Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:894

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
01-03-2016
Zaaknummer
3886500
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBOBR:2016:895
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verplichting om geschil over declaraties van advocaten aan de Geschillencommissie Advocatuur voor te leggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2016/188
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Civiel Recht

Zittingsplaats Eindhoven

Zaaknummer : 3886500

Rolnummer : 15-2055

Uitspraak : 7 januari 2016

in de zaak van:

de burgerlijke maatschap

[B] Advocaten,

gevestigd te [plaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. G.C.G. Raymakers,

t e g e n

[gedaagde] ,

wonende te [plaats] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. T.J.R. Knopper.

Partijen zullen hierna worden genoemd “ [B] Advocaten” en “ [gedaagde] ”.

1 Het (verdere) verloop van het geding

1.1.

Dit blijkt uit het volgende:

a. het tussenvonnis van 21 mei 2015, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

b. de comparitie na antwoord d.d. 29 juli 2015 ten behoeve waarvan zowel [B] Advocaten als [gedaagde] stukken in het geding heeft gebracht die zowel aan de rechtbank als aan de wederpartij zijn toegezonden;

c. de akte tot het overleggen van producties aan de zijde van [B] Advocaten d.d. 24 september 2015;

d. de akte tot overlegging producties aan de zijde van [gedaagde] d.d. 24 september 2015;

e. de antwoordakte aan de zijde van [B] Advocaten d.d. 19 november 2015;

f. de antwoordakte tot overlegging producties aan de zijde van [gedaagde] d.d. 19 november 2015.

1.2.

Tot slot is wederom vonnis bepaald.

2 De feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende

weersproken en/of op grond van de onbestreden inhoud van overgelegde producties het volgende vast.

2.1.

[B] Advocaten heeft in de periode 25 augustus 2010 tot en met juli 2013 in de persoon van mr. F.A. van den Heuvel (hierna te noemen: mr. Van den Heuvel) en mr. S.H.J. Raessens (hierna te noemen: mr. Raessens) juridische diensten aan [gedaagde] verleend, bestaande uit het verzorgen van juridische bijstand (zowel procedureel als adviserend van aard).

2.2.

De in dit verband tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht is neergelegd in een door [gedaagde] op 28 augustus 2010 voor akkoord getekende opdrachtbevestiging d.d. 27 augustus 2010 (productie 1 bij dagvaarding). In deze opdrachtbevestiging staat onder meer letterlijk vermeld:

“Ten slotte vraag ik nogmaals uw aandacht voor onze klachtenregeling:

Ons kantoor zal er alles aan doen om u zo goed mogelijk bij te staan. Toch kan het voorkomen dat u ontevreden bent over onze dienstverlening, in welk geval bezwaren kunnen worden voorgelegd aan de eigen advocaat, dan wel gericht aan onze klachtenfunctionaris. In overleg met u zal dan worden getracht een oplossing te bereiken. Mocht overleg onverhoopt niet tot een bevredigend resultaat leiden, dan kunt u uw klacht indienen bij de Geschillencommissie Advocatuur, waarbij ons kantoor is aangesloten.”

2.3.

Voor de aan [gedaagde] verleende juridische diensten heeft [B] Advocaten haar twee declaraties verzonden; een factuur d.d. 2 maart 2011 ten bedrage van € 255,-- en een factuur d.d. 31 juli 2013 ten bedrage van € 10.000,-- (producties 2 en 3 bij dagvaarding). Voor het totaalbedrag ad € 10.255,-- zijn de declaraties onbetaald gebleven.

2.4.

[gedaagde] heeft begin 2014 een aantal klachten ingediend over het optreden van de behandelend advoca(a)t(en). Bij brief d.d. 9 april 2014 heeft de klachtenfunctionaris van [B] Advocaten [gedaagde] gemeld dat de klacht(en) door hem in behandeling is/zijn genomen (productie 2 bij conclusie van antwoord).

2.5.

De klachtbehandeling door de klachtenfunctionaris van [B] Advocaten heeft niet tot een oplossing geleid.

3 Het geschil

3.1.

[B] Advocaten vordert (kort gezegd):

I. [gedaagde] te veroordelen om aan [B] Advocaten te voldoen een bedrag van

€ 10.722,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 10 februari 2015 tot aan de dag van algehele voldoening;

II. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2.

[B] Advocaten legt daaraan, kort en zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. [B] Advocaten heeft in de periode 25 augustus 2010 tot en met juli 2013 in de persoon van mr. Van den Heuvel en mr. Raessens juridische diensten aan [gedaagde] verleend waarvoor zij twee declaraties heeft verzonden met een totaalbedrag van

€ 10.255,--. Deze declaraties zijn - ondanks (schriftelijke) aanmaningen - voor het gehele bedrag, te vermeerderen met rente (tot 1 februari 2015 ten bedrage van € 467,60), onbetaald gelaten.

3.3.

[gedaagde] voert, kort en zakelijk weergegeven, het volgende verweer.

3.3.1.

[B] Advocaten is niet ontvankelijk in haar vordering, omdat zij het onderhavige geschil aan de Deken van de Orde van Advocaten had moeten voorleggen.

3.3.2.

[B] Advocaten heeft bij [gedaagde] in totaal in rekening gebracht de som van

€ 10.255,--. Dit bedrag staat in geen verhouding tot de werkzaamheden die [B] Advocaten heeft verricht.

3.3.3.

Daar komt bij dat sprake is van ondeugdelijk presteren aan de zijde van [B] Advocaten (in de persoon van mr. Van den Heuvel) ten aanzien van haar betrokkenheid bij de afrekening na overdracht van voorheen de echtelijke woning van [gedaagde] . Hierdoor is [gedaagde] benadeeld met een bedrag van € 6.061,18.

3.4.

Op hetgeen partijen verder hebben aangevoerd zal, voor zover van belang, onder de beoordeling worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Met de invoering van de Wet positie en toezicht advocatuur (hierna: Wpta) per 1 januari 2015 is de regeling van de begrotingsprocedure voor advocatensalarissen, zoals neergelegd in de artikelen 32 tot en met 40 Wbtz, komen te vervallen (artikel III Wpta). Tussen partijen is niet in geschil dat op het onderhavige geschil het nieuwe recht, zoals dat per 1 januari 2015 geldt, van toepassing is.

4.2.

De Wpta voert onder verwijzing naar artikel 28 van de Advocatenwet een verplichting in voor het college van afgevaardigden om bij of krachtens verordening regels te stellen over een klachten- en geschillenregeling. In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat het voor de hand ligt dat deze regeling zich tevens uitstrekt tot geschillen over de declaraties van advocaten (MvT, Tweede Kamer, vergaderjaar 2009–2010, 32 382, nr. 3, p. 32). Deze regeling heeft gestalte gekregen in artikel 6.29 van de eveneens per 1 januari 2015 geldende Verordening op de advocatuur. Dit artikel luidt als volgt:

“Indien de advocaat, de praktijkrechtspersoon of het samenwerkingsverband in de overeenkomst van opdracht opneemt dat geschillen over de totstandkoming en de uitvoering van deze overeenkomst, de kwaliteit van de dienstverlening of de hoogte van de declaratie (onderstreping hof) ter beslechting worden voorgelegd aan een ander dan de bevoegde rechter, dan vindt deze geschilbeslechting in ieder geval plaats door middel van een overeenkomst tot arbitrage, bedoeld in artikel 1020 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering of door middel van een vaststellingsovereenkomst, bedoeld in artikel 900 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.”

4.3.

Hieruit alsmede uit de toelichting op de Verordening op de advocatuur volgt dat de burgerlijke rechter met ingang van 1 januari 2015 bevoegd is om over geschillen met betrekking tot de hoogte van declaraties van advocaten te oordelen, tenzij in de overeenkomst van opdracht tussen advocaat en cliënt is opgenomen dat geschilbeslechting plaatsvindt door middel van arbitrage of door middel van een vaststellingsovereenkomst.

4.4.

In de door [B] Advocaten verzonden en door [gedaagde] voor akkoord getekende opdrachtbevestiging d.d. 27 augustus 2010 staat vermeld dat [B] Advocaten is aangesloten bij de Geschillencommissie Advocatuur en dat [gedaagde] een eventuele klacht bij die geschillencommissie kan indienen, ingeval indiening van de klacht bij de klachtenfunctionaris niet tot een bevredigend resultaat leidt. Hetzelfde geldt echter ook voor [B] Advocaten in geval van incasso van onbetaalde declaraties. De Geschillencommissie Advocatuur kan niet alleen de wijze van totstandkoming en de uitvoering van de overeenkomst van opdracht beoordelen, maar ook de kwaliteit van de verleende rechtsbijstand, de in verband daarmee ingediende schadeclaim en de hoogte van de declaratie. Aangezien [gedaagde] een particuliere cliënt van [B] Advocaten was, treedt de Geschillencommissie Advocatuur ingeval van geschilbeslechting op als een bindend adviseur. Laatstgenoemde levert aldus een bindend advies waarop artikel 7:900 e.v. BW (inzake de vaststellingsovereenkomst) van toepassing is. De kantonrechter volgt [gedaagde] in haar verweer dat hieruit volgt dat [B] Advocaten verplicht is het onderhavige geschil aan de Geschillencommissie Advocatuur voor te leggen en dat de burgerlijke rechter niet bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen (vgl. Hof ’s-Hertogenbosch 3 maart 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:685).

4.5.

Ter comparitie is de positie van de Geschillencommissie Advocatuur aan de orde gesteld, waar in eerste instantie [gedaagde] de wettelijke regeling van begroting door de Orde van Advocaten vermeldde in het kader van de niet-ontvankelijkheid. [gedaagde] heeft aangevoerd met haar beroep op niet-ontvankelijkheid te hebben gedoeld op de verplichte geschilbeslechting via de Geschillencommissie Advocatuur. Partijen zijn in de gelegenheid geweest nader te reageren, maar hebben dat op dit punt nagelaten. Waar ter comparitie de bindende werking van de weg naar de Geschillencommissie Advocatuur niet duidelijk is uitgesproken, krijgen partijen alsnog de gelegenheid op dit punt desgewenst te reageren.

4.6.

De kantonrechter zal iedere verdere beslissing aanhouden.

5 De beslissing

De kantonrechter:

verwijst de zaak naar de rol van 4 februari 2016 voor akte aan de zijde van beide partijen met het hiervoor in r.o. 4.5. vermelde doeleinde;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Godrie, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2016.