Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:927

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
07-03-2016
Zaaknummer
01/865131-15
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bewezen verklaard zijn: afpersing, wederrechtelijke vrijheidsberoving en vernieling (in een politiecel). Verdachte (19 jaar) heeft een willekeurige voorbijganger in de avond aangesproken en onder bedreiging met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp de Iphone, bankpas en geld afgenomen en het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd. Opgelegd is een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest. Tevens dient schade te worden vergoed.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/865131-15

Datum uitspraak: 07 maart 2016

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (voormalig Joegoslavië) op [geboortedatum] 1996,

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans preventief gedetineerd te: P.I. HvB Ter Apel.

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 22 februari 2016.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 25 januari 2016.

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 9 november 2015 tot en met 10 november 2015 te Eindhoven (telkens) met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en/of een of meer geldbedrag(en) (te weten in totaal 300 euro) en/of een I-phone, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld (telkens) hierin bestond dat verdachte

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de/het borst(been), althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en/of gehouden en/of die [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft voorgehouden en/of

- (dreigend) tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd, dat hij, verdachte, hem door zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen, althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking:

2.

hij in of omstreeks de periode van 9 november 2015 tot en met 10 november 2015 te Eindhoven, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en / of beroofd gehouden, door toen en daar voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk en wederrechtelijk - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen de/het borst(been), althans het lichaam, te duwen en/of voor te houden en/of - (vervolgens) op (de stang van) zijn, verdachtes fiets, te doen plaatsnemen en/of (naar een pinautomaat) te vervoeren en/of

- de woorden toe te voegen, dat hij hem door zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen, althans dreigende woorden toe te voegen en/of

- (vervolgens) te dwingen een café binnen te gaan en/of in een/dat café te doen plaatsnemen en/of - (vervolgens) te dwingen naar een pinautomaat te lopen;

3.

hij op of omstreeks 12 november 2015 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit (van een politiecel) en/of een laken, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Politie Eenheid Oost-Brabant, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in de vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Bewijs

Inleiding.

Verdachte wordt verdacht van afpersing en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 1] . Daarnaast wordt hij verdacht van vernieling van een laken en de ruit van een politiecel.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

Feit 1 kan bewezen worden verklaard, met dien verstande dat verdachte ontkent te hebben gezegd dat hij het slachtoffer voor zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen. Verdachte bekent wel dreigende woorden te hebben geuit.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman vrijspraak bepleit subsidiair dit feit aan te merken als een voortgezette handeling van feit 1.

Feit 3 kan bewezen worden verklaard.

De bewijsmiddelen ten aanzien van de feiten 1 en 2. 1

[slachtoffer 1] heeft op 10 november 2015 aangifte gedaan van een beroving en een gijzeling. Hij heeft onder meer het navolgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

Ik was op 9 november 2015 om 23.08 uur in Eindhoven. Een man sprak mij aan.

Hij ging recht voor mij staan. Ik zag en voelde dat de man een pistool in een van zijn handen had. Ik zag en voelde dat de man de loop van het pistool tegen mijn borstbeen drukte. Ik voelde het pistool wel goed. Ik hoorde dat de man op dreigende wijze tegen mij zei dat hij geld wilde. Ik zag dat de man mij dreigend aan keek. Ik was ontzettend bang vanaf het moment dat ik het pistool zag en de man in zijn ogen keek. Ik heb toen de man geld vroeg direct uit mijn rechter achterzak mijn portemonnee gepakt. Ik heb vervolgens mijn portemonnee geopend en heb daaruit de pinpas gepakt.

Ik heb de pinpas aan de man gegeven. Ik zei hierbij dat ik niet meer had. Ik zag dat

de man de pinpas aannam. Ik hoorde dat de man op dreigende wijze mijn

telefoon vroeg. Ik heb hierop, omdat ik nog steeds erg bang was, mijn iPhone gepakt en

aan de man gegeven. Ik hoorde dat de man de code van de iPhone aan mij vroeg.

Ik heb hierop de code gegeven. Ik zag dat de man reageerde toen hij de ABN AMRO app op mijn iPhone zag. Ik heb hierop, omdat ik nog steeds bang was en vreesde dat hij mij

iets aan zou doen, de code van de ABN AMRO app ingetoetst zodat het saldo direct

zichtbaar werd. Ik hoorde vervolgens dat de man op dreigende wijze tegen mij zei, kom we gaan naar de bank. Ik hoorde dat de man zei dat ik bij hem op de fiets moest stappen en op de stang moest zitten. Ik ben op de stang gaan zitten, terwijl de man op het zadel zat.

Vervolgens is de man van de Bagelaarstraat richting de Tongelresestraat gefietst.

Ik hoorde hem nog zeggen dat hij mij door mijn kop zou schieten als ik de politie zou bellen. Ik hoorde hem diverse keren vragen wat de pincode was van mijn pinpas. Bij de geldautomaat van de Rabobank kreeg ik mijn pinpas en mijn iPhone even terug.

De reden dat ik die terug kreeg was omdat ik geld over moest maken van mijn

spaarrekening naar de lopende rekening. Ik moest vervolgens zoveel mogelijk geld pinnen. Ik zag dat de man direct naast de geldautomaat bleef staan. Ik heb vervolgens 150 euro gepind. Ik heb dat geld direct aan de man gegeven samen met de pinpas en de iPhone.

Ik hoorde dat de man zei dat dat niet voldoende was. Ik hoorde dat de man zei dat ik

met hem mee moest. Ik hoorde dat de man zei dat ik mee naar zijn huis moest en dat we

dan de volgende dag weer zouden pinnen.

Ik hoorde dat de man dit diverse keren herhaalde. Ik denk dat de man dat wel vijf

keer heeft gezegd. Omdat ik zeker niet met de man mee wilde, stelde ik voor om naar

een andere bank te gaan.

Ik hoorde dat de man niet bekend was en niet wist waar nog een bank was.

Hierop heb ik tegen de man gezegd dat er bij de Albert Heijn een ABN AMRO bank was en

dat ik daar nog meer zou kunnen pinnen.

Vervolgens moest ik weer op de fiets stappen, op de stang, om vervolgens naar de

andere bank te fietsen. Vervolgens is de man direct richting de geldautomaat van de ABN AMRO bank gefietst. Ik heb geprobeerd te pinnen, dit lukte niet.

Ik heb toen tegen de man gezegd dat je vandaag niets meer kon pinnen maar dat ik wel

na twaalf uur kon pinnen. Ik zag dat het op dat moment 23:40 uur was. Ik hoorde dat

de man zei dat hij geld nodig had. Ik hoorde dat de man voorstelde om wat te gaan drinken en om na twaalf uur weer proberen te pinnen. Ik heb de pinpas en iPhone weer aan de man gegeven. Wij zijn vervolgens, ik weer op de stang, de rondweg weer overgestoken en zijn naar een kroeg gegaan aan de linkerzijde van de Tongelresestraat. Ik ben voor de kroeg afgestapt. Wij zijn samen de kroeg ingelopen en in het midden aan de bar gaan zitten. Vervolgens hebben wij zo’n twintig minuten in de kroeg aan de bar gezeten. Ik heb de hele tijd in de kroeg niets gezegd. Toen het bijna twaalf uur was hoorde

ik dat de man zei dat hij nog een sigaretje ging roken en dat we daarna zouden gaan.

Ik kan u zeggen dat ik er in de kroeg bij zat als een dood vogeltje. Ik heb geen

woord gezegd. Ik voelde mij ontzettend ongemakkelijk.

Wij zijn samen de kroeg uit gelopen. Ik hoorde dat de man zei dat we gingen lopen. Hierop zijn we te voet terug gelopen naar de ABN AMRO bank die naast de Albert Heijn ligt, schuin tegenover de kroeg. Ik kreeg weer mijn pinpas en mijn iPhone en ik moest weer zoveel mogelijk pinnen. Ik kon slechts 150 euro pinnen. Ik wilde dit geld direct aan de man geven samen met de pinpas en de iPhone. Echter op dat moment kwamen er twee mensen aan. Ik hoorde dat de man tegen mij zei “even wachten”. Toen de mensen voorbij waren heb ik alsnog het geld, de pinpas en de iPhone aan de man gegeven.

Wij stonden ongeveer op de hoek van de Tongelresestraat. De man is vervolgens weggelopen. Ik kan u zeggen dat ik gedurende de hele tijd ontzettend bang ben geweest van de man, die mij met een pistool heeft bedreigd en voor wie ik geld moest pinnen. Ik heb geen enkel moment gedacht dat ik weg kon komen zonder gevaar voor eigen leven.2

Verdachte is op 10 november 2015 door de politie aangehouden.3 Verdachte had een wapen in zijn broeksband.4 Het wapen was een nabootsing van een pistool, dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoonde met een pistool, merk Colt.5

Onder verdachte is tevens een iPhone en een bankpas van [slachtoffer 1] aangetroffen.6

Verdachte heeft ter terechtzitting onder meer het navolgende verklaard -zakelijk weergegeven -:

Ik heb op 9 november 2015 ’s avonds in Eindhoven een jongen aangesproken en mijn pistool tevoorschijn gehaald. Ik heb het wapen op de jongen gericht. Ik heb tegen de jongen gezegd dat ik geld van hem wilde. Ik heb dreigende woorden in de richting van die jongen geuit. Ik ben met de jongen op de stang van mijn fiets naar een pinautomaat gefietst. Daar heeft de jongen 150 euro gepind en aan mij gegeven. Daarna zijn we naar een café gegaan. Dat was om te wachten tot 24.00 uur, zodat de jongen weer kon pinnen. De jongen zei namelijk dat hij de volgende dag weer kon pinnen. We zijn na middernacht nog een keer gaan pinnen. De jongen heeft € 150,-- gepind en aan mij gegeven. Ik ben weggegaan en ik heb de bankpas en de iPhone van de jongen meegenomen.7

Het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van feit 1.

Op grond van de aangifte, het aantreffen van het wapen, de Iphone en de bankpas onder verdachte en de verklaring van verdachte, zoals hiervoor weergegeven, acht de rechtbank de onder 1 ten laste gelegde afpersing wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van feit 2.

Op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] in de periode van 9 november 2015 tot en met 10 november 2015 te Eindhoven opzettelijk wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden. Dat de feitelijke handelingen van verdachte, zoals vermeld in de tenlastelegging, bij zowel de afpersing als bij de vrijheidsberoving een rol hebben gespeeld, leidt niet tot een ander oordeel.

Het slachtoffer werd omstreeks 23.08 uur op straat door een hem onbekende man, zijnde verdachte, aangesproken. Verdachte duwde een wapen tegen het borstbeen van het slachtoffer en zei dat hij geld van hem wilde. Hij keek daarbij het slachtoffer dreigend aan. Het slachtoffer was, zo blijkt uit zijn verklaring, vanaf het moment dat hij het wapen zag ontzeggend bang voor verdachte. Hij werd gedwongen op de stang van de fiets van verdachte plaats te nemen. Op deze wijze was het slachtoffer in het zicht van verdachte en kon hij niet makkelijk wegkomen. Er werd op dreigende toon tegen het slachtoffer gezegd dat hij hem door zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen, althans werden er bedreigende woorden door verdachte gebruikt. Verdachte is met het slachtoffer op de stang van de fiets naar een pinautomaat gefietst. Bij de pinautomaat is het slachtoffer gedwongen een geldbedrag te pinnen, welk geldbedrag hij meteen aan verdachte moest afgeven. Omdat verdachte meer geld wilde maar er op dat moment geen geld meer gepind kon worden, heeft verdachte het slachtoffer meegenomen naar een café. In dat café zijn verdachte en het slachtoffer gebleven tot ongeveer 24.00 uur, waarna het slachtoffer is gedwongen naar een pinautomaat te lopen en daar wederom een geldbedrag te pinnen. Het slachtoffer heeft meerdere malen zijn bankpas en iPhone aan verdachte moeten afgeven. Na de laatste pintransactie is verdachte met medeneming van het gepinde geld, de bankpas en de iPhone van het slachtoffer weggegaan.

De rechtbank merkt nog op dat zij ook de periode die door verdachte en het slachtoffer in het café is doorgebracht, aanmerkt als een periode waarin het slachtoffer van zijn vrijheid beroofd werd. Het slachtoffer heeft immers aangegeven dat hij zich in het café ontzettend ongemakkelijk voelde en op geen enkel moment heeft gedacht dat hij weg kon komen zonder gevaar voor eigen leven. Gelet op de door verdachte geuite bedreigingen en het gebruik van het vuurwapen is de rechtbank van oordeel dat van het slachtoffer niet in redelijkheid kon worden gevergd dat hij zich op dat of enig ander moment aan de vrijheids- ontnemende situatie zou onttrekken.

De rechtbank volgt de raadsman niet in zijn verweer dat voor wat betreft de feiten 1 en 2 bij een bewezenverklaring sprake is van een voortgezette handeling.

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de afpersing en de wederrechtelijke vrijheidsberoving sprake is van meerdaadse samenloop als bedoeld in artikel 57 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 317, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht en artikel 282, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht hebben een verschillende strekking en betreffen in de aard geheel verschillende misdrijven. Er is geen sprake van gelijksoortige feiten als bedoeld in artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Ten aanzien van feit 3.

Op grond van de bekennende verklaring van verdachte8 en de aangifte van [betrokkene 1]9 acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 12 november 2015 te Eindhoven een ruit van een politiecel en een laken heeft vernield, zoals hierna bewezen is verklaard.

Gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaat de rechtbank ten aanzien van feit 3 met een opgave van bewijsmiddelen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte:

1.

in de periode van 9 november 2015 tot en met 10 november 2015 te Eindhoven met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een pinpas en een geldbedrag (te weten in totaal 300 euro) en een I-phone, toebehorende aan [slachtoffer 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte

- een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het borstbeen van die [slachtoffer 1] heeft geduwd en die [slachtoffer 1] een op een vuurwapen gelijkend voorwerp heeft voorgehouden en

- dreigend tegen die [slachtoffer 1] heeft gezegd, dat hij, verdachte, hem door zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen, althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

2.

in de periode van 9 november 2015 tot en met 10 november 2015 te Eindhoven, opzettelijk [slachtoffer 1] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door toen en daar voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk en wederrechtelijk - een op een vuurwapen gelijkend voorwerp tegen het borstbeen te duwen en voor te houden en

- vervolgens op de stang van zijn, verdachtes, fiets te doen plaatsnemen en naar een pinautomaat te vervoeren en

- de woorden toe te voegen, dat hij hem door zijn kop zou schieten als hij de politie zou bellen, althans dreigende woorden toe te voegen en

- vervolgens te dwingen een café binnen te gaan en in dat café te doen plaatsnemen en - vervolgens te dwingen naar een pinautomaat te lopen.

3.

op 12 november 2015 te Eindhoven opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een politiecel en een laken, toebehorende aan Politie Eenheid Oost-Brabant heeft vernield.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

Ten aanzien van de feiten 1, 2 en 3:

  • -

    een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van het voorarrest;

  • -

    gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] met oplegging van de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman van verdachte heeft verzocht een straf op te leggen die aanzienlijk lager is dan door de officier van justitie geëist is. Voorts heeft hij verzocht om rekening te houden met onder meer de navolgende strafmatigende omstandigheden: Verdachte heeft openheid van zaken gegeven, hij heeft spijt van zijn handelen, hij is pas 19 jaar en hij heeft het slachtoffer slechts één keer bedreigd en daarna geprobeerd hem gerust te stellen. Daarnaast is er door de politie kort voor zijn aanhouding op verdachte geschoten. Verdachte heeft hieraan een schotwond overgehouden.

Het oordeel van de rechtbank.

Algemeen

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd, heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

In het nadeel

Verdachte heeft een willekeurige voorbijganger tijdens de avonduren op de openbare weg aangesproken en deze persoon bedreigd met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Verdachte heeft het slachtoffer vervolgens ongeveer een uur lang van zijn vrijheid beroofd en hem zijn iPhone, bankpas en geld afgenomen

Delicten als de onderhavige veroorzaken veel maatschappelijke onrust en leiden tot toename van gevoelens van angst en onveiligheid onder burgers. Een wederrechtelijke vrijheidsberoving en afpersing zijn voor de slachtoffers een bijzonder traumatische ervaring waar zij nog jarenlang last van kunnen hebben. Uit de toelichting op de vordering benadeelde partij en de slachtofferverklaring blijkt dat dit ook in deze zaak het geval is.

Verdachte heeft met die gevoelens geen rekening gehouden toen hij besloot op deze manier snel aan geld te komen. Hij heeft slechts zijn eigen belang voor ogen gehad.

Verdachte heeft een grote inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer en zijn lichamelijke integriteit aangetast. Het slachtoffer was op het moment van de vrijheidsberoving enorm bang en heeft gedurende het voorval voor zijn leven gevreesd, zo blijkt uit de slachtofferverklaring. Na zijn aanhouding heeft verdachte nog de ruit van zijn de politiecel en een laken vernield.

In het voordeel

De rechtbank houdt rekening met de jonge leeftijd van verdachte. Verdachte was ten tijde van het plegen van de feiten 19 jaar oud. Ook heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat verdachte in Nederland niet eerder met politie en/of justitie in aanraking is gekomen.

De overige door de raadsman aangevoerde omstandigheden vindt de rechtbank niet zodanig relevant dat deze in strafmatigende zin dienen mee te wegen. Dat verdachte oprecht spijt heeft van zijn handelen richting het slachtoffer is de rechtbank uit de houding van verdachte ter terechtzitting niet gebleken.

Conclusie

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf.

Gelet op de ernst van de feiten is de rechtbank van oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of geringere straf dan een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beslag.

De rechtbank zal geen beslissing meer nemen ten aanzien van de op de beslaglijst genoemde bibigun omdat verdachte ter terechtzitting afstand heeft gedaan van dit in beslag genomen goed.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de vordering geheel toewijsbaar.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft bepleit de gevorderde materiële schade toe te wijzen. De immateriële schade dient te worden gematigd tot een bedrag van € 1.000,--.

Beoordeling. De rechtbank acht toewijsbaar, als rechtstreeks door het bewezen verklaarde feit 1 respectievelijk het bewezen verklaarde feit 2 toegebrachte schade, de volgende onderdelen van de vordering te weten immateriële schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-- (feit 1 en 2) en materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 155,95 (feit 1), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 10 november 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren ten aanzien van de immateriële schade, voor zover deze het bedrag van € 1.000,-- te boven gaat omdat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Nader onderzoek naar de juistheid en omvang van de vordering (in zoverre) zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen.

De benadeelde partij kan dit onderdeel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten van de benadeelde partij tot op heden begroot op nihil. Verder wordt verdachte veroordeeld in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Schadevergoedingsmaatregel.

De rechtbank zal voor het toegewezen bedrag tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen, nu de rechtbank het wenselijk acht dat de Staat schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum delict, 10 november 2015, tot de dag der algehele voldoening.

Aangezien aan verdachte meer verplichtingen tot vergoeding van dezelfde schade worden opgelegd, zal de rechtbank bepalen dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij komt te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat komt te vervallen.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 24c, 27, 36f, 57, 282, 317, 350.

DE UITSPRAAK

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

T.a.v. feit 1: afpersing T.a.v. feit 2: opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden T.a.v. feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

T.a.v. feit 1, feit 2 en feit 3:

Gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het

Wetboek van Strafrecht.

T.a.v. feit 1, feit 2: Maatregel van schadevergoeding van € 1.155,95 subsidiair 21 dagen hechtenis.

Legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] van een bedrag van € 1.155,95 (zegge: elfhonderd vijfenvijftig euro en vijfennegentig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 21 dagen hechtenis. Het bedrag bestaat uit een bedrag van € 1.000,-- immateriële schadevergoeding en € 155,195 materiële schadevergoeding (posten: contant geld, telefoon, vervangen pinpas).

De toepassing van deze vervangende hechtenis heft de hiervoor genoemde betalingsverplichting niet op.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict,

10 november 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Beslissing op de vordering van de benadeelde partij:

Wijst de vordering van de benadeelde partij toe en veroordeelt verdachte mitsdien tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] ,

van een bedrag van € 1.155,95 (zegge: elfhonderd vijfenvijftig euro en vijfennegentig cent), te weten € 1.000,-- immateriële schadevergoeding en € 155,95 materiële schadevergoeding (posten: contant geld, telefoon, vervangen pinpas).

Het totale toegewezen bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het delict, 10 november 2015, tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot heden begroot op nihil.

Veroordeelt verdachte verder in de ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten.

Bepaalt dat de benadeelde partij in het overige deel van de vordering niet ontvankelijk is.

Indien de verdachte heeft voldaan aan verplichting tot betaling aan de Staat komt daarmee verplichting tot betaling aan de benadeelde partij te vervallen en andersom, indien verdachte heeft voldaan aan verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, komt daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. A.J.M. van Gink, voorzitter,

mr. H.A. van Gameren en mr. V.G.T. van Emstede, leden,

in tegenwoordigheid van L. Scholl, griffier,

en is uitgesproken op 7 maart 2016.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen zijn dit de bijlagen bij het proces-verbaal van de politie eenheid Oost-Brabant, districtsrecherche Eindhoven, met onderzoeknummer BVH 2015250556, sluitingsdatum 24 december 2015, pag. 1 tot en met 90.

2 Verklaring [slachtoffer 1] , pag. 31-36

3 Bevindingen verbalisanten pag. 12

4 Bevindingen verbalisanten, pag. 29

5 Bevindingen verbalisant, pag. 70-71

6 Bevindingen verbalisant pag. 22 en pag. 45

7 Verklaring verdachte ter terechtzitting

8 Verklaring verdachte ter terechtzitting

9 Aangifte [betrokkene 1] , pag. 87-88