Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBOBR:2016:82

Instantie
Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak
07-01-2016
Datum publicatie
15-01-2016
Zaaknummer
15_6880
Rechtsgebieden
Bestuursprocesrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Artikel 13b Opiumwet, softdrugs, sluiting woning.

Wetsverwijzingen
Opiumwet 13b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 15/6880

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 januari 2016 in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.F.A.M. Collart),

en

de burgemeester van de gemeente Cranendonck, verweerder

(gemachtigde: mr. C.A.M. Evers).

Procesverloop

Bij besluit van 14 december 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat de woning, aan de [adres] (hierna: de woning) op 12 januari 2016 wordt gesloten voor de duur van drie maanden, tot 12 april 2016.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om hangende dat bezwaar een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het bestreden besluit wordt vernietigd, dan wel dat het bestreden besluit wordt geschorst gedurende het verloop van de bestuursrechtelijke procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2015. Verzoekers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De voorzieningenrechter neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Verzoekers zijn eigenaren en bewoners van de woning. In het kader van een strafrechtelijk onderzoek heeft op dinsdag 3 november 2015 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning. Naar aanleiding van deze doorzoeking heeft inspecteur van de politie, Eenheid Oost-Brabant, basisteam Dommelstroom, op 5 november 2015 een bestuurlijke rapportage (hierna: de bestuurlijke rapportage) opgesteld. In deze rapportage is onder meer het volgende vermeld:

“Via een trap in de gang werd er toegang verschaft tot de 1e verdieping van deze woning. Op deze verdieping werden, in drie afzonderlijke kamers, onderdelen aangetroffen welke verband hielen met het aanwezig hebben, telen en verwerken van verdovende middelen in de vorm van softdrugs.

•In de 1e ruimte trof de politie een canna-cutter aan met daarin hennepresten, een grote ventilator en een assimilatielamp. Bovendien lag in deze ruimte een zak potgrond onder de naam “Bi Grow Mix” en geschikt voor potgrond t.b.v. hennepplanten.

•In de 2e ruimte van deze verdieping trof de politie een z.g. “growbox” met droogrekken aan, kennelijk bedoeld om geoogste hennepproducten te drogen voor consumptie. In de buurt van deze growbox werden groeibevorderende middelen voor (hennep)planten aangetroffen alsmede aarde, knipschaartjes en een weegschaal.

•De 3e ruimte van deze verdieping was in tweeën verdeeld. In een deel trof de politie een hennep-kweekruimte aan. Deze kweekruimte had een oppervlakte van ongeveer 2,5 bij 2,5 meter. In deze kweekruimte stonden 5 hennepplanten die elk een hoogte hadden van ongeveer 50 cm. Elke plant was apart geplant in een met aarde gevulde plastic bak. Elke plant had een eigen assimilatielamp van 600 Watt. In het tweede deel werd door de politie een vermoedelijke hennepdrogerij- en knipperij gevestigd. In deze ruimte werden 7 assimilatielampen aangesloten op het elektriciteitsnet aangetroffen, alsmede een koolstoffilter, een transformator, ventilator, kachel, luchtbevochtigers, dompelpompen, groeimiddelen en knipscharen t.b.v. het knippen van de hennepplanten.

Voorts bevond zich achter de woning, in de tuin een hondenhok. Dit hondenhok bevond zich nabij de uitgebouwde serre aan de achterzijde van de woning. In dit hondenhok trof de politie in een verborgen ruimte, een witte ton met rode deksel aan. In deze ton trof de politie 295 gram hennep aan, alsmede 2 sealbags met in totaal 11,85 gram hennep; een boterhamzakje met 17,6 gram hennep, een sealbag met 83,66 gram hasj; een sealbag met 97,18 gram hasj en 4 sealbags met daarin in totaal 16,84 gram hasj. In de achtertuin werden 11 zaken potgrond Bi Grow Mix-aarde aangetroffen. De achtertuin behorende bij de omschreven woning was omheind.

(….)

Behalve de hiervoor omschreven drugs en goederen om hennep te telen en te bewerken trof de politie in de betreffende woning ook een busje met pepperspray en een stroomstootwapen aan. Het voorhanden hebben van deze goederen zijn strafbaar gesteld in de Wet Wapens en Munitie.

Verder is een onderzoek gestart naar het mogelijk illegaal afnemen van elektriciteit van het openbare netwerk. Er is aanleiding om aan te nemen dat de elektriciteitsmeter in de woning niet correct werkte en dat er mogelijk een illegale aftakking naar het openbare elektriciteitsnetwerk was gerealiseerd.

(….)”.

Bij brief van 27 november 2015 heeft verweerder verzoekers op de hoogte gebracht van zijn voornemen om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een last onder bestuursdwang op te leggen, inhoudende dat de woning voor een periode van drie maanden wordt gesloten. Bij brief van 10 december 2015 hebben verzoekers hierop hun zienswijze gegeven. Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

2. Als tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank op geen enkele wijze in een eventuele bodemprocedure.

3. De voorzieningenrechter acht het belang van verzoekers bij het treffen van een voorlopige voorziening onder de gegeven omstandigheden voldoende spoedeisend.

4. Verweerder heeft zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat hij, gelet op wat in de woning is aangetroffen, op grond van artikel 13b van de Opiumwet en de op grond daarvan op 7 juli 2015 vastgestelde “beleidsregel bestuurlijke handhaving van artikel 13b Opiumwet (Damoclesbeleid) 2015” (hierna: de beleidsregel), bevoegd was de woning te sluiten. Volgens verweerder is daarbij het belang van verzoekers ondergeschikt aan het algemeen belang tot beëindiging van de inbreuk op de openbare orde en veiligheid en de daarmee gepaard gaande aantasting van het woon- en leefklimaat. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder zou moeten afzien van zijn bevoegdheid tot sluiting van de woning over te gaan, is niet gebleken.

5. Verzoekers hebben zich – kort en zakelijk weergegeven – op het standpunt gesteld dat het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk is gemotiveerd, dat sprake is van een onzorgvuldige belangenafweging en dat het besluit is strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Verzoekers hebben gesteld dat in de woning enkel de toegestane hoeveelheid van vijf planten is aangetroffen, dat er geen sprake is van een hennepkwekerij van enige omvang, maar van thuisteelt voor eigen consumptie en dat het aantal hulpmiddelen niet zonder meer bepalend is. Artikel 13b Opiumwet is niet bedoeld voor thuistelers zoals verzoekers, maar voor telers die het doen om geldelijk gewin. Verweerder heeft verzoekers ten onrechte aangemerkt als handelaren in softdrugs. Verweerder is dan ook in strijd met het verbod van detournement de pouvoir tot toepassing van artikel 13b Opiumwet overgaan. Verzoekers verwijzen in dit kader naar een uitspraak van de rechtbank Gelderland van 19 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2014:7211.

6. Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

7. Uit de in de bestuurlijke rapportage vermelde bevindingen blijkt dat behalve de vijf hennepplanten in de woning een hoeveelheid van in totaal 324,45 gram hennep en 197,68 gram hasj is aangetroffen in een ton in het hondenhok in bij de woning behorende tuin.

8. Voor het ontstaan van de bevoegdheid om op grond van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet bestuursdwang toe te passen is niet vereist dat daadwerkelijk sprake is van handel in drugs. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1764). Uit het woord "daartoe" in deze bepaling volgt dat deze bevoegdheid ontstaat door de enkele aanwezigheid in een woning of lokaal, dan wel in of op het daarbij behorende erf, van een handelshoeveelheid (soft- of hard)drugs, bestemd voor verkoop, aflevering of verstrekking. Daarbij is in beginsel aannemelijk dat de drugs voor verkoop, aflevering of verstrekking bestemd zijn, indien de aangetroffen drugs de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik, te weten 0,5 gram bij harddrugs, 5 gram bij softdrugs en 5 wiet- of hennepplanten, overschrijdt.

9. Omdat de aangetroffen hoeveelheid hennep en hasj de maximale hoeveelheid voor eigen gebruik zeer ruim overschrijdt oordeelt de voorzieningenrechter, met inachtneming van de hiervoor vermelde jurisprudentie, dat aannemelijk is dat deze aanwezig waren voor de verkoop, aflevering of verstrekking daarvan. De enkele ontkenning van verzoekers dat de drugs niet bedoeld waren voor de handel kan aan dit oordeel niet afdoen.

10. De voorzieningenrechter concludeert dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, zodat verweerder bevoegd was tot sluiting van de woning.

11. Verzoekers hebben verder aangevoerd dat de sluiting volstrekt ongerechtvaardigd is. Onder verwijzing naar een stappenplan met maatregelen die oplopen qua ingrijpendheid stellen verzoekers dat verweerder in dit geval had moeten volstaan met een minnelijk vooroverleg of een schriftelijke waarschuwing. Verzoekers wijzen hierbij op de uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:3941. Het door verweerder gevolgde handhavingsbeleid rechtvaardigt geen inbreuk op het huisrecht zoals neergelegd in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft bovendien gekozen voor een sluiting van drie maanden terwijl het beleid het mogelijk maakt bij een eerste overtreding te volstaan met een sluiting voor één maand. Verweerder heeft in strijd met het evenredigheidsbeginsel niet gemotiveerd waarom niet met een sluiting van één maand kon worden volstaan. Het bestreden besluit is verder willekeurig omdat verweerder in twee andere gevallen in dezelfde gemeente, waarbij beduidend meer hennepplanten zijn aangetroffen dan in de woning, eerder in 2015 heeft volstaan met een sluiting van één, respectievelijk twee maanden. Bij een zorgvuldige belangenafweging zou niet tot sluiting zijn overgegaan. Er is namelijk geen sprake van overlast, er is geen enkel bewijs van handel en er zijn slechts vijf planten en enige daarvan afkomstige softdrugs aangetroffen. De mogelijke illegale afname van elektriciteit, die door verzoekers wordt betwist, en de wapens die zijn aangetroffen voegen niets wezenlijks toe aan een belangenafweging, aldus verzoekers.

12. Uit de tekst van artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet volgt dat verweerder bij de uitoefening van de daarin neergelegde bevoegdheid over beleidsvrijheid beschikt. Daarom moet de voorzieningenrechter de invulling van die bevoegdheid door verweerder met enige terughoudendheid toetsen. Daarbij is de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 13b van de Opiumwet van belang (vergelijk de hiervoor genoemde uitspraak van 5 november 2014 van de Afdeling).

13. Gelet op het zeer ingrijpende karakter van een woningsluiting voor bewoners, is bij de invulling die verweerder in geval van een woning geeft aan zijn bevoegdheid ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet, van groot belang dat uitgangspunt moet zijn: een waarschuwing of een soortgelijke maatregel (vergelijk de hiervoor aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 5 november 2014). In de Kamerstukken II 2005/06, 30 515, nr. 3, blz. 8, en Kamerstukken II 2006/07, 30 515, nr. 6, blz. 1 en 2, is in algemene zin vermeld dat bij een eerste overtreding nog niet tot sluiting van de woning dient te worden overgegaan, maar moet worden volstaan met een waarschuwing of soortgelijke maatregel. Van dit uitgangspunt mag in ernstige gevallen worden afgeweken.

14. Verweerder heeft in de beleidsregel uiteengezet hoe hij met zijn bevoegdheid tot sluiting omgaat. In paragraaf 2 van de beleidsregel (“woningen en daarbij behorende erven”) is bepaald dat indien in woningen en/of bij woningen behorende erven drugshandel plaatsvindt ten aanzien van een middel als bedoeld in lijst II (softdrugs) en hoeveelheden worden aangetroffen groter dan opgenomen in de Aanwijzing Opiumwet, Stct 2011 nr. 22936 (de Aanwijzing), bij een eerste constatering voor drie maanden wordt gesloten, bij een tweede constatering voor zes maanden wordt gesloten en bij een derde constatering voor onbepaalde tijd wordt gesloten. In paragraaf 6 (“proportionaliteit en subsidiariteit”) is vermeld dat het voeren van een beleid waarin direct tot sluiting wordt overgegaan redelijk is, indien gemotiveerd wordt waarom de betreffende sluiting proportioneel en subsidiair is.

15. In de Aanwijzing is vermeld dat de grens van wat gedoogd wordt bij verkoop van hennepproducten door coffeeshops is gesteld op maximaal 5 gram. Het ligt in de rede eenzelfde grens te hanteren voor het aanwezig hebben van hennepproducten. In beginsel wordt niet strafrechtelijk opgetreden tegen het aanwezig hebben van hoeveelheden tot en met 5 gram, de geringe hoeveelheid voor eigen gebruik. Bij hoeveelheden tussen de 5 en de 30 gram volgt een strafrechtelijke reactie.

16. Met de verwijzing in zijn beleidsregel naar de in de Aanwijzing vermelde hoeveelheden maakt verweerder, voor zover het softdrugs betreft, kennelijk een onderscheid tussen gevallen waarin het een kleine hoeveelheid drugs betreft en gevallen waarin het een meer dan een kleine hoeveelheid drugs betreft. Bij een kleine hoeveelheid drugs (minder dan 5 gram hennep) in een woning wordt bij een eerste overtreding kennelijk niet tot sluiting overgegaan. Bij een meer dan kleine hoeveelheid drugs (meer dan 5 gram) in een woning of op een bij de woning behorend erf wordt deze bij een eerste constatering voor een periode van drie maanden gesloten. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder nader toegelicht dat hij op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de bevoegdheid heeft om van het beleid af te wijken. Indien bijzondere omstandigheden worden aangedragen op grond waarvan van het beleid moet worden afgeweken neemt verweerder deze mee in de te maken belangenafweging en kan tot een andere maatregel dan een sluiting van drie maanden worden besloten.

17. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, oordeelt de voorzieningenrechter dat verweerder met de beleidsregel voldoende inhoud kan geven aan het uitgangspunt van de wetgever dat bij een overtreding zorgvuldig dient te worden bezien of in plaats van sluiting van een woning kan worden volstaan met een waarschuwing of een daaraan soortgelijke maatregel.

18. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd waarom de sluiting van drie maanden in dit geval proportioneel en subsidiair is. Verweerder heeft in dat kader gewezen op de hoeveelheid en de aard van de in en bij de woning aangetroffen verdovende middelen, de hoeveelheid materiaal ten behoeve van de teelt en het bewerken van hennepplanten, de (mogelijk) illegale afname van elektriciteit en het bezit van wapens als bedoeld in de Wet Wapens en Munitie. Verweerder acht een sluiting van drie maanden noodzakelijk ter voorkoming van strafbare feiten en ter bescherming van rechten van anderen omdat er sprake is van een ernstige inbreuk op de openbare orde. De sluiting is daarmee volgens verweerder een duidelijk signaal dat de niet gedoogde handel in verdovende middelen onder geen enkele omstandigheid wordt getolereerd en dat de noodzakelijke maatregelen worden genomen. Volgens verweerder is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder zou moeten afwijken van zijn beleid.

19. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de in dit geval relevante voormelde feiten en omstandigheden de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van ernstig geval waarbij kan worden afgeweken van het uitgangspunt dat bij een eerste overtreding niet tot sluiting moet worden overgegaan. Verweerder heeft in de omstandigheid dat de sluiting een inbreuk maakt op het in artikel 8 van het EVRM beschermde huisrecht geen aanleiding hoeven zien om af te wijken van het door hem gevoerde beleid. Dat verzoekers door de sluiting hun woning tijdelijk moeten verlaten is immers in beginsel in het beleid verdisconteerd.

20. Voor zover verzoekers een beroep hebben gedaan op het gelijkheidsbeginsel, kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet slagen, reeds omdat verweerder ter zitting heeft toegelicht dat hij de twee door verzoekers genoemde gevallen heeft beoordeeld op grond van zijn beleid, dat gold tot 7 juli 2015 en dat voorzag in de sluiting van een woning voor de duur van één of twee maanden. Er is daarom geen sprake is van gelijke gevallen, die op ongelijke wijze worden behandeld.

21. Gelet op het voorgaande zal het bestreden besluit naar verwachting in stand blijven. De voorzieningenrechter ziet daarom geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening en wijst het verzoek af.

22. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.G.M. Kosman, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2016.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.