vond plaats in de woning van het slachtoffer, een plaats waar men zich bij uitstek veilig zou moeten voelen. Verdachte heeft een grove inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en haar lichamelijke integriteit ernstig aangetast. Dat het om een kwetsbaar persoon ging – een oudere vrouw die naakt in haar kamer werd overvallen – rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Het is algemeen bekend dat gebeurtenissen als hiervoor omschreven grote emotionele impact hebben op een slachtoffer, zoals ook blijkt uit de slachtofferverklaring.

Het brute geweld waarmee verdachte de woningoverval heeft gepleegd, laat zien dat hij er niet voor terugschrikt om geweld tegen andere mensen te gebruiken. Verdachte heeft zich louter laten leiden door financieel gewin zonder stil te staan bij de gevolgen van zijn handelen voor het slachtoffer. Een dergelijk feit schokt de rechtsorde en draagt bij aan algemene gevoelens van onveiligheid.

De rechtbank betrekt ook bij haar oordeel dat - hoewel niet ten laste gelegd - het slachtoffer tijdens de woningoverval gedurende enige tijd (zeker een half uur) van haar vrijheid is beroofd.

Bovendien heeft verdachte zich nog tweemaal schuldig gemaakt aan diefstal en heeft hij ook nog een op een vuurwapen gelijkend voorwerp voorhanden gehad en een agent beledigd.

Uit het uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 januari 2017 volgt dat verdachte in het verleden meermalen voor diefstal met geweld tot gevangenisstraffen is veroordeeld.

Straf verlagend is dat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht voor de gepleegde woningoverval.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Het oriëntatiepunt voor een woningoverval waarbij meer dan licht geweld wordt gebruikt is 5 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gezien de recidive van verdachte en de ernst van het gepleegde geweld zou een gevangenisstraf van meer dan 5 jaar passend zijn. Omdat verdachte verminderd toerekeningsvatbaar wordt geacht, is in dit geval een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar naar het oordeel van de rechtbank passend en geboden.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1/slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Integrale toewijzing van de civiele vordering met oplegging van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schadevergoeding refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het alarmsysteem stelt de raadsman zich op het standpunt dat dat geen rechtstreekse schade betreft. De overige gevorderde materiële schade is reeds grotendeels vergoed door de verzekering. Bovendien wijkt hetgeen bij de geleden schade die bij de verzekering is geclaimd nogal af van hetgeen in de eerste en tweede aangifte door de benadeelde partij is vermeld.

Beoordeling. De rechtbank acht de vordering in haar geheel toewijsbaar, in dit exceptionele geval ook ten aanzien van de schade die ziet op het aanbrengen van een camerasysteem.

In beginsel acht de rechtbank de kosten van het aanbrengen van een alarmsysteem na een inbraak niet toewijsbaar, aangezien de schade niet in voldoende rechtstreeks verband staat met het strafbare feit. Het is immers geen herstelschade, omdat de kosten worden gemaakt ter voorkoming van een nieuwe inbraak. In dit geval maakt de rechtbank hierop een uitzondering en neemt daarbij in aanmerking dat het hier gaat om een brute overval ten gevolge waarvan het slachtoffer ernstig is getraumatiseerd. Dit maakt dat de rechtbank van oordeel is dat in dit geval bij uitstek het psychisch herstel van het slachtoffer is gediend bij de alarminstallatie.

Het totale toegewezen bedrag ter zake de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale toegewezen bedrag ter zake de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2016 (de datum van indiening van de vordering) tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het totale toegewezen bedrag ter zake de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale toegewezen bedrag ter zake de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2/slachtoffer 2] .

Het standpunt van de officier van justitie.

Toewijzing van een geldbedrag van € 180,--, hoofdelijk, met oplegging van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht vermeerderd met de wettelijke rente.

Het standpunt van de verdediging.

Afwijzing van de vordering benadeelde partij.

Beoordeling. De rechtbank zal de vordering afwijzen, nu uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet onomstotelijk volgt dat het weggenomen geld toebehoorde aan [benadeelde partij 2/slachtoffer 2] .

De rechtbank zal, nu de vordering niet wordt toegewezen, de benadeelde partij veroordelen in de kosten. Deze kosten worden tot op heden begroot op nihil.

Teruggave.

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in het dictum nader te noemen in beslag genomen voorwerpen aan respectievelijk [slachtoffer 1] en [verdachte] nu naar het oordeel van de rechtbank het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen de teruggave van de in beslag genomen goederen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 24c, 27, 36f, 37a, 37b, 57, 266, 267, 310, 311, 312

Wet wapens en munitie art. 2, 13, 55.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

Ten aanzien van 01/865054-16:diefstal, voorafgegaan en vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heter daad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.Ten aanzien van 01/088161-16 feit 1:diefstal door twee of meer verenigde personen.Ten aanzien van 01/088161-16 feit 2:handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.Ten aanzien van 01/820267-16 feit 1 primair:diefstal.Ten aanzien van 01/820267-16 feit 2:eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.De rechtbank verklaart verdachte hiervoor strafbaar en legt op de volgende straf en maatregel.

Ten aanzien van 01/865054-16, 01/088161-16 feit 1, feit 2, 48/820267-16 feit 1 primair, feit 2: gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar met aftrek overeenkomstig artikel 27 Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van 01/865054-16:

terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging voor de duur van 2 jaar.

Ten aanzien van 01/865054-16:maatregel van schadevergoeding van € 8.308,62 subsidiair 76 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 8.308,62 (zegge: achtduizend driehonderd acht euro en tweeënzestig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 76 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding. De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op. Het totale toegewezen bedrag ter zake de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale toegewezen bedrag ter zake de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] , van een bedrag van € 8.308,62 (zegge: achtduizend driehonderd acht euro en tweeënzestig eurocent). Het bedrag bestaat uit immateriële schadevergoeding en materiële schadevergoeding. Het totale toegewezen bedrag ter zake de immateriële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 mei 2016 tot aan de dag der algehele voldoening. Het totale toegewezen bedrag ter zake de materiële schade te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Ten aanzien van 01/088161-16 feit 1: Afwijzing van de civiele vordering.

Wijst af de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

Veroordeelt de benadeelde partij in de kosten van verdachte tot op heden begroot op nihil.

Teruggave in beslag genomen goederen, aan [slachtoffer 1] (benadeelde) te weten:

een geldbedrag van € 284,30 G1012528.

Teruggave in beslag genomen goederen, aan [verdachte] (veroordeelde) te weten:

een grijze gsm, merk Samsung goednummer 1012743.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. P.J.H. Van Dellen, voorzitter,

mr. T. Dompeling en mr. B. Poelert, leden,

in tegenwoordigheid van J. Kapteijns, griffier,

en is uitgesproken op 3 maart 2017.

Mr. B. Poelert is buiten staat dit vonnis (mede) te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de districtsrecherche ‘s-Hertogenbosch, proces-verbaalnummer BOMBH90 documentcode 2016118821, opgemaakt en ondertekend d.d. 21 juli 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 225.

2 Verklaring verdachte, d.d. 20 juli 2016, p. 214

3 Verklaring verdachte d.d. 20 juli 2016 p. 214

4 Verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 28 mei 2016 p. 21, 22

5 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] d.d. 28 mei 2016, p. 20-22.

6 Verklaring van [slachtoffer 1] , d.d. 1 juni 2016, p. 32-34

7 Verklaring van [slachtoffer 1] , dd. 1 juni 2016, p. 35-36.

8 Verklaring van [slachtoffer 1] , d.d. 18 mei 2016, p. 23

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte, d.d. 20 juli 2016, p. 220

10 Verklaring van [getuige 1] d.d. 23 juni 2016 p. 175, 176

11 Verklaring van [getuige 2] d.d. 22 juni 2016 p. 173, 174

12 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p.215-216 en p. 220, en de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 30 augustus 2016.

13 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, teamrecherche Eindhoven, proces-verbaalnummer 2016091185, opgemaakt en ondertekend d.d. 23 mei 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 171.

14 Verklaring van [slachtoffer 2] , aangeefster, opgemaakt en ondertekend d.d. 24 april 2016, p. 49 t/m 51

15 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 4] , p. 115.

16 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2016 afgelegd

17 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend d.d. 23 april 2016 p. 64 t/m 68

18 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend d.d. 2 mei 2016 p. 167 t/m 171

19 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2016 afgelegd

20 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces- verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, district Eindhoven, proces-verbaalnummer PL2100-2016058372, opgemaakt en ondertekend d.d. 15 maart 2016, aantal doorgenummerde bladzijden: 44.

21 De verklaring van [slachtoffer 6] , aangeefster, opgemaakt en ondertekend d.d. 16 januari 2016 p. 19 t/m 24

22 Proces-verbaal van de terechtzitting van 30 augustus 2016, p. 4.

23 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend d.d. 26 januari 2016 p. 28 en p. 29

24 De verklaring van [slachtoffer 6] , aangeefster, opgemaakt en ondertekend d.d. 16 januari 2016 p. 19 t/m 24

25 Proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend d.d. 23 februari 2016 p. 8, 9

26 Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant] , opgemaakt en ondertekend d.d. 23 februari 2016, p. 10 t/m 12

27 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2016 afgelegd.