Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2017:1034

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
02-03-2017
Datum publicatie
02-03-2017
Zaaknummer
01/181653-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verduistering in dienstbetrekking door als vrachtwagenchauffeur bij een bedrijf meer bloemenkarren mee te nemen dan op de orderbon is vermeld en vervolgens deze bloemenkarren te verkopen. De rechtbank vindt een taakstraf geen passende reactie en legt een gevangenisstraf van 7 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar en onder meer de voorwaarde van toezicht van de reclassering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Parketnummer: 01/181653- [verdachte]

Strafrecht

Parketnummer: 01/181653-16

Datum uitspraak: 02 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1970] ,

wonende te [woonplaats] , [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 16 februari 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 januari 2017.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op verschillende/een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 28 november 2015 te Veghel en/of De Mortel althans in Nederland opzettelijk (telkens) een hoeveelheid Denen/bloemenkarren en/of (bijbehorende) platen, in elk geval (telkens) enig() goed(eren), dat/die (telkens) geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte en welk(e) goed(eren) verdachte (telkens) uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als chauffeur en/of transporteur van voornoemd(e) goed(eren) voor [bedrijf 2] , elk geval (telkens) anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op verschillende/een tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 01 januari 2015 tot en met 28 november 2015 te Veghel en/of De Mortel, althans in Nederland, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening (telkens) heeft weggenomen een hoeveelheid Denen/bloemenkarren en/of (bijbehorende) platen, in elk geval (telkens) enig goed, (telkens) geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] , in elk geval (telkens) aan een ander of anderen dan aan verdachte;

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Aan verdachte wordt verweten dat hij uit hoofde van zijn dienstbetrekking als chauffeur in de ten laste gelegde periode bloemenkarren (ook wel Denen of Deense karren genoemd) en bijbehorende platen heeft verduisterd dan wel dat hij deze karren en platen heeft gestolen.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen en kwalificeert de strafbare gedragingen van verdachte als kort gezegd verduistering in dienstbetrekking.

Het standpunt van verdachte.

Verdachte heeft erkend dat hij als chauffeur van [bedrijf 2] in de ten laste gelegde periode meer bloemenkarren en platen heeft meegenomen dan dat hij zelf op de betreffende bonnen verantwoorde en ter bestemde plaatse afleverde. Verdachte verklaarde dat hij de niet op de bon verantwoorde karren en platen heeft verkocht aan de boomkwekerij van [persoon 1] in [gemeente]

Het oordeel van de rechtbank. 1

De rechtbank acht op grond van de navolgende bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan verdachte onder primair is ten laste gelegd:

- de bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 16 februari 2017, inhoudende zakelijk weergegeven:

het klopt dat ik in de periode van 1 januari 2015 tot en met 28 november 2015 als chauffeur voor [bedrijf 2] bij [bedrijf 1] in Veghel meer bloemkarren en bijbehorende platen meenam dan dat ik op de bon verantwoordde. De karren en platen die ik teveel meenam, leverde ik af in [gemeente] Ik had zelfstandig toegang tot het laadperron en laadde de karren ook zelf in.

  • -

    het proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] namens [bedrijf 1] , politie Lelystad, p. 7-8 juncto het proces-verbaal van aangifte politie Oost-Brabant van 2 maart 2016, p. 5;

  • -

    een geschrift, zijnde een rapport van Security Partners, p. 10-45;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 52-55.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft de rechtbank volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op tijdstippen in de periode van 01 januari 2015 tot en met 28 november 2015 te Veghel en De Mortel opzettelijk telkens een hoeveelheid Denen/bloemenkarren en bijbehorende platen, toebehorende aan een ander of anderen dan aan verdachte en welke goederen verdachte uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking, te weten als chauffeur van voornoemde goederen voor [bedrijf 2] , onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of het bewezen verklaarde handelen van verdachte te kwalificeren is als verduistering (in dienstbetrekking) dan wel als diefstal.

Verdachte heeft van zijn werkgever een toegangspas voor het bedrijfspand van [bedrijf 1] in Veghel gekregen. Hij had de opdracht lege bloemenkarren en platen mee te nemen. Verdachte had als vrachtwagenchauffeur aldus vrije toegang tot o.a. die bloemenkarren en platen. Verdachte nam karren en platen mee die hij moest afleveren bij bijvoorbeeld [website] , elders in het land. Verdachte had de karren en platen die hij in Veghel meenam aldus anders dan door misdrijf onder zich. Door op de orderbon niet het volledige aantal meegenomen karren en platen te vermelden en vervolgens dat (niet verantwoorde) deel van de karren en platen te verkopen en af te leveren in De Mortel heeft verdachte zich de karren en platen wederrechtelijk toegeëigend.

Het bewezen verklaarde levert naar het oordeel van de rechtbank op verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft de oplegging gevorderd van een taakstraf van 200 uur subsidiair 100 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren met daarbij als bijzondere voorwaarden, verplicht reclasseringscontact.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van verdachte.

Verdachte heeft aangevoerd dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor hem zal betekenen dat hij zijn baan als internationaal vrachtwagenchauffeur zal verliezen met alle nadelige gevolgen voor hem en zijn gezin als gevolg.

Verdachte heeft voorts aangevoerd gebaat te zullen zijn bij hulpverlening, met name met het oog op zijn grote financiële problemen die volgens verdachte de aanleiding geweest zijn voor zijn keuze de onderhavige feiten te plegen.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering in dienstbetrekking en heeft daarmee niet alleen [bedrijf 1] maar ook andere betrokken bedrijven bij dit logistieke systeem met statiegeldachtige trekken aanzienlijke materiële schade toegebracht door meer lege bloemkarren en bijbehorende platen mee te nemen dan hij in de administratie verantwoordde. Verdachte heeft deze goederen vervolgens particulier verkocht en heeft zo op illegale wijze veel geld verdiend.

Verdachte heeft zijn werkgever, [bedrijf 2] , niet alleen in verlegenheid gebracht en schade berokkend maar ook het vertrouwen dat een werkgever in zijn werknemer moet kunnen stellen in hoge mate beschaamd. Het verweer van verdachte dat hij – mede onder invloed van zijn nijpende financiële situatie waarvoor hij geen hulp kreeg - in de verleiding werd gebracht door het ontbreken van adequate controlemechanismen rondom het vervoer van karren en platen komt de rechtbank voor als een gotspe. Verdachte heeft ter terechtzitting blijk gegeven van een berekenende grondhouding van waaruit hij zijn gedraging rechtvaardigde met een beroep op zijn financiële noodsituatie. Verdachte gaf aan zich voor te kunnen stellen in de toekomst mogelijk eenzelfde afweging te maken indien zijn financiële situatie hem daartoe – in zijn beleving - noopt.

Verdachte liep ten tijde van het plegen van de onderhavige feiten nog in de proeftijd van een voorwaardelijke straf wegens het telen van hennep. Daarnaast is verdachte eenmaal eerder veroordeeld voor een vermogensdelict, te weten op 31 oktober 2014 en heeft hiervoor een taakstraf opgelegd gekregen. De rechtbank dient aldus rekening te houden met het taakstrafverbod van artikel 22b Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank is van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, kijkend naar de aard en ernst van de feiten, de aanzienlijke duur alsmede verdachtes recente veroordeling ter zake een vermogensdelict direct voorafgaand aan de thans bewezenverklaarde periode, een taakstraf – nog daargelaten het taakstrafverbod – niet als een passende reactie kan worden gezien op verdachtes handelen en dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand passend en ook geboden is.

De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen. De rechtbank acht het gevaar op herhaling reëel aanwezig, gelet op de hiervoor omschreven grondhouding van verdachte, verdachtes problematische schuldenpositie alsook verdachtes antecedenten.

Aan deze voorwaardelijke straf zal als bijzondere voorwaarde worden gekoppeld dat verdachte verplicht contact onderhoudt met de reclassering. Hoewel de reclassering verdachtes problematiek niet zelf zal kunnen wegnemen kan zij wellicht wel steun en begeleiding bieden aan verdachte bij het oplossen van deze problemen en – aldus – bijdragen aan het terugdringen van het recidiverisico.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 57, 321, 322.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

verklaart het ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

verduistering, gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd; verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

legt op de volgende straf:

een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt en

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door de reclassering;

- zich binnen twee dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis moet melden bij Reclassering Nederland regio Zuid-West locatie Den Haag op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht,

waarbij de Reclassering Nederland, Regio Zuid-West, opdracht wordt gegeven toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. M.T. van Vliet en mr. C.P.C. Kuijs, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 2 maart 2017.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, genummerd PL2100-2016048296.